Posts tonen met het label Israël. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Israël. Alle posts tonen

Bloemen en hun namen

 

Yehoash, Solomon Blumgarten, verbleef tijdens het grootste deel van het jaar 1914 in Eretz Jisraël, toen een provincie van het Turkse rijk. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak moest hij het land verlaten, om nooit terug te keren. Enkele jaren later publiceerde hij in de VS zijn impressies in het Jiddisch, die in 1923 werden vertaald als The Feet of the Messenger. Dat is de versie die ik gelezen heb. Op p. 94 daarvan staat hoe Yehoash in de Joodse nederzetting Ekron (thans: Mazkeret Batja) een bloementuin bekeek en zich daardoor aangespoord voelde zijn kennis van het Hebreeuws uit te breiden: “[I] felt it my duty to discover the Hebrew name for each different flower.” Nabij spelende kinderen konden hem daarbij niet helpen, een meisje van tienerleeftijd evenmin. “Her answer was curt and sharp: ‘Ain Shemot la-Perahim’ (Flowers have no names).”

Misschien was dat in 1914 wel waar, enkele uitzonderingen daargelaten (chavatzelet, lelie; sjosjanah, ook lelie, maar ook roos). Het was immers Esau die “een man van het veld” was; “Jacob echter was een vroom man, een tentbewoner” (Gen. 25:27). De commentatoren verklaren hier dat Jacob binnen bleef en zich met godsdienstzaken bezighield. Uit Jacobs voorbeeld leren wij dat een goede Jood zich verdiept in de heilige leer en niet de onbenullige details van de natuurlijke historie najaagt. De Misjnah in Pirkei Avot (Spreuken der vaderen, 3:8) bevat zelfs een strenge waarschuwing aan het adres van iemand die onderweg is (en, zo zou je zeggen, toch zou moeten uitkijken waar hij loopt) om niet het leren van Torah te onderbreken ter wille van het natuurschoon.

Het zou derhalve aan de orthodox-Joodse verhouding tot de natuur liggen dat bloemen geen namen hebben, en niet alleen niet in het Hebreeuws. “[A] sound Jewish education,” schrijft Maurice Samuel over de Jiddisch-sprekende bevolking van Oost-Europa van weleer (In Praise of Yiddish, 1971, p. 100 e.v.), “precluded any great intimacy with nature, even at second hand. […] There was simply no time for nature, which was therefore left to untutored folk.” Flora en fauna waren geen onderwerp van gesprek en de belangstelling ervoor was enigermate verdacht. “If anything, it was regarded as evidence of a spiritually misspent life.” Dit is de achtergrond van de hiernavolgende opmerking van Isaac Bashevis Singer (die ik hier citeer uit de derde hand en daarom in het Engels; het oorspronkelijke Jiddisch zou te vinden moeten zijn op p. 471 van de jaargang 1943 van het tijdschrift Tsukunft). De Jiddische schrijver, aldus Singer, “could not even label in Yiddish all those flowers […] which he saw on his way out of town”.

Blote, roept hier Michael Wex (Born to Kvetch, 2005, p. 161 e.v.), hetgeen Jiddisch is voor, in deze context, gelul. Het Jiddisch zou geen vocabulaire hebben voor alles wat leeft en groeit? “Yiddish spoke plenty about nature when Yiddish was spoken in Poland, Russia, Romania, and Hungary; plants, animals, insects, fish, and agriculture occupy twenty-three closely printed, double-column pages in Nahum Stutchkoff’s Yiddish thesaurus [Der Oytser fun der jiddisher shprakh, 1950].”

Singer sprak dan ook voor zichzelf. Nog maar een citaat, nu ik toch bezig ben, ditmaal uit Singers jeugdherinneringen (In my Father’s Court, 1962, p. 175): “In all the years that we lived in Warsaw, I never left the city. […] No trees grew on Krochmalna Street. […] Some of the neighbors had potted flowers, but my [streng-orthodoxe] parents considered this a pagan custom...”

Het lag aan Singer en niet aan het vocabulaire van het Jiddisch. Maar hoe zat het met die van het Hebreeuws, zoals dat werd gesproken in Ekron, anno 1914?

