Posts tonen met het label gematria. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gematria. Alle posts tonen

Je spreekt al Hebreeuws (Hebreeuws leren 8)

In een thriller van de Amerikaanse schrijver Trevanian (R.W. Whitaker, 1931-2005) maakt de held zich door zelfstudie het Baskisch eigen – een taal die met geen enkele andere taal verwant is en die door de meeste Basken niet eens gesproken wordt. Zoiets doe je alleen als je langdurig in eenzame opsluiting zit, met als enige afleiding een Baskisch woordenboek. Dat is in de roman van Trevanian dan ook het geval. Een vreemde taal is iets gemakkelijker te leren als deze enig houvast biedt. Probeer maar eens wijs te worden uit Pools – ik geef mezelf daarbij net zoveel kans als bij het Baskisch, maar voor iemand die het verwante Russisch kent is het niet zo’n probleem. Hoe zit het, in dit licht, met de moeilijkheid van het Hebreeuws dat, ongelijk het Nederlands en het Pools, niet eens een Indo-Europese taal is? In het geval van het Hebreeuws hebben wij, d.w.z. alle bewoners van deze aardbol, wat voor taal wij van huis uit ook spreken, de mazzel dat wij hier te maken hebben met moeder van alle talen.

Zoals vrij algemeen bekend was ten tijde van de bouw van de Toren van Babel “de gehele aarde één taal en enerlei woorden” (Gen. 11:1). Omdat deze toren tegen Zijn wil was, legde de Eeuwige het project plat: “Laat ons afdalen en daar hun taal verwarren, zodat de een de taal des anderen niet verstaat” (Gen. 11:7). Rasjie geeft in zijn commentaar op dit vers een beeldend voorbeeld van de gevolgen hiervan voor de bouwactiviteit: “Deze vroeg een baksteen, en gene bracht kalk; en deze stond tegen hem op en sloeg hem de hersens in.” Volgens de traditionele opvatting is die ene, oorspronkelijke taal het Hebreeuws. Rasjie zegt dit met stelligheid in zijn commentaar op Gen. 11:1 (“de heilige taal”) en R. Jakov Ba’al Hatoeriem (1275-1343) stelt vast dat de gematria van één taal (safah achat) overeenkomt met die van heilige taal (lasjon hakodesj), nu ja, bijna dan, maar het verschil (795-794) is verwaarloosbaar. In de Jeruzalemse Talmoed lijkt er toch een meningsverschil over te bestaan: “Rabbi Eliezer en rabbi Jochanan, één zei dat zij [de bouwers van de toren] in de zeventig talen spraken, en één zei dat zij in de enige taal van de wereld spraken, de heilige taal” (JT Megilla I:9). Volgens R. Baroech Epstein spraken de zeventig clans die van de zonen van Noach afstamden inderdaad evenzovele talen (volgens Rabbiner Hirsch het gevolg van natuurlijke dialectvorming onder de groeiende wereldbevolking in de 400 jaar na de zondvloed), maar iedereen beheerste eveneens het Hebreeuws. De Babylonische taalverwarring kwam erop neer, dat G’d de mensen de lingua franca, het algemeen beschaafde Hebreeuws deed vergeteni – met uitzondering, uiteraard, van Avraham en diens nageslacht, het Joodse volk. De zeventig dialecten waren, zo moet je je dat kennelijk voorstellen, op dat moment al divers genoeg om de door Rasjie geschetste gevolgen te hebben, en zouden daarna alleen nog meer gaan verschillen.

Als je Baskisch, Pools en Nederlands naast elkaar ziet, krijg je de indruk dat de Eeuwige indertijd grondig te werk is gegaan. Maar er zijn geleerden die menen dat als je goed kijkt, je sporen van het Hebreeuws kunt aantreffen in andere talen. Azariah dei Rossi (1513-1578) is zo’n geleerde. Hij geeft in zijn Meor ‘einajim (1573-1575) een lijst van meer dan tweeduizend Hebreeuwse woorden die je terug kunt vinden in het Latijn, het Grieks en het Italiaans.ii In zijn voetsporen is nu, in onze tijd, Isaac E. Mozeson getreden, met dit verschil dat Mozeson veel meer woorden van Hebreeuwse herkomst aanwijst (alleen al 23.000 in het Engels) en voorts van mening is dat je dat in alle talen kunt doen, inclusief het Baskisch. Het praktisch nut hiervan ontgaat Mozeson niet: “... this research allows for easier foreign language acquisition. It is far more effective to teach Hebrew to English speakers when LaBHan (white) is paired with ALBINO or HaLaL (space) is positioned near HOLE and HOLLOW.” En omgekeerd, “a person who knows Hebrew well can fully understand English, Basque or Swahili.”iii

 

Isaac E. Mozeson (geb. 1951) is al geruime tijd actief in de taalkunde. Reeds in 1989 publiceerde hij The Word: The Dictionary That Reveals the Hebrew Source of English, gevolgd door The Origin of Speeches (2006). Beide boeken maken deel uit van een groot project waaraan Mozeson en een internationale schare van medewerkers bezig zijn, het blootleggen van de etymologische wortels van, in beginsel, alle woorden in, eveneens in beginsel, alle talen. De voortgang daarvan is te volgen op enkele websites. De doelstelling van dit onderzoek is het ophopen van bewijzen voor de stelling dat alle talen in feite voortkomen uit het Hebreeuws. Volgens Mozeson hebben we trouwens niet te maken met talen, maar met dialecten, verschillende wijzen van verhaspeling van het Hebreeuws – vandaar zijn bewering: “(...) you never heard a word that wasn’t Hebrew.” Omdat Avraham in de loop der geschiedenis pas de eerste Hebreeër is, heeft Mozeson het liever over Edeens, omdat de eerste en oorspronkelijke taal, het latere Hebreeuws, reeds in de Tuin van Eden gesproken werd, door Adam en Eva, en tenminste één dier, de slang, het listigste dier des velds.

