Posts tonen met het label linguïstiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label linguïstiek. Alle posts tonen

Foto's met bijschrift (9)


Er is in de loop der tijden van alles vertaald: heilige boeken, schotschriften, romantrilogieën, gedichten, noem maar op. Er is zelfs een enkel geval van een vertaald werk van beeldhouwkunst, zoals het op bovenstaande foto afgebeelde. Ahavah staat er. In transliteratie zijn dat zes letters in plaats van de vier die je ziet, maar dat komt omdat het Hebreeuws klinkers meestal niet schrijft. Het werk staat in de Billy Rose beeldentuin, behorend tot het Israël Museum te Jeruzalem. Het is de vertaling (mogelijkerwijs van de maker ervan, Robert Indiana, zelf; het is tenslotte maar één woord) van een andere sculptuur, Love, die staat in de tuin van het Indianapolis Museum of Art – althans dat neem ik aan, omdat beide beeldhouwwerken ongeveer even groot zijn (resp. 350 x 344 x 183 cm en 365,8 x 365,8 x 182,9 cm), allebei zijn uitgevoerd in cortenstaal en elkaar nabij zijn in tijd (Love is uit 1970, Ahavah uit 1977).

De compositie als zodanig, een blok van vier letters verdeeld over twee verdiepingen, dateert zeker al uit 1964, in de vorm van twee met potlood gemaakte wrijfprenten genomen van 19e-eeuwse koperen sjabloonletters. Daarna volgden talloze andere uitvoeringen van hetzelfde thema. Hetzelfde Indianapolis Museum of Art bezit er ook een groot schilderij (182,5 x 182,5 cm) van uit 1966, in de kleuren rood, groen en blauw; uit 1967 dateert een ongeveer even groot schilderij in rood en blauw, alsmede een kleinere zeefdruk (86,3 x 86,3 cm), maar dan wel weer in de kleuren rood, groen en blauw (maar niet op dezelfde plaats als in het schilderij uit 1966). Kennelijk geïnspireerd door de chocoladeletter nam Indiana de stap om zijn ontwerp ook in drie dimensies uit te voeren, en dat dan ook weer in verschillende formaten en in verschillende materialen.

Het kost nog steeds een paar centen, maar de gemiddelde particulier zal zich eerder een werk van Indiana kunnen veroorloven dan, zeg maar, een ets van Rembrandt in een eerste of tweede staat. Dat werk is dan waarschijnlijk wel een versie van Love, simpel omdat er daarvan zoveel zijn. Indiana heeft sinds de jaren zestig het thema in vele variaties herhaald en dan ook nog eens dikwijls in de vorm van zeefdrukken, met oplagen tot 250 stuks. Ook van versies in drie dimensies bestaan er vaak meerdere exemplaren. Hebt u geen plaats voor zo’n driedimensionale uitvoering en hangen uw muren al vol kunst, dan is er ook het Love-tapijt in verschillende uitvoeringen.

Indiana heeft ook aan de niet-Engelstalige kunstliefhebber gedacht. Behalve de Hebreeuwse versie (die ook leverbaar is als zeefdruk, een grote en een kleine, gedrukt in resp. 25 en 150 exemplaren, alsmede als sculptuur in gereduceerd formaat, in zes exemplaren), is er een Spaanse (Amor; tegelijk als Catalaanse en Portugese versie te beschouwen) en een in Sanskriet, in een Indisch lettertype, maar ook in een Engelse transcriptie (Prem). Dat het zo weinig vertalingen zijn, komt door het feit dat het woord liefde slechts in een gering aantal talen uitgerekend vier letters heeft, althans in weinig van de ruim honderd talen waarin je het kunt opzoeken in Google Translate, te weten het Maleis (suka), het Wels (caru), de Zuid-Afrikaanse talen Zuid-Sotho (rata) en Shona (rudo), het Noord-Koerdisch (evîn) en het Hmong (hlub). Deze talen worden heden ten dage alle met Latijnse letters geschreven. Daarnaast is er liebe in het Jiddisch, dat met vier Hebreeuwse letters wordt gespeld. Ten slotte is er het Griekse eros, maar dat betekent ‘zinnelijke liefde’ of ‘lust’, volgens mijn oude schoolwoordenboek klassiek-Grieks, en dat is misschien niet helemaal wat Indiana bedoelt. Google Translate geeft trouwens een ander woord voor het moderne Grieks, van vijf letters. Niettemin stonden er zo nog zeker zeven kunstwerken voor Indiana (overleden in 2018) op het programma, als hij het thema na vijftig jaar intussen niet zat was. Ik zou me dat kunnen voorstellen, zeker als je iedere nieuwe versie opnieuw zou moeten boetseren, smeden en lassen, uithakken in steen of schilderen met een fijn penseeltje. Gelukkig leent het werk van Indiana zich voor industriële vervaardiging. De ene Love is daardoor niet minder mooi dan de andere. De enige uitzondering zijn alleen die eerste twee, min of meer handkundig gemaakte versies: een beetje knoeiwerk, vergeleken met de rest.