Men mag aannemen dat Esau Hebreeuws sprak (hij wordt tenslotte geciteerd in die taal in de Torah) en ook dat hij, als man van het veld, de toepasselijke benamingen van flora en fauna kende, en hij niet alleen, maar ook andere Hebreeuws-sprekenden in de oude tijd met een wat grotere belangstelling voor de natuur. Maar de woorden die zij kenden werden nimmer vastgelegd op schrift en zeker niet in dé Schrift. De slechts 8000 woorden (althans, volgens Chaim Rabin, “The Revival of the Hebrew Language”, Ariel 25, 1969, p. 29) van het Bijbels Hebreeuws, de woorden die wel waren vastgelegd, vormden, zelfs aangevuld met de woordenschat van het na-Bijbels Hebreeuws, maar een smalle basis voor het moderne Hebreeuws. Het is daarom best mogelijk dat de bloemen die Yehoash in 1914 in Ekron zag inderdaad geen namen hadden, althans nog niet. Elders in The Feet of the Messenger laat Yehoash de lezer kennismaken met de bioloog Israël Aharoni (1882-1946) uit Rechovot, “who discovers all sorts of native animals and birds, and, in addition, discovers for every one of them a Hebrew name, which is an even more difficult task than discovering the animal or bird itself” (p. 108). Het dierenrijk was er op dat moment kennelijk niet veel beter aan toe dan de plantenwereld. Een laatste citaat (waarin ik, om ook wat te doen, cursivering heb toegevoegd): “There are a good many Hebrew names in the Mishnah, but many more must be invented.”

Foto's met bijschrift (8)



Van de beeldende kunsten is de architectuur die welke het meest praktisch nut heeft. Je zou beschutting tegen de regen kunnen zoeken onder een schilderij, maar zoiets gaat beter tussen muren en onder een dak. Zelfs een dictatoriaal paleis, gebouwd om louter te imponeren, te overweldigen en af te schrikken, kan in andere tijden, in afgetuigde vorm, normale mensen nog van pas komen. Een randgebied van de architectuur vormen in dit opzicht follies, nutteloze bouwsels die wel leuk om te zien zijn, althans in het oog springen. Follies vind je overal, maar vooral daar waar sommigen heel veel geld hebben, maar daarmee geen raad weten: het Verenigd Koninkrijk. Maar je hebt ze ook in Israël, getuige het hierboven afgebeelde bouwsel in Jaffa. Het dateert van 2004 en is een replica van de façade van het in 1947 door de LECHI (de Stern Groep) opgeblazen, oorspronkelijk Ottomaanse en op dat moment Britse overheidsgebouw, de Saraja. Het is overigens een gedeeltelijke reconstructie, want slechts de helft van wat tussen de zuilen hoort te zitten is ingevuld. De achterkant van de huidige façade is nagenoeg plat, alsof er nog iets tegenaan moet komen. Het doet als zodanig denken aan hoe hier te lande oude, onder architectuur gebouwde panden rigoureus worden gerenoveerd: het hele gebouw gaat tegen de vlakte, behalve de gevel, waarachter en waartegen dan een nieuw gebouw verrijst, in de regel een hotel of luxeappartementen. Het is een omkering van de 19e-eeuwse praktijk om een gevel, in de gewenste neo-stijl, tegen een gebouw aan te plakken. In Jaffa lijkt het echter om alleen de gevel te doen te zijn, alsof men het werk van de LECHI niet ongedaan wil maken, maar het ook wel jammer vindt van het gebouw, dat er van de straatkant toch zo aardig uitzag.