Dit is allemaal geenszins bij wijze van spreken. Ook de spraakverwarring van Genesis 11:7 is voor Mozeson een historische gebeurtenis die hij, met omhaal van wetenschappelijke woorden, aanduidt als “a neuro-linguistic disturbance [that] was the Big Bang of language dispersion”. Ik heb de indruk dat Mozeson weliswaar een creationist is, maar ook weer niet zo heel strikt in de ultraorthodox-joodse resp. fundamentalistisch christelijke leer, dat hij meent dat het heelal thans niet meer dan 5774 jaar oud is. Tot ondersteuning van zijn theorie dat het Hebreeuws alias Edeens de oorspronkelijke taal van Homo sapiens is, haalt hij tenminste de vondst aan, in 1992, van de oudste menselijke resten met een tongbeen (os hyoides), in de grotten van Kebara nabij Haifa. Hij zegt het er niet bij, maar uit andere bron heb ik vernomen dat deze resten zo’n 60.000 jaar oud zijn. “The hyoid is the bone stuck in the throat of Edenics deniers,” aldus Mozeson. Het tongbeen zou namelijk de menselijke spraak dienen – en uitgerekend het oudst bekende exemplaar is hier in Eretz Jisraël opgedoken. “Until older remains are found elsewhere, the burden of proof is on the scientific community to demonstrate that the first human speakers were NOT Proto-Semitic or Hebrew speakers.” (Commentaar lijkt me overbodig; ik wil alleen aantekenen, dat de gevonden resten die van een Neanderthaler waren, en dat de aanwezigheid van het tongbeen niet noodzakelijkerwijs op spraakvermogen wijst.iv) Ook niet direct uit gezaghebbende rabbijnse bron is het geologische verschijnsel continentenverschuiving, al geeft Mozeson er een koosjere draai aan: “(...) the break-up of the Earth, begun by the Deluge, set off a Continent Drift (…). Humans often didn’t have to migrate thousands of miles – the earth did the splitting for them.” Dit ter verklaring van de volksverhuizing die gepaard ging met de spraakverwarring (“Zo verstrooide hen de Eeuwige van daar over de oppervlakte der gehele aarde (...)”, Gen. 11:8).

Het zal intussen duidelijk zijn dat Mozeson zich gemakkelijk blootstelt aan smalen en geschamper. Toegegeven, ik heb hier een paar saillante citaten bij elkaar geharkt, die in hun context misschien iets minder potsierlijk klinken. De echte linguïsten – die met een universitaire opleiding, niet de autodidacten – hebben Mozeson trouwens over het algemeen genegeerd, hoewel hij zich op hun vakgebied begeeft.v Dat ligt misschien ook aan de manier waarop hij dat doet (hier komt weer zo’n citaat): “Like those who condemned the heresy of Copernicus, these religious fanatics of scientific atheism will soon be objects of derision.” Wie heeft nu trek om daarop in te gaan?

 

Heeft Mozeson, ondanks de onaantrekkelijke verpakking, misschien toch iets te bieden waar iemand iets aan heeft? Je zou zelf linguïst moeten zijn om dat werkelijk te kunnen beoordelen. Maar ook als je dat niet bent, zoals ik, is het toch mogelijk om een mening te vormen.

Waar het Mozeson om gaat is het herleiden van een woord in een andere taal naar een Hebreeuws woord dat erop lijkt, bijvoorbeeld het Japanse woord samoeraj naar het Hebreeuwse sjomer (wachter). Beide woorden hebben de medeklinkers S (bijna hetzelfde als Sj), M en R gemeen, alsmede een zekere overeenkomst van betekenis. In het systeem van Mozeson zijn de klinkers niet van belang, hier niet en nergens anders.vi Ik vermoed dat hij zich hierbij baseert op een eigenaardigheid van het Hebreeuws, waarin soms twee, maar meestal drie medeklinkers, de wortel, de basisbetekenis van een woord uitmaken, waarna verschillende combinaties van klinkers en eventueel voor- en achtervoegsels een specifieke betekenis opleveren. Zo is de basisbetekenis van de medeklinkers D, V (of B) en R iets dat met spreken te maken heeft (davar = woord, diboer = gesprek, ledaber = spreken in de onbepaalde wijs, diber = hij sprak, enz.). (Deze wortel is uiteraard een abstractie, omdat deze in de echte taal nu een maal altijd vergezeld is van klinkers.)

De medeklinkers van een taal zijn te verdelen in verschillende groepen, elk gebaseerd op de plaats waar de mond ze articuleert. Nu zouden linguïsten misschien een fijnere onderverdeling makenvii, waarin ook de tong en het gehemelte een rol spelen, maar Mozeson komt met de volgende groepen: bilabiale klanken (B, V, W, P, F), keelklanken (H, G, Ch, K, Q, Hebreeuwse ajin [in Nederland uitgesproken als ngajin]), tandklanken (D, T, Ts), nasalen (M, N), vloeiklanken (L, R), schuur- en sisklanken (Z, S, Sj, Ts). Hij heeft dan nog een zevende groep bestaande uit klankloze klinkers (“voiceless vowels”), hetzij aan het begin van een Hebreeuws woord (alef en ajin), hetzij aan het eind (H, alef en ajin). Ik neem aan dat hij klankloze medeklinkers bedoelt, want dat zijn het. In deze groep plaatst hij ook de J (ik heb geen idee waarom) en de klinkers O en Oe, de laatste kennelijk omdat deze in geschreven Hebreeuws dikwijls met de letter wav (V, W) worden aangeduid. Het hele punt van deze indeling is dat binnen elke groep de medeklinkers inwisselbaar zijn. Mozeson baseert zich hier op de Wet van (Jacob) Grimm, volgens welke bijvoorbeeld een K in een H kan veranderen (het Latijnse canis in het Nederlandse hond) en een P in een V (Het Latijnse pes, pedis in het Nederlandse voet). Zo vind je de Nederlandse woorden kin en kers in het Engels terug als chin en cherry, en de Zweedse naam die ongeveer klinkt als Tsjindval wordt gespeld met een K, zoals oudere voetballiefhebbers zich nog wel herinneren. Overigens lijkt de Tsj-klank (waarvoor geen Hebreeuwse letter is) Mozeson te zijn ontgaan, evenals de verandering van K naar Tsj (of andersom), die van de ene groep medeklinkers naar een andere gaat.