Screenshot van Google Images

Taalverwerving

De lagere school die ik tussen 1961 en 1967 bezocht, de Parelschool te Amsterdam, had een talenpracticum. Dat zou nu geen opzienbarend nieuws zijn, maar de officiële ingebruikneming ervan, verricht door mr. Diepenhorst, minister van Onderwijs en Wetenschap in het kabinet Cals, haalde eind 1965 de krant.

Ik was daarbij, want ik behoorde tot de leerlingen die de werking van het practicum aan de minister en de andere genodigden moesten demonstreren. Ik volgde na de opening nog zo'n anderhalf jaar lessen in het talenpracticum, tot ik van school af ging. De middelbare school waar ik vervolgens heen ging had er geen en ik kwam pas in 1974 weer met een talenpracticum in aanraking toen ik een cursus Italiaans volgde aan de Universiteit van Amsterdam. Dat talenpracticum, behorend aan de Faculteit der Letteren, was een wonder van techniek vergeleken met dat van de Parelschool: iedere cabine had een eigen, door jezelf te bedienen bandrecorder, terwijl je via koptelefoon en microfoon met de docent in verbinding stond. Op de Parelschool was het simpeler. Nu kon je mij en mijn klasgenoten beter geen eigen bandrecorder toevertrouwen, maar dat was niet de reden. De kosten waren zo laag mogelijk gehouden. In de krant stond indertijd dat de ouders van de leerlingen die zelf hadden opgebracht. Ik sluit niet uit dat het energieke hoofd van de Parelschool, J.R. de Groot, de ouders inderdaad zo gek had gekregen, maar het is ook mogelijk dat hij ergens een subsidie had geregeld. In ieder geval had een aantal ouders, waaronder mijn vader, in de avonduren de cabines in elkaar getimmerd en van bedrading voorzien, onder gebruikmaking van bestaand schoolmeubilair. De technische uitrusting was minimaal: één centrale bandrecorder, bediend door de leerkracht, gaf een signaal aan alle koptelefoons. Er waren geen microfoons in de cabines. Wel was er een diaprojector.

Het was dus een armeluistalenpracticum, maar tegelijkertijd een luxe waarover geen enkele andere lagere school beschikte, en dat terwijl het leren van een vreemde taal niet eens op het rooster van het openbaar lagere onderwijs stond. Wel werd er op de Parelschool, net als op andere lagere scholen, al sinds jaren twee keer per week na vieren een uurtje Franse lesgegeven aan een paar kinderen waarvan de ouders dat wilden, georganiseerd door de Stichting V.O.C.O.F. (Volksonderwijs Commissie voor Onderricht in het Frans). Ook het nieuwe talenpracticum diende voor het geven van Frans, eveneens buiten de normale schooltijd. Ik nam deel aan beide extracurriculaire activiteiten om deze taal machtig te worden. Nu stonden die methodisch haaks op elkaar. De lessen van de V.O.C.O.F., onder leiding van een francofiele schooljuffrouw die een klasgenoot de naam “de artistieke sjagerijn” had gegeven, kwamen gewoon uit een lesboek en behelsden het leren van woordjes en grammaticale vormen. Het lesmateriaal en de lesmethode in het talenpracticum waren daarentegen afkomstig van een Belg (wiens naam ik ben vergeten) die zich op het standpunt stelde dat je een vreemde taal niet door in het hoofd stampen leert, maar het best zoals elk kind leert praten: door imitatie van wat het hoort. Volgens zijn theorie zouden we eenvoudig Frans leren door het simpelweg herhaaldelijk nazeggen van zinnetjes die we over onze koptelefoons hoorden. Die zinnetjes vormden samen een verhaaltje. Dat mocht niet vertaald worden; we moesten de strekking opmaken uit de dia's die bij het beluisteren en nazeggen van de band vertoond werden. Voor de zekerheid was dat verhaaltje uiterst simpel gehouden: een gezin, vader, moeder, dochter, zoon, maakt zich 's morgens op om vanuit de voorstad waar ze wonen naar Parijs te gaan, voor school en werk. Behalve dia's van situaties (een wekker die afgaat naast het hoofd van zoontje e.d.) waren er ook plaatjes van dingen als vaders aktentas, zodat we erachter konden komen wat de klank laservjette toch betekende. Ik maak op uit de krant (De Waarheid van 13 november 1965) dat de Belg bij de opening van het talenpracticum zijn systeem heeft verduidelijkt (ik kan me zijn aanwezigheid bij de plechtigheid inderdaad vaag herinneren). “Het hindert niet,” tekende de krant uit zijn mond op, “als ze de woorden niet begrijpen. Het voordeel hiervan is dat de kinderen geleerd wordt in de vreemde taal te denken.”