Oud nieuws*


Om aan te duiden dat Tel Aviv bruist van het leven en een beetje een broertje is van New York, hebben plaatselijke reclamejongens de stad de naam The Big Orange aangemeten.(1) De plantages waar het bekende Israëlische exportproduct groeit liggen inmiddels een heel eind van Tel Aviv af. Een heel eind door de bebouwde kom: Tel Aviv en de omliggende gemeenten(2), Ramat Gan, Bnei Barak, Giv’atajim, Petach Tiqwa enz., zijn in de loop der tijd uit- en aan elkaar gegroeid. In deze metropolitaanse agglomeratie, die het economisch centrum van Israël is en waar bijna de helft van alle Israëli’s wonen, vervult Tel Aviv de rol van downtown. Daarheen begeve men zich voor amusement en cultuur. Toch vestigde Meir Ahronson zijn gloednieuwe Moezejon le’Omanoet Jisraëliet (Museum voor Israëlische Kunst) uptown, zij het niet ver, in het aan Tel Aviv grenzende Ramat Gan.


De burgemeester van Ramat Gan was, in tegenstelling tot het gemeentebestuur van Tel Aviv, enthousiast over Ahronsons idee om een geheel eigen museum voor de hedendaagse Israëlische kunst te stichten. Op 4 april van dit jaar [1987] kon derhalve, in een voormalig fabriekspand (waarvan de verbouwing nog niet klaar is), het museum geopend worden. “Een stad zonder kunst is geen stad”, zei de burgemeester bij die gelegenheid, woorden die Meir Ahronson met instemming citeert. “Sinds zijn aantreden in 1984 heeft hij de heersende houding om Ramat Gan slechts als ‘slaapkamer’ van Tel Aviv te beschouwen, veranderd. Ramat Gan wordt steeds meer een belangrijke stad waar van alles gebeurt. Wij hebben, hier vlakbij, het grootste voetbalstadion en het grootste winkelcentrum van Israël. Er komen hier jaarlijks honderdduizenden bezoekers, voor wie zich ook dit museum openstelt. Het staat ook meteen aan het trottoir, langs een hoofdstraat, niet ergens hoog in de verte, als een tempel.” Ahronson is zeer te spreken over de ligging van het museum, nog voor de verkeersopstoppingen van Tel Aviv en beschikkend over voldoende parkeergelegenheid. De hedendaagse Israëlische kunst, zo mag men concluderen, is in alle opzichten bereikbaar.

Tot dit jaar begaf men zich voor deze kunst naar de galeries in vooral Tel Aviv of naar de desbetreffende vleugels van het Tel Aviv Museum of het Israël Museum in Jeruzalem. In het laatste moet de Israëlische kunst om de aandacht strijden met de archeologische collectie, de judaïca; Europese oude meesters, impressionisten en modernen; Afrikaanse kunst, islamitische juwelen, en nog veel meer. Het Tel Aviv Museum stelt veel Europese kunst ten toon. Het heeft thans, tot oktober, een grote collectie schilderijen uit het Von der Heydt Museum in Wuppertal ter leen, voor een deel van kunstenaars (impressionisten, Cézanne, Léger e.a.) waarvan reeds werk hangt in het museum.

“Ik kwam vier jaar geleden na onderzoek tot de conclusie dat er een museum voor Israëlische kunst nodig was,” zegt Meir Ahronson. Thans staat dit er en Ahronson is er de directeur en conservator van. Hij is een gespierde veertiger van het type vent, met een vastomlijnd begrip van wat moet kúnnen. Hij maakt een zeer energieke indruk en wel zozeer, dat het museum, behalve zijn geesteskind, ook nog, van vloer- tot dakbedekking, het werk van zijn eigen handen lijkt.(3) “Ik gelooft dat de Israëlische kunst goed, belangrijk en sterk genoeg is,” verklaart Ahronson, “om dat te benadrukken door uitsluitend daaraan een geheel museum te wijden. Er zijn hier veel jonge kunstenaars, veel goede kunstenaars ook. Vorig jaar bijvoorbeeld waren drie van de winnaars de Guggenheim-prijs in New York Israëli’s.(4) En dit jaar nemen zes Israëli’s deel aan de Documenta in Kassel.(5) Dat geeft een beeld.”