Voorts constateert Mozeson nog twee verschijnselen: nasalisatie (het opduiken van een M of een N in een woord dat er oorspronkelijk, of althans in het Hebreeuws, geen heeft) en metathesis (het verwisselen van plaats van medeklinkers, zodat davar in woord kan veranderen, en arets [land] in het Latijnse terra).

Om het systeem van Mozeson te beproeven, neme men, bijvoorbeeld, het woord ei. Ik heb The Word niet bij de hand, maar één van zijn websites heeft een aardige functie waarmee je Engelse woorden kunt traceren naar het Hebreeuws. Als je daar het verwante egg invult, dan blijkt dat afkomstig te zijn van igoel, cirkel. In zijn commentaar hierbij zegt Mozeson: “No strains of sound or sense is required to see how the round egg came from Ayin-Gimel.” Daar kun je wel een paar kanttekeningen bij plaatsen, maar laat ik mij beperken tot de vaststelling dat het wereldwijd meest bekende ei, het kippeëi, ovaal is (het woord zegt het al). Maar toegegeven, een ei is meer een cirkel dan dat het een vierkant is. Nu bevat het woord voor ei in de Romaanse talen (in alle gevallen afgeleid van het Latijnse ovum) geen keelklank G. Geen nood: “Of, Ayin-Vav-Phey (fowl) is the less descriptive but entirely logical source of French oeuf, Italian uovo, and the Spanish huevo.” Het is allemaal niet eens zo vergezocht, net zomin als de observatie dat er een klank- en betekenisovereenkomst is tussen het Tsjechische vejce en het Hebreeuwse woord voor ei, beitsah. Als je nu zou zeggen dat dit toeval is, dan zou Mozeson dat categorisch van de hand wijzen: “(...) the odds are millions to one against the two words [i.c. vejce en beitsah] meaning the exact same thing.”

Niettemin, soms heeft Mozeson gewoon geluk, zonder dat hij het doorheeft. Hij wijst erop dat de medeklinkercombinatie Ch-L de betekenis ziek, ongezond bevat (een choleh is een zieke in het Hebreeuws) en dat daar de Engelse woorden ill en ailment van zijn afgeleid, alsmede het woord melancholiek. De letterlijke betekenis daarvan is echter zwartgallig, want melas is zwart in het Grieks, en cholos (met een omikron) gal, op zichzelf een neutraal woord, al kun je last hebben van je gal. Maar er is ook een Grieks woord cholos met een omega, dat lam of kreupel betekent – in ieder geval ongezond genoeg, lijkt me, voor Mozeson.

Maar ergens schijnt Mozeson wel nattigheid te voelen. Hij geeft tenminste toe dat “more intelligent opponents correctly cite that many coincidences result from there being so few different sounds in the human mouth,” en dat “one may say there [are] only seven basic letters” (althans in Mozesons systeem waarin zoveel medeklinkers uitwisselbaar zijn). Niettemin, stelt hij vast, “[t]he trouble with this mathematical objection to my findings (say, linking SKUNK to TSaKHaN, stinker)

is that there are a billion billion things/meanings in the universe and I am not linking SKUNK to a word that means giraffe, cupboard, them or heavy. ” Hij ziet kennelijk niet in dat er voor deze “ billion billion things/meanings”, bij een wortel van twee medeklinkers, slechts 7 x 7 = 49, en bij een wortel van drie, slechts 343 mogelijkheden zijn om ze uit te drukken, met als gevolg dat elke taal afzonderlijk en de menselijke spraak in het bijzonder vol zit met homonymen, als medeklinkers zo vrijelijk verwisseld kunnen worden.viii

Neem de wortel P-R, bekend van het Hebreeuwse peri, vrucht, en parah, hij was vruchtbaar, bracht voort. Deze wortel is al te herkennen in het Nederlandse vrucht (P→V) en nog veel duidelijker in peer, natuurlijk. Maar er zijn meer woorden: fruit (P→F), perzik, abrikoos (P→B), pruim, spruit en appel (R→L) (Mozeson geeft de Engelse equivalenten). Je zou ook tarwe (metathesis, P→W) aan dit lijstje kunnen toevoegen (Mozeson doet dat met barley).ix Maar omdat zijn systeem zo buitengewoon soepel is, kun je onder gebruikmaking van het hele assortiment van medeklinkerverandering, metathesis, nasalisatie en het niet acht nemen van klinkers, hele lijsten Nederlandse woorden genereren met de wortel P-R, met allerlei betekenissen. In de trant van peer heb je bijvoorbeeld paar, puur, pier, beer, boer, reep, rap, pil en lip; en in de trant van fruit: praat, pret, prent, brand, prut, vriend, friet, breed en troep. Kortom, de mogelijkheden zijn legio en de betekenissen lopen wijd uiteen, al moet men Mozesons vaardigheden om naar een overeenkomst in betekenis toe te smoezen niet onderschatten. Die vaardigheden maken trouwens een belangrijk deel uit van zijn etymologisch systeem.