Hierop lijkt mij niets aan te merken, althans puur in theorie. In ieder geval toonde hoofdonderwijzer J.R. de Groot “zich een overtuigd en enthousiast voorstander van deze methode,” nog steeds volgens De Waarheid. Ik heb zelf zo mijn bedenkingen. In ieder geval heb ik nooit in het Frans leren denken. Hoeveel kennis van het Frans ik aan anderhalf jaar les in dit talenpracticum heb overgehouden, is moeilijk te zeggen, omdat ik het ook op de andere manier leerde (en daarmee doorging op de middelbare school). Maar volgens mij kwamen we op het talenpracticum van de Parelschool niet verder dan klanknabootsing, waarvan de nauwkeurigheid nergens aan werd getoetst en die ook nog werd gehinderd door het Amsterdamse onvermogen om bijvoorbeeld een stemhebbende z of een klare aa te zeggen.

Nu zou niemand daar verder ooit iets van gemerkt hebben, een enkele journalist daargelaten (“Typisch was wel, dat na zeven maanden talenpracticum, waarbij dus de kinderen van meet af Frans horen spreken, de ferventste Mokumers toch hun Frans nog spreken met een echt Amsterdams accent,” aldus De Waarheid van 22 november 1967). Maar toen (ik zat inmiddels in de zesde klas) kwam er een Franse delegatie op bezoek, waaraan J.R. de Groot gaarne zijn talenpracticum wilde tonen. Ten gerieve van deze delegatie moesten wij een deel van het verhaaltje (het gezin stapt in de auto, waarbij zich een of andere verwikkeling voordeed) uitbeelden in een toneelstukje voor twee meisjes, twee jongens (waarvan ik er één was) en vier stoeltjes (de auto). We zeiden de hele dialoog die we al zo vaak over onze koptelefoons gehoord hadden (en nog extra om het tafereeltje in te studeren). En als je de tekst erbij zou hebben gehad, zou je misschien gezegd hebben, dat komt nog aardig in de richting. Helaas hadden die Fransen, zover ik weet, de tekst niet bij de hand (en Fransen zijn in het algemeen niet zo toeschietelijk of vlot van begrip als een vreemdeling hun taal probeert te spreken, al is dat wellicht een idée reçue). Ik weet niet of ze iets hebben laten merken aan de heer de Groot. Maar als ik eraan terugdenk, vind ik ons optreden (al kun je kinderen die slechts de wensen van een hoofdonderwijzer ten uitvoer leggen niets kwalijk nemen) toch wel tamelijk gênant.

 


J.R. de Groot bedient zelf de diaprojector 

Aantekening over de geraadpleegde bronnen:

Die oude kranten hebben mijn ouders niet bewaard. Ze lazen trouwens Het Parool. De oude jaargangen van De Waarheid maken deel uit van de gedigitaliseerde krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek (waarin Het Parool ontbreekt), tegenwoordig te raadplegen via Delpher.

De Parelschool


Je spreekt al Hebreeuws (Hebreeuws leren 8)

In een thriller van de Amerikaanse schrijver Trevanian (R.W. Whitaker, 1931-2005) maakt de held zich door zelfstudie het Baskisch eigen – een taal die met geen enkele andere taal verwant is en die door de meeste Basken niet eens gesproken wordt. Zoiets doe je alleen als je langdurig in eenzame opsluiting zit, met als enige afleiding een Baskisch woordenboek. Dat is in de roman van Trevanian dan ook het geval. Een vreemde taal is iets gemakkelijker te leren als deze enig houvast biedt. Probeer maar eens wijs te worden uit Pools – ik geef mezelf daarbij net zoveel kans als bij het Baskisch, maar voor iemand die het verwante Russisch kent is het niet zo’n probleem. Hoe zit het, in dit licht, met de moeilijkheid van het Hebreeuws dat, ongelijk het Nederlands en het Pools, niet eens een Indo-Europese taal is? In het geval van het Hebreeuws hebben wij, d.w.z. alle bewoners van deze aardbol, wat voor taal wij van huis uit ook spreken, de mazzel dat wij hier te maken hebben met moeder van alle talen.