Een beeld geeft ook de tentoonstelling die momenteel in het museum te zien is: Kunstenaar-Formaat, Formaat-Kunstenaar. Veertig werken, meest schilderijen, laten zien hoe evenzoveel kunstenaars de problematiek van het grote formaat, het werk per strekkende meter, te lijf zijn gegaan. Deze problematiek, als ik zulks juist distilleer uit de (warrige) catalogustekst, ook van Ahronsons hand, is die van: wat zie je van een afstand, wat zie je van dichtbij en hoe stem je het een op het ander af. De uitkomst is zeer verschillend. Omdat de meeste werken recent (32 stuks uit dit decennium) tot zeer recent zijn (13 zijn net droog)(6), blijkt dat er in de Israëlische kunst van nu tal van opvattingen heersen. Die strekken zich uit van geometrische abstractie tot wild schmotz-werk, van colorfield tot kloeke figuratie, met van alles daartussen, terwijl er ook voorbeelden van een soort pop-art en conceptuele kunst te zien zijn. Hoewel een aan de beschrijving en classificatie van Amerikaanse en West-Europese kunst ontleende terminologie ook hier van toepassing is, zijn deze Israëlische kunstenaars geen epigonen, daarvoor is hun peil te hoog. Iets Israëlisch dat de getoonde werken gemeenschappelijk zouden hebben – daar gaat de nieuwsgierigheid toch naar uit, in een museum als dit – laat zich niet ontdekken, althans niet door mij.

Alle tentoongestelde werken heeft Ahronson ter leen, verreweg de meeste van de kunstenaars zelf. Zij steunen het museum dan ook van harte en staan graag werk af – omdat zij het belang van het museum voor zichzelf erkennen, aldus Ahronson. Hij heeft ook medewerking van galeries. Deze hebben goede collectie, volgens Ahronson, dus waarom zou je daar geen gebruik van maken? “Een museum kan heel goed werken zonder verzameling. Het enige dat je nodig hebt is een goede database die vertelt welke kunst waar beschikbaar is voor een tijdelijke tentoonstelling.” Niettemin beschikt het museum over een kleine eigen collectie van ongeveer 500 werken, grotendeels grafiek en tekeningen, alsmede wat schilderijen en sculptuur. “Zo’n collectie is een instrument. Je ondersteunt er de kunstenaar mee door iets te kopen en je ondersteunt er andere musea mee door dingen uit te lenen. Je hebt nooit genoeg, daarom moet je betrekkingen onderhouden met particuliere verzamelingen, galeries, de kunstenaars zelf en met andere musea.” Ahronson zou ook graag werk uitwisselen met musea in het buitenland. “Wij willen de exporteurs van Israëlische kunst over de hele wereld zijn.”

Voor zijn bemoeienis met de kunst, die van de laatste tien jaar dateert, zat Ahronson in zaken, o.a. Projectontwikkeling. Hij verklaart ook dit museum als zaak te willen drijven. Uitgangspunt zijn flinke bezoekersaantallen, terwijl de kosten laag gehouden worden. Het museum is weinig luxueus ingericht en het personeel telt nog geen tien leden, Ahronson, zijn assistent en zijn secretaresse incluis. Zakelijk zijn ook plannen om, met medewerking van reisgezelschappen, de toerist in het museum te halen, d.m.v. een speciale “toeristendag”. Deze houdt ontbijt en lunch in het nog te openen restaurant van het museum in. Na het ontbijt wordt men en masse rondgeleid door twee van de drie tentoonstellingen die steeds te zien zullen zijn, gevolgd door een lezing, een concert of een film in de nog te voltooien gehoorzaal. Na de lunch kan men dan naar de derde tentoonstelling of naar het, thans nog toekomstige beeldenpark aan de overzijde van de straat.

In de handen van Meir Ahronson is het Museum voor Israëlische Kunst geen plaats waar zorgvuldig kunstschatten ondergebracht en bewaard worden, maar een kijkdoos. Of liever, met acht op de afwisseling die Ahronson, puttend uit zijn database, wil bieden: een caleidoscoop.(7)




Een scherp contrast hiermee vormt het museum Misjkan le’Omanoet (Tempel der Kunst). Dit staat niet pal aan het trottoir van een drukke straat, maar bevindt zich, vanaf de halte van de streekbus aan de provinciale weg, een kwartier lopen heuvelopwaarts(8), op de kibboets Ein Charod.(9) Boven bij het museum heeft men een weids uitzicht over de Jizreëel-vallei, vroeger een ontoegankelijk moerasgebied, thans, dankzij de inspanningen van de pioniers van o.a. Ein Charod, uitgestrekte, vruchtbare velden.