 

Mozeson bewijst met zijn etymologische werk het Jodendom geen goede dienst. Hij schijnt zelf te denken van wel, sterker nog, hij vereenzelvigt het ermee, getuige de volgende, als het ware ex cathedra gesproken waarschuwing aan de lezer, voorafgaand aan één van zijn artikelen: “The Edenics thesis is confirmed by the classical Jewish sages (…) Any Jew rejecting the Edenics thesis rejects the historicity of Torah, and the wisdom of its commentators.”x Integendeel, zou ik zeggen, als het Jodendom je lief is, kun je je het beste van Mozeson distantiëren, of je nu wel of niet gelooft dat Hebreeuws de oorspronkelijke taal is, en zo ja, of je dat dan letterlijk of figuurlijk moet nemen. Aantoonbare flauwekul, aan de man gebracht met veel poeha, om niet te zeggen kapsones (een woord dat wel uit het Hebreeuws afkomstig is), als het laatste woord in de linguïstiek én als iets dat onze wijzen altijd al hebben gezegd, stelt ons mooie geloof alleen maar in een kwade reuk.xi

Maar ik zou Mozeson geenszins de mond willen snoeren, niet alleen omdat hij, net als ieder ander, moet kunnen zeggen wat hij wil, maar ook omdat zijn werk wel degelijk praktisch nut heeft. Ik zou eigenlijk iedereen die Hebreeuws wil leren of zijn woordenschat wil uitbreiden, willen aanbevelen The Word aan te schaffen en veelvuldig te raadplegen. De etymologie van een woord kan dienen, net als associatie met een sterke indruk of een levendige voorstelling ervan voor het geestesoog, als goed hulpmiddel om het beter te onthouden. Het doet er daarbij niet toe of die etymologie correct is, integendeel, hoe maller hoe beter.xii En daarin voorziet Mozeson als geen ander. 

 

i B. Halevi Epstein, Torah Temimah, Vilna, 1904, I, p. 192. S.R. Hirsch, Der Pentateuch, übersetzt und erläutert, 6. Aufl., Frankfurt a.M., 1920, I, p. 168. 

ii William Chomsky, Hebrew: The Eternal Language, Philadephia, 1958, p. 28. 

iii De hier gegeven citaten van Mozeson zijn afkomstig uit een aantal artikelen die terug te vinden zijn op of downloadbaar zijn van zijn websites edenics.org en edenics.net, tenzij anders aangegeven. 

iv Zie deze artikelen in Wikipedia: http://en.wikipedia.org/wiki/Kebara_Cave en http://en.wikipedia.org/wiki/Hyoid_bone. 

v Een nijvere zoektocht op het Internet heeft slechts het volgende opgeleverd, ondanks het feit dat Mozeson het heeft over “obsessive attacks by philologists like Noam Chomsky”:

1) Een boos artikel van linguïst David L. Gold in een feestbundel: “When Religion Intrudes into Etymology”, in B.B. Kachru, H. Kahane (eds), Cultures, Ideologies, and the Dictionary: Studies in Honor of Ladislav Zgusta, Tübingen 1995. In een noot op p. 374 staat een aardig citaat uit een brief van Chomsky: “He [Mozeson] is a quack. Not malicious, I’m sure.”

2) Een artikel van classicus en linguïst Mark Newbrook, “Old-Time Religion, Old-Time Language”, Skeptical Inquirer, vol. 31:2, maart/april 2007, waarin hij kort en bondig afrekent met Mozeson, met als conclusie: “Mozeson simply does not understand historical linguistics”.

3) Een iets meer gedetailleerde kritiek in een blogpost: http://notidentical.blogspot.co.il/2008/03/edenics-pseudolinguistics-and-ideal.html. 

vi “The vowels are too simple. In fact, ancient Semitic (...) barely records vowels.” Dit laatste geldt eveneens voor de hele rabbijnse literatuur en voor vrijwel alle drukwerk in modern Hebreeuws, maar dat wil niet zeggen dat die klinkers er niet zijn. Citaat uit I.E. Mozeson, “Could Pre-Hebrew Be The Safa Ahat Of Genesis 11:1 ? ”, Jewish Bible Quarterly, Vol. 38, No. 1, 2010 , p. 55-61 (hier p. 57). 

vii Zie bijvoorbeeld de artikelen in Wikipedia: http://nl.wikipedia.org/wiki/Medeklinker en http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_consonants. 

viii Wie de kansen precies wil weten, leze dit artikel van Mark Rosenfelder, How likely are chance resemblances between languages? Het is hier te vinden: http://zompist.com/chance.htm. Het gaat helaas aan mijn neus voorbij, alleen al om het feit dat ik niet ben ingevoerd in de gebezigde linguïstische vaktaal en op het gebied van statistiek een analfabeet ben. Het lijkt me voor Mozeson verplichte stof. 

ix http://www.edenics.net/english-word-origins.aspx?word=FRUIT. 

x Isaac E. Mozeson, Synonyms and Antonyms in the Sacred Language, hier te downloaden: http://xa.yimg.com/kq/groups/22722805/493863825/name/SYNONYMS+AND+ANTONYMS.doc (dit is intussen - 2020 - een dode link). 

xi Helaas is Mozeson niet de enige. The Word werd indertijd warm aanbevolen door een zekere rabbijn die ook een boekje had geschreven over het Hebreeuws als de oorsprong der talen. Daarmee vergeleken – maar alleen daarmee – is het werk van Mozeson een toonbeeld van wetenschappelijke bezonnenheid en linguïstische kennis. 

xii Joshua Foer, kenner van de werkingen van het geheugen, schrijft daarover: “The more context and meaning you can attach to a piece of information, the likelier it is that you’ll be able to fish it out of your memory at some point in the future. And the more effort you put into creating the memory, the more durable it will be. One of the best ways to elaborate a memory is to try visually to imagine it in your mind’s eye. If you can link the sound of a word to a picture representing its meaning, it’ll be far more memorable than simply learning the word by rote.” Je zou voor elk woord dat je leert in een vreemde taal een geheugensteuntje moeten creëren, aldus Foer: “(...) a rhyme, an image, a video or just a note about the word’s etymology, or something striking about its pronunciation.” Joshua Foer, “How I learned a language in 22 hours ”, The Guardian, 9 november 2012, http://www.guardian.co.uk/education/2012/nov/09/learn-language-in-three-months

Bouwactiviteit (3)

Je vindt ze her en der over de wereld, maar nu is er ook één in aanbouw in mijn eigen woonplaats, Beitar Illit: een replica van het pand huisnummer 770 aan de Eastern Parkway te Brooklyn, New York. Dat is niet zomaar een adres, maar het gebouw, voorheen een medische kliniek en aangekocht door Chabad in 1940, waar de laatste Rebbe, R. Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994), kantoor hield.