Zoals vrij algemeen bekend was ten tijde van de bouw van de Toren van Babel “de gehele aarde één taal en enerlei woorden” (Gen. 11:1). Omdat deze toren tegen Zijn wil was, legde de Eeuwige het project plat: “Laat ons afdalen en daar hun taal verwarren, zodat de een de taal des anderen niet verstaat” (Gen. 11:7). Rasjie geeft in zijn commentaar op dit vers een beeldend voorbeeld van de gevolgen hiervan voor de bouwactiviteit: “Deze vroeg een baksteen, en gene bracht kalk; en deze stond tegen hem op en sloeg hem de hersens in.” Volgens de traditionele opvatting is die ene, oorspronkelijke taal het Hebreeuws. Rasjie zegt dit met stelligheid in zijn commentaar op Gen. 11:1 (“de heilige taal”) en R. Jakov Ba’al Hatoeriem (1275-1343) stelt vast dat de gematria van één taal (safah achat) overeenkomt met die van heilige taal (lasjon hakodesj), nu ja, bijna dan, maar het verschil (795-794) is verwaarloosbaar. In de Jeruzalemse Talmoed lijkt er toch een meningsverschil over te bestaan: “Rabbi Eliezer en rabbi Jochanan, één zei dat zij [de bouwers van de toren] in de zeventig talen spraken, en één zei dat zij in de enige taal van de wereld spraken, de heilige taal” (JT Megilla I:9). Volgens R. Baroech Epstein spraken de zeventig clans die van de zonen van Noach afstamden inderdaad evenzovele talen (volgens Rabbiner Hirsch het gevolg van natuurlijke dialectvorming onder de groeiende wereldbevolking in de 400 jaar na de zondvloed), maar iedereen beheerste eveneens het Hebreeuws. De Babylonische taalverwarring kwam erop neer, dat G’d de mensen de lingua franca, het algemeen beschaafde Hebreeuws deed vergeteni – met uitzondering, uiteraard, van Avraham en diens nageslacht, het Joodse volk. De zeventig dialecten waren, zo moet je je dat kennelijk voorstellen, op dat moment al divers genoeg om de door Rasjie geschetste gevolgen te hebben, en zouden daarna alleen nog meer gaan verschillen.

Als je Baskisch, Pools en Nederlands naast elkaar ziet, krijg je de indruk dat de Eeuwige indertijd grondig te werk is gegaan. Maar er zijn geleerden die menen dat als je goed kijkt, je sporen van het Hebreeuws kunt aantreffen in andere talen. Azariah dei Rossi (1513-1578) is zo’n geleerde. Hij geeft in zijn Meor ‘einajim (1573-1575) een lijst van meer dan tweeduizend Hebreeuwse woorden die je terug kunt vinden in het Latijn, het Grieks en het Italiaans.ii In zijn voetsporen is nu, in onze tijd, Isaac E. Mozeson getreden, met dit verschil dat Mozeson veel meer woorden van Hebreeuwse herkomst aanwijst (alleen al 23.000 in het Engels) en voorts van mening is dat je dat in alle talen kunt doen, inclusief het Baskisch. Het praktisch nut hiervan ontgaat Mozeson niet: “... this research allows for easier foreign language acquisition. It is far more effective to teach Hebrew to English speakers when LaBHan (white) is paired with ALBINO or HaLaL (space) is positioned near HOLE and HOLLOW.” En omgekeerd, “a person who knows Hebrew well can fully understand English, Basque or Swahili.”iii

 

Isaac E. Mozeson (geb. 1951) is al geruime tijd actief in de taalkunde. Reeds in 1989 publiceerde hij The Word: The Dictionary That Reveals the Hebrew Source of English, gevolgd door The Origin of Speeches (2006). Beide boeken maken deel uit van een groot project waaraan Mozeson en een internationale schare van medewerkers bezig zijn, het blootleggen van de etymologische wortels van, in beginsel, alle woorden in, eveneens in beginsel, alle talen. De voortgang daarvan is te volgen op enkele websites. De doelstelling van dit onderzoek is het ophopen van bewijzen voor de stelling dat alle talen in feite voortkomen uit het Hebreeuws. Volgens Mozeson hebben we trouwens niet te maken met talen, maar met dialecten, verschillende wijzen van verhaspeling van het Hebreeuws – vandaar zijn bewering: “(...) you never heard a word that wasn’t Hebrew.” Omdat Avraham in de loop der geschiedenis pas de eerste Hebreeër is, heeft Mozeson het liever over Edeens, omdat de eerste en oorspronkelijke taal, het latere Hebreeuws, reeds in de Tuin van Eden gesproken werd, door Adam en Eva, en tenminste één dier, de slang, het listigste dier des velds.