De afstanden zijn niet groot in Israël en de wegen goed begaanbaar. Maar naar verhouding ligt het Misjkan le’Omanoet ver weg, ver van de agglomeratie Tel Aviv en nog verder van de hoofdstad Jeruzalem. Het staat op het erf en behoort tot de voorzieningen van de kibboets. De kibboetsbeweging vormde eertijds, meer dan nu, hart én ruggegraat van de staat Israël, zij het dat deze beeldspraak geen recht doet aan de spreiding van de kibboetsiem over het land. Zij bevinden zich vaak juist aan de grenzen en bestandslijnen. Zo ook Ein Charod, dat pal ten N. van de bezette Westoever en niet ver van Jordanië ligt.



Zoals vele kibboetsiem een eigen bibliotheek, gehoorzaal en klein museum voor opgezet regionaal gedierte en lokale archeologische vondsten hebben, is ook het Misjkan le’Omanoet ontstaan als eigen museum om de honger naar kunst van de leden van de kibboets te stillen. De kibboetsnik en kunstschilder Chaim Atar (1902-1953) richtte het in 1938 op, in een hoekje van de schuur die hem tot atelier diende. Nu heeft het, al sinds jaar en dag, de beschikking over een voortreffelijk museumgebouw.(10) De veertien zalen daarvan, waarin het felle zonlicht, afgebogen via verlaagde en gewelfde plafonds, slechts doordringt als een zacht schijnsel, zijn echter veel te gering in getal. Het Misjkan le’Omanoet bewaart een collectie van vele duizenden kunstwerken (schilderijen, beeldhouwwerk, joodse rituele kunstnijverheid, tekeningen en prenten) die veel te groot is om tegelijk uit te stallen. Bovendien is, als ik er ben, in de grootste zaal een aantal van de schilderijen (hedendaagse, maar niet zeer recente, Israëlische kunst) van de wand gehaald om plaats te maken voor nieuw werk van Rafaël Abkassis.(11) Deze in Nederland onbekende meester maakt een soort moderne verluchte Hebreeuwse handschriften. Soms ontbreekt de gekalligrafeerde tekst en vertelt Abkassis in een persoonlijke, maar het religieuze onderwerp toch toegeëigende stijl het begin van Genesis en de verhalen van Jona en Daniël zonder woorden, elk in één compositie. Elders is in twee zaaltjes recent beeldhouwwerk van de Amerikaans-Israëlische kunstenares Dorothy Robbins(12) te zien. Het zijn kleine sculpturen die telkens een enkel figuurtje op, in of tegen een balkon, een boog, een zuilenrij of een muur weergeven. Met de plaatsing van deze figuurtjes tegen architectonische decorstukken wil de kunstenares een gevoel van eenzaamheid en verlatenheid oproepen, dat ik inderdaad bespeur. Maar dat ligt meer aan het museum aan zodanig.

De ten gerieve van Abkassis verwijderde werken staan deels nog op de grond tegen de muur geleund, hetgeen het museum, gevoegd bij het feit dat ik er praktisch alleen ben (er zijn ook geen suppoosten), een plotseling verlaten indruk geeft. Ook elders in het museum zijn sporen van inrichtingswerkzaamheden die eveneens halverwege gestaakt lijkt te zijn. Dat bij de meeste schilderijen een naambordje ontbreekt en bij de rituele voorwerpen elke verklaring, wekt de indruk dat deze werken niet gepresenteerd worden, maar er, als vanzelf, staan en hangen. Een gevoel van stilstand en verlatenheid dringt zich op, hoewel dit strijdig is met de kennelijk toch ontplooide activiteiten, getuige de tentoonstellingen van Abkassis en Robbins.(13)