Viznitzer sjoel, Beitar Illit

Het nabouwen van belangrijke panden, althans het zich laten inspireren door de kenmerkende architectuur daarvan, komt vaker voor. In Beitar Illit alleen al hebben twee groeperingen, de Bojaner en de Viznitzer chassidim, sjoels laten neerzetten naar model van hun gebouw, thans verwoest, in hun plaats van herkomst in Oost-Europa. De hoofdsynagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (2000) is afgekeken van de sjoel in Belz in de Oekraïne (1843), maar dan opgeblazen tot mastodontische afmetingen. Als je komt aanrijden op Jeruzalem over autoweg no. 1 zie je hem al van verre – nu ik daaraan denk, schiet me de titel van een Nederlandse carnavalskraker in gedachten, een lied van wijlen Herman Brood: Maak van je scheet geen donderslag. Het is niet louter iets chassidisch, als je tenminste de Londense Bevis Marks synagoge (1701) beschouwt als een jonger broertje van de Amsterdamse Esnoga (1675). Buiten het Jodendom komt het verschijnsel ook voor: de dorpskerk van het Brabantse Oudenbosch is een samengestelde kopie van de St. Pieter en de St. Jan-in-Lateranen in Rome, op kleinere schaal, terwijl er ergens in Afrika een replica of afgeleide van de St. Pieter staat die groter is – nog groter – dan de echte in Rome. En ook de heidenen, om ze zo maar even te noemen, kunnen er wat van: in de Volksrepubliek China, waar ze weten wat namaak is, zijn de laatste jaren hele stadswijken verrezen in de trant van o.a. Amsterdam, Venetië en Parijs – de laatste inclusief een kopie van de Eiffeltoren.

Aan de foto’s te oordelen die ik heb gezien van Eastern Parkway 770 en van een aantal replica’s daarvan, zijn die laatste niet allemaal even nauwkeurig. Ze zijn wel allemaal uitgevoerd in de roodbruine baksteen die kenmerkend is voor het oorspronkelijke gebouw en ze vertonen ook allemaal de puntgevels die de drie traveeën bekronen waarin dat is verdeeld. De middelste travee van Eastern Parkway 770 is smaller dan de twee aan weerszijden en springt iets terug, een detail dat niet tot alle replica’s is doorgedrongen. De driezijdige erker boven de voordeur is een opvallend detail dat je in op één na alle replica’s terugvindt, maar dat geldt weer niet voor de oorspronkelijke raamindeling.

Het pand in Beitar Illit is nog lang niet klaar, maar je kunt nu al zien dat alleen de voorgevel iets krijgt van Eastern Parkway 770. De zijgevels zijn gewoon, conform de plaatselijke bouwverordening, bekleed met Jeruzalemsteen, hetgeen zich uitstrekt tot het onderstuk van de voorgevel. Daarboven moet die roodbruine baksteen komen. De drie puntgevels zitten al op hun plaats, evenals de erker, zij het niet in een terugspringende travee; de voorgevel is volkomen vlak. Het gebouw krijgt zo te zien twee verdiepingen (in Brooklyn drie) en ook andere ramen.


'770', Beitar Illit 

Zo hebben de meeste replica’s wel iets te weinig (een verdieping, de juiste ramen – of de voordeur, zoals de ‘770’ van Gayley Ave., Los Angeles) of te veel (de andere replica in Los Angeles, aan Pico Blvd., heeft negen puntgevels). Soms zijn de juiste proporties zoek: de nummers 770 van Buenos Aires, Sao Paulo en Milaan zijn buitengewoon smal, alsof ze zijn samengeperst als de balg van een accordeon. Aan het ene eind van de schaal van nauwkeurigheid staat het gebouw in Kirjat Ata, bij Haifa, een vage herinnering aan roodbruine baksteen en puntgevels, waarbij de erker kennelijk in een gat in het geheugen verdwenen is; aan het andere eind de replica in Kfar Chabad, eveneens in Israël, die 1:1 is, het resultaat van nauwkeurige metingen in Brooklyn, en waar niet alleen de buitenkant maar ook het interieur van Eastern Parkway 770 gereproduceerd is.

 

Volgelingen van Chabad hebben één of meerdere portretten van R. Menachem Mendel Schneersohn aan de wand hangen. Zo kun je je voorstellen dat sommigen ook gaarne een aandenken aan Eastern Parkway 770 willen hebben. Als je in Londen woont kun je daartoe koek en gebak van Parkway Pattiserie eten, een koosjere banketbakker die niet toevallig zo heet. Je kunt thuis een foto van het gebouw ophangen. Ik zie in sjoel ook wel eens lieden met een afbeelding van ‘770’ geborduurd op de zak van hun tallith of van hun tefillin. Speciaalzaken voor synagogaal meubilair en stoffering kunnen dergelijk borduursel ook leveren voor een Torahmantel of een parochet. Een stap verder is een aron hakodesj, een ‘arke der wet’, in de vorm van ‘770’. Maar een heel gebouw is toch iets anders, zou je zeggen, alleen al omdat het zo’n dure grap is. Toch schijnt het ook hierbij wel degelijk om een tastbare herinnering aan de Rebbe te gaan. Dat was althans wat een kennis, een aanhanger van Chabad, erover zei. Of er een diepere, esoterische betekenis aan die replica’s zat, was hem niet bekend. Kijk, zei hij zo ongeveer, je kunt (vanwege het tweede gebod) geen standbeelden oprichten van de Rebbe, maar je kunt wel her en der een ‘770’ neerzetten.