Dit is allemaal geenszins bij wijze van spreken. Ook de spraakverwarring van Genesis 11:7 is voor Mozeson een historische gebeurtenis die hij, met omhaal van wetenschappelijke woorden, aanduidt als “a neuro-linguistic disturbance [that] was the Big Bang of language dispersion”. Ik heb de indruk dat Mozeson weliswaar een creationist is, maar ook weer niet zo heel strikt in de ultraorthodox-joodse resp. fundamentalistisch christelijke leer, dat hij meent dat het heelal thans niet meer dan 5774 jaar oud is. Tot ondersteuning van zijn theorie dat het Hebreeuws alias Edeens de oorspronkelijke taal van Homo sapiens is, haalt hij tenminste de vondst aan, in 1992, van de oudste menselijke resten met een tongbeen (os hyoides), in de grotten van Kebara nabij Haifa. Hij zegt het er niet bij, maar uit andere bron heb ik vernomen dat deze resten zo’n 60.000 jaar oud zijn. “The hyoid is the bone stuck in the throat of Edenics deniers,” aldus Mozeson. Het tongbeen zou namelijk de menselijke spraak dienen – en uitgerekend het oudst bekende exemplaar is hier in Eretz Jisraël opgedoken. “Until older remains are found elsewhere, the burden of proof is on the scientific community to demonstrate that the first human speakers were NOT Proto-Semitic or Hebrew speakers.” (Commentaar lijkt me overbodig; ik wil alleen aantekenen, dat de gevonden resten die van een Neanderthaler waren, en dat de aanwezigheid van het tongbeen niet noodzakelijkerwijs op spraakvermogen wijst.iv) Ook niet direct uit gezaghebbende rabbijnse bron is het geologische verschijnsel continentenverschuiving, al geeft Mozeson er een koosjere draai aan: “(...) the break-up of the Earth, begun by the Deluge, set off a Continent Drift (…). Humans often didn’t have to migrate thousands of miles – the earth did the splitting for them.” Dit ter verklaring van de volksverhuizing die gepaard ging met de spraakverwarring (“Zo verstrooide hen de Eeuwige van daar over de oppervlakte der gehele aarde (...)”, Gen. 11:8).

Het zal intussen duidelijk zijn dat Mozeson zich gemakkelijk blootstelt aan smalen en geschamper. Toegegeven, ik heb hier een paar saillante citaten bij elkaar geharkt, die in hun context misschien iets minder potsierlijk klinken. De echte linguïsten – die met een universitaire opleiding, niet de autodidacten – hebben Mozeson trouwens over het algemeen genegeerd, hoewel hij zich op hun vakgebied begeeft.v Dat ligt misschien ook aan de manier waarop hij dat doet (hier komt weer zo’n citaat): “Like those who condemned the heresy of Copernicus, these religious fanatics of scientific atheism will soon be objects of derision.” Wie heeft nu trek om daarop in te gaan?

 

Heeft Mozeson, ondanks de onaantrekkelijke verpakking, misschien toch iets te bieden waar iemand iets aan heeft? Je zou zelf linguïst moeten zijn om dat werkelijk te kunnen beoordelen. Maar ook als je dat niet bent, zoals ik, is het toch mogelijk om een mening te vormen.

Waar het Mozeson om gaat is het herleiden van een woord in een andere taal naar een Hebreeuws woord dat erop lijkt, bijvoorbeeld het Japanse woord samoeraj naar het Hebreeuwse sjomer (wachter). Beide woorden hebben de medeklinkers S (bijna hetzelfde als Sj), M en R gemeen, alsmede een zekere overeenkomst van betekenis. In het systeem van Mozeson zijn de klinkers niet van belang, hier niet en nergens anders.vi Ik vermoed dat hij zich hierbij baseert op een eigenaardigheid van het Hebreeuws, waarin soms twee, maar meestal drie medeklinkers, de wortel, de basisbetekenis van een woord uitmaken, waarna verschillende combinaties van klinkers en eventueel voor- en achtervoegsels een specifieke betekenis opleveren. Zo is de basisbetekenis van de medeklinkers D, V (of B) en R iets dat met spreken te maken heeft (davar = woord, diboer = gesprek, ledaber = spreken in de onbepaalde wijs, diber = hij sprak, enz.). (Deze wortel is uiteraard een abstractie, omdat deze in de echte taal nu een maal altijd vergezeld is van klinkers.)