De collectie van Misjkan le’Omanoet omvat vele stuks joodse ritualia (Chanoeka-kandelaars, Pesach-borden, versierde Torah-kasten, gebedsmantels en -riemen, enz.) en verder, behalve Israëlische kunst vanaf de jaren 20, werken van joodse kunstenaars in de Verstrooiing: Pissarro, Chagall, Modigliani, Liebermann, Israëls, en nog een hele stoet andere minder bekende maar niet minder goede kunstenaars als Lesser Ury en Issaschar Ryback. Tot deze werken behoren ook, wat men noemt, joodse genretaferelen: mannen in de synagoge op de treurdag Tisja be’Av, Grote Verzoendag en bij andere gelegenheden, een begrafenisstoet, portretten van vrome mannen in een gebed, maar ook onderwerpen als ‘Gerucht van een pogrom’ en ‘Op de vlucht’. Dit zijn meest 19-eeuwse schilderijen, van relatief onbekend gebleven Oost-Europese kunstenaars: Maurycy Gottlieb, Leopold Horowitz, Szymon Buchbinder e.a.

Bij dit joodse genre, en natuurlijk ook bij de ritualia, is het duidelijk. Maar wat is er specifiek joods aan het werk van kunstenaars als Jozef Israëls of Max Liebermann? Omdat in Misjkan le’Omanoet werk van Israëlische kunstenaars van diverse generaties alsmede van joodse kunstenaars uit alle Europese uithoeken van de Verstrooiing bijeen is gebracht en te zien is naast de genoemde genretaferelen en ritualia, ligt er de nadruk op dat je hier met bij uitstek joods erfgoed te doen hebt. Wat nu joods eraan is, toont zich echter niet in ieder werk; het ligt eerder besloten in het feit dat zich op een plaats als deze, een kibboets in het noorden van Israël, een van heinde en verre verzameld erfgoed bevindt. In Misjkan le’Omanoet vindt het Zionsverlangen een uitdrukking: het vervulde verlangen van de erfgenamen die daar terugwerkende kracht hebben willen verlenen. Hier zijn de kunstwerken als het ware teruggekeerd uit de Verstrooiing, zoals een aantal kunstenaars van wie hier werkt hangt dat werkelijk zijn, bijvoorbeeld Anna Ticho, Marcel Janco, Menachem Sjemi en natuurlijk Chaim Atar, de grondlegger van het museum.

 

In het Israël Museum te Jeruzalem is tot en met oktober de tentoonstelling Traditie en revolutie: de joodse renaissance in de Russische avant-gardekunst te zien, met werk van Russisch-joodse kunstenaars uit de periode 1915-1922.(14) Aanleiding voor deze tentoonstelling was de schenking aan het museum, nu vijf jaar geleden, van het door El Lissitzky geïllustreerde Jiddische verhaal De Praagse legende (1917). Een bijzonder geschenk: bij een toch al beperkte oplage van 110 stuks is dit één van de weinige, door de kunstenaar eigenhandig ingekleurde exemplaren in rolvorm, gevat in een eikenhouten doos. En het toont Lissitzy niet als constructivist, maar werkend in een vloeiende, decoratieve, lineaire stijl die voortreffelijk aansluit bij de door een anonymus gekalligrafeerde Hebreeuwse letters. Om deze bijzondere uitgave, die in uitgerolde vorm in zijn geheel is uitgestald, in een passende omgeving te presenteren, heeft men gezocht naar ander werk met eenzelfde oorsprong. Men doorzocht, o.l.v. conservatrice Ruth Apter-Gabriël, de kasten en laden van de Afdeling prenten en tekeningen naar werk van Russisch-joodse kunstenaars, tijd- en generatiegenoten van Lissitzky, die op zoek waren naar een eigen, seculiere joodse stijl: Nathan Altman, Boris Aronson, Issaschar Ryback en een aantal anderen, waaronder ook Marc Chagall.