Mijn kennis vertelde me tevens dat de allereerste replica, die in Kfar Chabad, voltooid in 1986, bedoeld was voor de Rebbe om in te wonen, als met het aanbreken van de ge’oela, de verlossing, ook hij eindelijk naar Israël zou komen. Vandaar al die nauwkeurige maten die de bouwer van het pand in Kfar Chabad, M.M. Gorelick, heeft genomen in Brooklyn, behalve, naar ik heb gelezen, nu juist die van de vertrekken van de Rebbe. Ik vermoed dat Eastern Parkway 770 meer was – en is – dan voor de Rebbe zijn vertrouwde omgeving en voor zijn chassidim het vertrouwde decor van zijn optreden. Diegenen van zijn aanhangers die menen dat de Rebbe de messias had kunnen zijn, had moeten zijn en misschien ook wel is, laten niet na erop te wijzen dat de gematria (getalswaarde) van de woorden beit masjiach (het huis van de messias) uitgerekend 770 is. Het gebouw met dat huisnummer is als het ware het wijdere stoffelijk omhulsel van de Rebbe – een stoffelijk omhulsel dat bovendien nog bestaat en, zoals kunsthistorici dat vroeger noemden, ‘technisch reproduceerbaar’ is. De vraag naar een eventuele esoterische betekenis van replica’s van ‘770’ staat wat mij betreft nog open.

Intussen worden het er steeds meer. Toen in 2005 de kunstenaars Andrea Robbins en Max Becher voor hun project 770 de toen bestaande replica’s fotografeerden, waren dat er elf. Nu zijn het er zeker 21, inclusief die in Beitar Illit die, zoals gezegd, nog niet af is, en misschien wel meer. Het verzadigingspunt is nog niet bereikt, lijkt me; de aanhangers van Chabad schijnen niet genoeg van ‘770’ te kunnen krijgen.


interessante link:
(prachtfoto's van alle anno 2005 bestaande exemplaren van '770')

1:1 replica van '770' in Kfar Chabad


Meer getallen



Het was me eerst niet opgevallen, maar toen ik de titel boven het laatste stukje plaatste, zag ik dat 316 het tegenovergestelde of het omgekeerde is van 613. Nu is 613 een bekend getal in het jodendom: het is het aantal Bijbelse geboden, de tarjag (tav=400, reesj=200, joed=10, gimel=3) mitsvot d’oraita, waaraan wij ons te houden hebben. Als je dat niet doet krijg je het tegenovergestelde, leegte, als in w’rik, om Jezus er maar even buiten te laten. Het is overigens in geen enkele wiskundige zin, dat 316 het omgekeerde of tegenovergestelde van 613 is. Het is een kwestie van het omkeren van de leesrichting van de losse cijfers 3 - 1 - 6. Lees je deze van rechts naar links, zoals in het Hebreeuws, dan krijg je 613, waarbij aangetekend moet worden dat in het moderne Hebreeuws de leesrichting van de zogenaamde Arabische cijfers toch weer van links naar rechts is. Kortom, het heeft allemaal niet zoveel te betekenen. Eveneens niet zoveel te betekenen heeft de observatie van rabbijn Jeremy Rosen (gezien op zijn weblog, gedateerd januari 2010) dat de getalswaarde van w’rik verwijst naar de plaats in het Nieuwe Testament waar Jezus de zoon van G’d genoemd wordt, chas w’chalila, Johannes hoofdstuk 3, vers 16. Het is misschien wel erg toevallig, en toeval bestaat normalerwijze niet in het jodendom, maar hoeveel joden zullen ooit tijdens het zeggen van Aleinoe aan dit vers en het nummer ervan gedacht hebben? Wie weet er eens al - opnieuw: normalerwijze - wat er staat? Je kunt het in sjoel ook niet even opzoeken.

Het getal 316

Houtsnede op de titelpagina van Der gantz Jüdisch glaub

Gematria is een goed ding, maar het kan wel tegen je gebruikt worden. Zo stelde in 1530 de Duitse theoloog Anton Margherita (1492-1542) vast dat de getalswaarde van de zinsnede l’hevel w’rik in onze gebeden (“... want zij [de volkeren] buigen voor ijdelheid en leegte...”) dezelfde is als de getalswaarde van Jesjoe’a, Hebreeuws voor Jezus. Margherita publiceerde deze vondst in een boek getiteld Der gantz Jüdisch glaub (Het gehele joodse geloof), dat ten doel had de joden, door uit te leggen wat ze nu eigenlijk geloofden en praktiseerden, in een kwaad daglicht te stellen. Margheritas gezag in deze materie berustte op het feit dat hij zelf een gesjmadde jood was.


Het gebed waar het hier om gaat is Aleinoe (Ngoleinoe op zijn Hollands) lesjabeiach (Op ons [berust de plicht] om te prijzen). Als u alleen de Hoge Feestdagen houdt, kent u het van moesaf op Rosj Hasjanah en Jom Kippoer, de oorspronkelijke plaats voordat het in de Middeleeuwen aan het slot van alle dagelijkse gebeden werd geplaatst. Dat de zojuist geciteerde zinsnede niet zo bekend klinkt, komt omdat deze, door censuur en zelfcensuur, uit de Asjkenazische siddoeriem verdwenen is. De traditionele melodie die in Amsterdam gezongen wordt is toegesneden op de gezuiverde versie; de oorspronkelijke tekst van Aleinoe kan er niet op gezongen worden. In Königsberg (Oost-Pruisen, thans Rusland) nam de overheid gedurende de 18e eeuw geen enkel risico en stelde een, door de joodse gemeenschap gesalarieerde, Christen-beambte aan om tijdens sjoeldiensten te waken over het uitspreken van de juiste, gecensureerde tekst, een ambt dat tot 1778 voortbestond.
Nu klopt Margheritas gematria niet helemaal: Jesjoe’a = 386 en l’hevel w’rik = 383. Dit was hem uiteraard niet ontgaan, maar geen nood. Omdat de joden de Drieëenheid niet erkennen, verminderen zij Jesjoe’a met 3, zodat het toch uitkomt. Bovendien, stelt Margherita, w’rik alleen heeft een getalswaarde van 316, hetgeen weer overkomt met Jesoe (joed-sin-wav), hetgeen een Hebreeuwse variant van Jezus’ naam zou zijn. Op deze redenering is wel een en ander aan te merken, maar daar staat tegenover dat bewijsvoering niet zo ter zake doet bij stellingen die antisemieten welgevallig zijn. Trouwens, op dit punt in het gebed spuwen de joden in afschuw op de grond, laat Margherita niet na te vermelden, dus hoeveel bewijs verlangt een Christenmens nog meer?