De medeklinkers van een taal zijn te verdelen in verschillende groepen, elk gebaseerd op de plaats waar de mond ze articuleert. Nu zouden linguïsten misschien een fijnere onderverdeling makenvii, waarin ook de tong en het gehemelte een rol spelen, maar Mozeson komt met de volgende groepen: bilabiale klanken (B, V, W, P, F), keelklanken (H, G, Ch, K, Q, Hebreeuwse ajin [in Nederland uitgesproken als ngajin]), tandklanken (D, T, Ts), nasalen (M, N), vloeiklanken (L, R), schuur- en sisklanken (Z, S, Sj, Ts). Hij heeft dan nog een zevende groep bestaande uit klankloze klinkers (“voiceless vowels”), hetzij aan het begin van een Hebreeuws woord (alef en ajin), hetzij aan het eind (H, alef en ajin). Ik neem aan dat hij klankloze medeklinkers bedoelt, want dat zijn het. In deze groep plaatst hij ook de J (ik heb geen idee waarom) en de klinkers O en Oe, de laatste kennelijk omdat deze in geschreven Hebreeuws dikwijls met de letter wav (V, W) worden aangeduid. Het hele punt van deze indeling is dat binnen elke groep de medeklinkers inwisselbaar zijn. Mozeson baseert zich hier op de Wet van (Jacob) Grimm, volgens welke bijvoorbeeld een K in een H kan veranderen (het Latijnse canis in het Nederlandse hond) en een P in een V (Het Latijnse pes, pedis in het Nederlandse voet). Zo vind je de Nederlandse woorden kin en kers in het Engels terug als chin en cherry, en de Zweedse naam die ongeveer klinkt als Tsjindval wordt gespeld met een K, zoals oudere voetballiefhebbers zich nog wel herinneren. Overigens lijkt de Tsj-klank (waarvoor geen Hebreeuwse letter is) Mozeson te zijn ontgaan, evenals de verandering van K naar Tsj (of andersom), die van de ene groep medeklinkers naar een andere gaat.

Voorts constateert Mozeson nog twee verschijnselen: nasalisatie (het opduiken van een M of een N in een woord dat er oorspronkelijk, of althans in het Hebreeuws, geen heeft) en metathesis (het verwisselen van plaats van medeklinkers, zodat davar in woord kan veranderen, en arets [land] in het Latijnse terra).

Om het systeem van Mozeson te beproeven, neme men, bijvoorbeeld, het woord ei. Ik heb The Word niet bij de hand, maar één van zijn websites heeft een aardige functie waarmee je Engelse woorden kunt traceren naar het Hebreeuws. Als je daar het verwante egg invult, dan blijkt dat afkomstig te zijn van igoel, cirkel. In zijn commentaar hierbij zegt Mozeson: “No strains of sound or sense is required to see how the round egg came from Ayin-Gimel.” Daar kun je wel een paar kanttekeningen bij plaatsen, maar laat ik mij beperken tot de vaststelling dat het wereldwijd meest bekende ei, het kippeëi, ovaal is (het woord zegt het al). Maar toegegeven, een ei is meer een cirkel dan dat het een vierkant is. Nu bevat het woord voor ei in de Romaanse talen (in alle gevallen afgeleid van het Latijnse ovum) geen keelklank G. Geen nood: “Of, Ayin-Vav-Phey (fowl) is the less descriptive but entirely logical source of French oeuf, Italian uovo, and the Spanish huevo.” Het is allemaal niet eens zo vergezocht, net zomin als de observatie dat er een klank- en betekenisovereenkomst is tussen het Tsjechische vejce en het Hebreeuwse woord voor ei, beitsah. Als je nu zou zeggen dat dit toeval is, dan zou Mozeson dat categorisch van de hand wijzen: “(...) the odds are millions to one against the two words [i.c. vejce en beitsah] meaning the exact same thing.”

Niettemin, soms heeft Mozeson gewoon geluk, zonder dat hij het doorheeft. Hij wijst erop dat de medeklinkercombinatie Ch-L de betekenis ziek, ongezond bevat (een choleh is een zieke in het Hebreeuws) en dat daar de Engelse woorden ill en ailment van zijn afgeleid, alsmede het woord melancholiek. De letterlijke betekenis daarvan is echter zwartgallig, want melas is zwart in het Grieks, en cholos (met een omikron) gal, op zichzelf een neutraal woord, al kun je last hebben van je gal. Maar er is ook een Grieks woord cholos met een omega, dat lam of kreupel betekent – in ieder geval ongezond genoeg, lijkt me, voor Mozeson.