De eveneens uit Rusland afkomstige kunstenaar Boris Schatz, in 1906 oprichter van de Bezalel-academie, de eerste kunstacademie in Jeruzalem, was van mening dat een wezenlijke joodse kunst pas mogelijk zou zijn na terugkeer uit de Verstrooiing. Wat die opvatting en de Bezalel-academie in die tijd opleverden is thans nog in het Israël Museum te zien: oriëntaals bedoeld en daarom nogal houterig werk, waar weinig van uitgaat. Issaschar Ryback daarentegen vond dat een joodse stijl zijn wortels zou moeten vinden in de volkskunst der Oost-Europese joden. Deze volkskunst stond in de bijzondere belangstelling van de in 1908 in St.-Petersburg opgerichte Joodse Historisch en Ethnografische Maatschappij, die voor de Russische revolutie een aantal ethnografische expedities naar de afgelegen rayons waar het de Russische joden voorheen slechts vergund was te wonen. Aan de expeditie van 1916, ditmaal naar het stroomgebied van de Dnjepr in Wit-Rusland, namen Lissitzky en Ryback deel, teneinde wand- en plafondschilderingen in oude synagogen en motieven op grafstenen te kopiëren. Een aantal van die kopieën, afkomstig uit de nalatenschap van Boris Aronson, maakt deel uit van de tentoonstelling. Het zijn de simpele lijnvoering en de naïeve sfeer in het algemeen van de oorspronkelijke motieven die van invloed zijn geweest op de ontwikkeling van een moderne joodse stijl – modern, want dezelfde kunstenaars, Lissitzky voorop, maakten deel uit of stonden sterk onder de invloed van de toenmalige cubofuturistische en constructivistische stromingen in de kunst.

Beide invloeden, die van de herontdekte joodse volkskunst en die van de revolutie in de kunst, zijn, per kunstenaar in een wisselende verhouding van sterkte, te zien in de tentoongestelde werken. Dat zijn, behalve prenten en tekeningen, veelal boekillustraties en omslagontwerpen, alsmede kostuum- en decorontwerpen voor het Jiddische theater. De ‘joodse renaissance’, zoals Ruth Apter-Gabriël die ook de tentoonstelling samenstelde het noemt, strekte zich ook uit tot de Hebreeuwse en Jiddische letterkunde en het theater. Hier leert men Lissitzky anders kennen dan als choreograaf van de dans van vierkanten, driehoeken en strepen. Zijn illustraties bij bijvoorbeeld de Jiddische uitgave Oekrajnisje Folksmajses (Volksvertellingen uit de Oekraïne, 1919) of de kinderboekillustraties van Ryback, zijn gemaakt in een trant die de huidige beschouwer een sterke invloed van de stijl en thematiek van Marc Chagall suggereert. Maar misschien moet men zeggen, dat het werk van Chagall uit die tijd niet meer dan deel uitmaakte van een gemeenschappelijke poging, gedragen door vele kunstenaars, om tot een moderne joodse stijl te komen.

Zijn de genoemde kunstenaars daar werkelijk in geslaagd? Volgens Ruth Apter-Gabriël niet, althans hun pogingen hebben geen verdere navolging gehad. De dictatuur van Stalin heeft, als aan zoveel, ook een definitief einde gemaakt aan deze periode van bloei van een joodse kunst. Dankzij de nabestaanden van deze kunstenaars, die de terreur van Stalin hebben overleefd en dit werk hebben kunnen redden, heeft het Israël Museum de kunst van deze voorbije bloeiperiode weer boven water kunnen brengen, zo vertelt Ruth Apter-Gabriël, niet zonder gevoel voor de dramatiek hiervan.

In de bij de tentoonstelling vertoonde film zegt een jonge Israëlische kunstenaar dat deze kunst voor hem slechts betekenis heeft als kunstenaar, niet als jood. Dat is niet de mening van Apter-Gabriël: “Dit is herwonnen joods erfgoed. Als zodanig heeft het voor mij een grote emotionele betekenis.”