Er is van joodse zijde wel geprobeerd om Margherita en degenen die van de 16e tot en met de 18e eeuw in de Duits sprekende landen zijn beschuldigingen herhaalden (o.a. de apostaten Ernst Ferdinand Hess, Dietrich Schwab en Samuel Friedrich Brenz, de Christen-hebraïsten Johannes Buxtorf, Johann Christoph Wagenseil en Johann Andreas Eisenmenger) tegen te spreken. Er was zelfs een weerwoord dat al ruim honderd jaar ouder was dan Margheritas beschuldigingen, te vinden in R. Jom Tov Lippman Muehlhausens Sefer Nitzachon (ca 1400), waarin deze een zekere Peter, een mesjommed die voorheen Pesach heette, sprekend opvoerde met het verwijt dat w’rik en Jesoe dezelfde gematria hadden (Margherita kwam dus niet echt met een originele vondst). Sefer Nitzachon bestond alleen in manuscript, maar in druk vond R. Jom Tov Lippman navolging in het boek Jüdischer Theriak (Joods tegengif, 1615) van R. Solomon Zwi uit Aufhausen, gericht tegen Brenz’ Jüdischer abgestreifter Schlangenbalg (Joodse afgestroopte slangenhuid, 1614), R. Menasseh ben Israëls Vindiciae Judaeorum (1656) en naderhand, in de tweede helft van de 18e eeuw, Moses Mendelssohns Zufällige Gedanken... über das Gebet ‘Alenu’. Deze apologeten brachten naar voren, dat Aleinoe reeds uit de tijd van Jehosjoea bin Noen stamde, of uit de tijd van Ezra, maar toch zeker van vóór het begin van de gewone jaartelling. Bovendien was de gewraakte passage waar l’hevel w’rik voorkomt een citaat uit Jesaja 30:7, resp. 45:20, uit een context die het gebrek aan vertrouwen in G’d, resp. de afgodendienst der volkeren tot onderwerp heeft. In Aleinoe kwam verder de zinsnede oemosjav jekaro basjamajim mima’al voor (“[die] de zetel van Zijn Majesteit in de hemel daarboven heeft”, in de vertaling van Dasberg), waarin het woord jekaro (Majesteit) eveneens een getalswaarde van 316 heeft - alsof Josjke zich, volgens het Joodse geloof, in de hemel daarboven zou bevinden! Kortom, wat betreft het getal 316 was de joodse gemeenschap zich van geen kwaad bewust.
De Christen-hebraïst Johann Christoph Wagenseil (1633-1705) was niet onder de indruk van dit verweer. De ouderdom van Aleinoe achtte hij onbewezen. Verder wees hij fijntjes op een andere redactie, waarin oemosjav jekaro is vervangen door het getalsmatig neutrale w’chise chevodo, met ongeveer dezelfde betekenis.
Inderdaad hebben een aantal 16e en 17e-eeuwse siddoeriem (die je online kunt raadplegen op de internetpagina’s van de Joodse Nationale en Universiteitsbibliotheek in Jeruzalem) deze redactie. Maar het is een goede joodse eigenschap om dan l’chaf zechoet te zijn, welwillend te oordelen (Pirkei Avot 1:6). Als we willen, kunnen we de wijziging van oemasjav jekaro in w’chise chevodo opvatten als teken dat Peter v/h Pesach, Margherita e.a. ons eerst op de gevoeligheid van woorden met de getalswaarde 316 attent hebben gemaakt. Overigens hebben niet alle Asjkenazische siddoeriem uit de aangeduide periode de gewijzigde tekst. Voorts is heden ten dage deze alleen nog als voetnoot terug te vinden in een enkele uitgave van de siddoer (bijvoorbeeld Feldheims Hirsch Siddur en de Siddoer Vilna), hetgeen erop wijst dat het getal 316 ons eigenlijk onverschillig laat.

Maar hoe zit het met dat spuwen? Dat er op dit punt in Aleinoe op de grond werd gespuwd, blijkt alleen al uit een Jiddische zegswijze. Er koemt tzoem ojssjpehen (hij komt bij het spuwen) betekent dat iemand ergens laat, zoals Aleinoe zich aan het slot van de gebeden bevindt, komt aanzetten. In zijn boek Rabinische Ceremonialgebraüche (Breslau, 1837) wijdt Moses Brück, een pionier van de Reformbeweging in Oostenrijk-Hongarije, een kort hoofdstuk aan het fenomeen (Vom Ausspucken beim Schluszgebete Alenu). Hij keurt het gebruik af als “tadelhaft”, “lächerlich” en “barbarisch”, en wijst erop dat er geen halachische grond voor te vinden is, “niet bij de Rema [R. Mosje Isserlis (1520-1572)] en niet bij de overige acharonim [latere geleerden]”. Integendeel, de rabbijnen zijn er mordicus tegen. Brück citeert hier de Sjeloh hakadosj, R. Jesaja Horowitz (1565-1630), die het een verkeerde gewoonte van “enkele individuen uit het grauw” noemt.
Moses Brück brengt echter niet de Taz (Turei Zahav, R. David Segal, 1586-1667), die zijdelings een opmerking over ons onderwerp maakt, als hij verbod op het spuwen op een wond bespreekt, voorafgaand aan het citeren van een Bijbelvers: “ [...] daarom moet men geen vergelijking maken met [het spuwen van] diegenen die de gewoonte hebben te spuwen voorafgaand aan w’anachnoe kor’im [“en wij buigen”, de volgende passage in Aleinoe], omdat iedereen weet dat daar het spuwen tot verachting van de afgoden van de afgodendienaren is, en het de eer des Hemels is die men daarbij in herinnering brengt.” Net zoals R. Solomon Zwi en R. Menasseh ben Israël op de vóór-Christelijke oorsprong en betekenis van de passage l’hevel w’rik wijzen, brengt de Taz het spuwen in verband met de afkeer van heidense afgodendienst. Kennelijk is hij niet bevreesd, ongelijk de Sjeloh hakadosj, dat er risjes van komt omdat de Christenen het abusievelijk op zichzelf betrekken. Overigens laat de Taz in het midden of het spuwen l’hevel w’rik begeleidt of dat deze zin wordt weggelaten. De hedendaagse Siddoer Vilna (1994), die zich voor de regels voor Aleinoe op o.a. de Taz betrekt, laat echter in dezen geen twijfel bestaan: “Men heeft de gewoonte om te spuwen op het moment dat men w’hem misjtachawim l’hevel w’rik zegt.”