Maar ergens schijnt Mozeson wel nattigheid te voelen. Hij geeft tenminste toe dat “more intelligent opponents correctly cite that many coincidences result from there being so few different sounds in the human mouth,” en dat “one may say there [are] only seven basic letters” (althans in Mozesons systeem waarin zoveel medeklinkers uitwisselbaar zijn). Niettemin, stelt hij vast, “[t]he trouble with this mathematical objection to my findings (say, linking SKUNK to TSaKHaN, stinker)

is that there are a billion billion things/meanings in the universe and I am not linking SKUNK to a word that means giraffe, cupboard, them or heavy. ” Hij ziet kennelijk niet in dat er voor deze “ billion billion things/meanings”, bij een wortel van twee medeklinkers, slechts 7 x 7 = 49, en bij een wortel van drie, slechts 343 mogelijkheden zijn om ze uit te drukken, met als gevolg dat elke taal afzonderlijk en de menselijke spraak in het bijzonder vol zit met homonymen, als medeklinkers zo vrijelijk verwisseld kunnen worden.viii

Neem de wortel P-R, bekend van het Hebreeuwse peri, vrucht, en parah, hij was vruchtbaar, bracht voort. Deze wortel is al te herkennen in het Nederlandse vrucht (P→V) en nog veel duidelijker in peer, natuurlijk. Maar er zijn meer woorden: fruit (P→F), perzik, abrikoos (P→B), pruim, spruit en appel (R→L) (Mozeson geeft de Engelse equivalenten). Je zou ook tarwe (metathesis, P→W) aan dit lijstje kunnen toevoegen (Mozeson doet dat met barley).ix Maar omdat zijn systeem zo buitengewoon soepel is, kun je onder gebruikmaking van het hele assortiment van medeklinkerverandering, metathesis, nasalisatie en het niet acht nemen van klinkers, hele lijsten Nederlandse woorden genereren met de wortel P-R, met allerlei betekenissen. In de trant van peer heb je bijvoorbeeld paar, puur, pier, beer, boer, reep, rap, pil en lip; en in de trant van fruit: praat, pret, prent, brand, prut, vriend, friet, breed en troep. Kortom, de mogelijkheden zijn legio en de betekenissen lopen wijd uiteen, al moet men Mozesons vaardigheden om naar een overeenkomst in betekenis toe te smoezen niet onderschatten. Die vaardigheden maken trouwens een belangrijk deel uit van zijn etymologisch systeem.

 

Mozeson bewijst met zijn etymologische werk het Jodendom geen goede dienst. Hij schijnt zelf te denken van wel, sterker nog, hij vereenzelvigt het ermee, getuige de volgende, als het ware ex cathedra gesproken waarschuwing aan de lezer, voorafgaand aan één van zijn artikelen: “The Edenics thesis is confirmed by the classical Jewish sages (…) Any Jew rejecting the Edenics thesis rejects the historicity of Torah, and the wisdom of its commentators.”x Integendeel, zou ik zeggen, als het Jodendom je lief is, kun je je het beste van Mozeson distantiëren, of je nu wel of niet gelooft dat Hebreeuws de oorspronkelijke taal is, en zo ja, of je dat dan letterlijk of figuurlijk moet nemen. Aantoonbare flauwekul, aan de man gebracht met veel poeha, om niet te zeggen kapsones (een woord dat wel uit het Hebreeuws afkomstig is), als het laatste woord in de linguïstiek én als iets dat onze wijzen altijd al hebben gezegd, stelt ons mooie geloof alleen maar in een kwade reuk.xi

Maar ik zou Mozeson geenszins de mond willen snoeren, niet alleen omdat hij, net als ieder ander, moet kunnen zeggen wat hij wil, maar ook omdat zijn werk wel degelijk praktisch nut heeft. Ik zou eigenlijk iedereen die Hebreeuws wil leren of zijn woordenschat wil uitbreiden, willen aanbevelen The Word aan te schaffen en veelvuldig te raadplegen. De etymologie van een woord kan dienen, net als associatie met een sterke indruk of een levendige voorstelling ervan voor het geestesoog, als goed hulpmiddel om het beter te onthouden. Het doet er daarbij niet toe of die etymologie correct is, integendeel, hoe maller hoe beter.xii En daarin voorziet Mozeson als geen ander. 

 

i B. Halevi Epstein, Torah Temimah, Vilna, 1904, I, p. 192. S.R. Hirsch, Der Pentateuch, übersetzt und erläutert, 6. Aufl., Frankfurt a.M., 1920, I, p. 168. 

ii William Chomsky, Hebrew: The Eternal Language, Philadephia, 1958, p. 28. 

iii De hier gegeven citaten van Mozeson zijn afkomstig uit een aantal artikelen die terug te vinden zijn op of downloadbaar zijn van zijn websites edenics.org en edenics.net, tenzij anders aangegeven. 

iv Zie deze artikelen in Wikipedia: http://en.wikipedia.org/wiki/Kebara_Cave en http://en.wikipedia.org/wiki/Hyoid_bone. 

v Een nijvere zoektocht op het Internet heeft slechts het volgende opgeleverd, ondanks het feit dat Mozeson het heeft over “obsessive attacks by philologists like Noam Chomsky”:

1) Een boos artikel van linguïst David L. Gold in een feestbundel: “When Religion Intrudes into Etymology”, in B.B. Kachru, H. Kahane (eds), Cultures, Ideologies, and the Dictionary: Studies in Honor of Ladislav Zgusta, Tübingen 1995. In een noot op p. 374 staat een aardig citaat uit een brief van Chomsky: “He [Mozeson] is a quack. Not malicious, I’m sure.”

2) Een artikel van classicus en linguïst Mark Newbrook, “Old-Time Religion, Old-Time Language”, Skeptical Inquirer, vol. 31:2, maart/april 2007, waarin hij kort en bondig afrekent met Mozeson, met als conclusie: “Mozeson simply does not understand historical linguistics”.

3) Een iets meer gedetailleerde kritiek in een blogpost: http://notidentical.blogspot.co.il/2008/03/edenics-pseudolinguistics-and-ideal.html. 

vi “The vowels are too simple. In fact, ancient Semitic (...) barely records vowels.” Dit laatste geldt eveneens voor de hele rabbijnse literatuur en voor vrijwel alle drukwerk in modern Hebreeuws, maar dat wil niet zeggen dat die klinkers er niet zijn. Citaat uit I.E. Mozeson, “Could Pre-Hebrew Be The Safa Ahat Of Genesis 11:1 ? ”, Jewish Bible Quarterly, Vol. 38, No. 1, 2010 , p. 55-61 (hier p. 57). 

vii Zie bijvoorbeeld de artikelen in Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Medeklinker en http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_consonants. 

viii Wie de kansen precies wil weten, leze dit artikel van Mark Rosenfelder, How likely are chance resemblances between languages? Het is hier te vinden: http://zompist.com/chance.htm. Het gaat helaas aan mijn neus voorbij, alleen al om het feit dat ik niet ben ingevoerd in de gebezigde linguïstische vaktaal en op het gebied van statistiek een analfabeet ben. Het lijkt me voor Mozeson verplichte stof. 

ix http://www.edenics.net/english-word-origins.aspx?word=FRUIT. 

x Isaac E. Mozeson, Synonyms and Antonyms in the Sacred Language, hier te downloaden: http://xa.yimg.com/kq/groups/22722805/493863825/name/SYNONYMS+AND+ANTONYMS.doc (dit is intussen - 2020 - een dode link). 

xi Helaas is Mozeson niet de enige. The Word werd indertijd warm aanbevolen door een zekere rabbijn die ook een boekje had geschreven over het Hebreeuws als de oorsprong der talen. Daarmee vergeleken – maar alleen daarmee – is het werk van Mozeson een toonbeeld van wetenschappelijke bezonnenheid en linguïstische kennis. 

xii Joshua Foer, kenner van de werkingen van het geheugen, schrijft daarover: “The more context and meaning you can attach to a piece of information, the likelier it is that you’ll be able to fish it out of your memory at some point in the future. And the more effort you put into creating the memory, the more durable it will be. One of the best ways to elaborate a memory is to try visually to imagine it in your mind’s eye. If you can link the sound of a word to a picture representing its meaning, it’ll be far more memorable than simply learning the word by rote.” Je zou voor elk woord dat je leert in een vreemde taal een geheugensteuntje moeten creëren, aldus Foer: “(...) a rhyme, an image, a video or just a note about the word’s etymology, or something striking about its pronunciation.” Joshua Foer, “How I learned a language in 22 hours ”, The Guardian, 9 november 2012, http://www.guardian.co.uk/education/2012/nov/09/learn-language-in-three-months