De Siddoer Vilna, onder redactie van R. Jisroel Meir Hirsch, is het gebedenboek van de radicaal-orthodoxe Neturei Karta. Of zij werkelijk op de grond spuwen in hun sjoels, zou ik niet kunnen zeggen. Ik heb wel gezien hoe chassidiem van de Lubavitcher rebbe, in het minjan voor alle gezindten waar ik door de week naar toe ga, niet echt stiekem, maar toch onopvallend, vanachter de hand, tijdens Aleinoe een kloddertje spuug laten vallen dat ze vervolgens met de schoenzool uitpoetsen op de vloertegels. Dat is geen particulier initiatief; het is een minhag die o.a. wordt genoemd in Sefer HaMinhagim, The Book of Chabad-Lubavitch Customs (vertaling Uri Kaploun, New York, 1994). De reden om te spuwen die hier wordt gegeven is dat men geen profijt wil hebben van het speeksel dat zich heeft opgehoopt in de mond tijdens het uitspreken van het zinnetje over de afgodendienst der volkeren (p. 35). Deze volkeren buigen zich overigens, volgens de redactie van de gebeden in de siddoer van Chabad (waar de gewraakte zin wel in staat, althans, ten dele), niet l’hevel w’rik maar l’hevel w’larik, slechts één letter maar dertig punten meer, zodat de gematria helemaal niets meer met Josjke te maken heeft.

Het lijkt erop dat de antichristelijke intenties die Aleinoe zou hebben alleen bestonden in de boosaardige fantasie van Anton Margherita en al die andere apostaten die voor wat voor reden dan ook hun vroegere geloofsgenoten in diskrediet wilden brengen. Dat is echter niet helemaal waar. De boosaardigheid van Margherita c.s. staat buiten kijf - maar in de siddoer van R. Solomon ben Samson uit Worms (11e eeuw) is de volgende aantekening te vinden bij de woorden l’hevel w’rik: “Een verwijzing naar Jesoe, die de volkeren later in dwaling zouden volgen [R. Solomon is eveneens overtuigd van de antieke oorsprong van Aleinoe]. W’rik is de gematria van Jesoe.” Het is echter de vraag hoeveel gewicht je aan deze woorden moet toekennen. Bij mijn weten is de siddoer van R. Solomon pas in 1971 gepubliceerd, op grond van drie handschriften in Budapest, München en Oxford, die niet eens alle drie deze passage hebben.
In verreweg de meeste gedrukte Ashkenazische siddoeriem, vanaf de 16e tot ver in de 20e eeuw, zou de passage met l’hevel w’rik verdwijnen. Of daarmee alle connotaties van deze woorden uit de joodse geest gebannen zouden zijn, is nog maar de vraag. Wat hadden degenen die zich druk maakten over Aleinoe eigenlijk verwacht, met de manier waarop de joden bejegend werden in de landen van Europa - voor zover ze daaruit niet verdreven waren, indien niet gedwongen bekeerd (Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal)? In Aleinoe prijzen wij G’d, “die ons niet als de volken van andere landen gemaakt heeft, ons niet met de andere geslachten op aarde gelijkgesteld heeft, ons deel niet als het hunne, ons lot niet als van het gros van hen” (in de vertaling van Dasberg). Wie in en na de Middeleeuwen deze woorden zei, kwamen niet in de eerste plaats hindoes, boeddhisten of heidense afgodendienaren in gedachten. Aleinoe is echter veel meer dan het afgeven op een ander geloof; het is de dagelijkse bekrachtiging van het geloof in die ene G’d die, hoewel je dat afgaande op hun benarde lot in deze wereld niet zou zeggen, de joden heeft uitverkoren om Hem te dienen. Apostaten als Margherita waren erop uit zich te verbeteren, zo niet in materiële zin (meestal een teleurstelling, volgens historica Elisheva Carlebach: bekering leverde vaak niet meer dan een bedelvergunning op), dan wel in metafysische zin. Aleinoe ontkende niet alleen het succes, maar zelfs de mogelijkheid van dit laatste. Daarom zat uitgerekend dit gebed ze zo dwars.

Enkele voetnoten:

Sefer Nitzachon: De Christelijke theoloog Theodor Hackspann bezorgde een editie van twijfelachtige kwaliteit, gedrukt in het judenreine Neurenberg in 1644, ten gerieve van Christen-polemisten.

vertaling van Dasberg: Siach Jitschak (...), De geordende gebeden voor het gehele jaar, Nederlandse vertaling door Jitschak Dasberg, Amsterdam, 1986, p. 73.

Wagenseil: J. Chr. Wagenseil, Benachrichtigung (...) worinnen (...) IV. Bericht von dem Jüdischen Gebeth Alenu, Leipzig, 1705

R. Solomon ben Samson: M. Hershler, Siddur of R. Solomon ben Samson of Garmaise, including the Siddur of the Haside Ashkenaz, Jeruzalem, 1971, p. 124-125 (Hebreews).

Elisheva Carlebach: E. Carlebach, Divided Souls, Converts from Judaism in Germany, 1500-1750, New Haven/London, 2001

Nuttige links:
http://sammlungen.ub.uni-frankfurt.de/judaica/nav/index/all
http://www.jnul.huji.ac.il/eng/digibook.html
http://hebrewbooks.org/