 

 

* Ik vond dit artikel thuis in een doos, een doorslag van wat ik in de zomer van 1987 had getikt op kopijpapier van Het Parool. “Oud nieuws” is eigenlijk een verkeerde titel; het is helemaal geen nieuws als het, zoals dit artikel, nimmer de krant gehaald heeft. Ik zet deze oude kopij nu op mijn weblog vanwege het onderliggende thema: wat is joodse kunst, als deze al bestaat? Het zal u misschien worst wezen, maar deze vraag kwelt meer mensen dan u op een doordeweekse dag op visite zou willen krijgen. Hoe dan ook, u krijgt er geen antwoord op, maar welke enige zaken ter overweging. De voetnoten zijn van nu. 

1 Het Wikipedia artikel s.v. Tel Aviv (Engels) geeft ook een andere bijnaam van de stad: “the city that never sleeps”. Waarschijnlijk niet toevallig is dit een kenschetsing die ook voorkomt in het door Frank Sinatra vertolkte lied “New York, New York” (1979). 

2 Ten onrechte ontbreekt in dit rijtje Jaffa (thans gemeente Tel Aviv) dat nota bene haar naam heeft verleend aan die sinaasappelen. 

3 Dat was toen mijn indruk. Op het Web vond ik een recente foto (van Koby Kalmanowitz) waarop Ahronson daarentegen een artistieke indruk maakt. Maar dat komt misschien door de manier – de artistieke manier – waarop hij zijn sigaretje vasthoudt. Dat deden Sandberg, E. de Wilde en Hans Jaffé ook. Zie http://www.haaretz.co.il/polopoly_fs/1.2427944.1410187984!/image/3105821241.jpg voor die foto. 

4 Waarschijnlijk bedoelde Ahronson de Guggenheim Fellowship. 

5 Ik heb de namen van vijf Israëlische kunstenaars die deelnamen teruggevonden: Zvi Goldstein (1947), Dani Karavan (1930), Ron Arad (1951), Buky Schwartz (1932-2009) en Nahum Tevet (1946); de zesde was mogelijk iemand die zich Tzadyk Kohayn noemt. 

6 Die getallen kloppen uiteraard niet, maar ik zou niet meer weten waar de correctie geplaatst zou moeten worden. 

7 Het Museum voor Israëlische Kunst bestaat nog steeds en Meir Ahronson is nog steeds, of opnieuw, de directeur. Ik ben er sinds 1987 niet meer geweest en weet niet hoe het momenteel reilt en zeilt. Voor wie dat weten wil en beter Hebreeuws beheerst dan ik, leze dit artikel van 9 september 2014: http://www.haaretz.co.il/.premium-1.2427945. 

8 Halverwege de weg omhoog lag er een oud schip langs de weg, merkwaardig om te zien in een heuvelachtig landschap. Mogelijkerwijs had het ooit toebehoord aan een pessimist met weinig vertrouwen in de waterkerende kwaliteiten van de Israëlische kustvlakte; Ein Charod, hoewel op een heuvel, steekt ternauwernood boven zeeniveau uit.


9 Ein Harod, gesticht in 1921, is de kibboets bij uitstek: “The community of Ein Harod is imprinted on every Israeli’s psyche. In a sense it is our Source, our point of departure” (Ari Shavit, My Promised Land, New York, 2013). 

10 Een ontwerp van Samuel Bickels (1909-1975) en tussen 1948 en 1958, tien magere jaren, zaal voor zaal gebouwd. 

11 Dat moet Raphael Abecassis (geb. 1953) zijn. 

12 1920-1999. 

13 Ik was aan de vroege kant, nog voor half tien, en de eerste klant die dag: toen ik bij de ingang kwam, vond ik het museum aanvankelijk nog op slot. 

14 In 1989 was deze tentoonstelling te zien in het Joods Historisch Museum in Amsterdam; zie mijn bijdrage daarover aan het architectuur- en kunsttijdschrift Archis, no. 5/1989.



De twijfel blijft bestaan


Als iemand mij de vraag zou stellen, beschikt Israël over de atoombom, dan zou ik antwoorden met de wedervraag: hoe moet ik dat nu weten? Ik weet dat het gerucht gaat en dat sommigen het zelfs met stelligheid beweren. Maar misschien is wat Avner Cohen over dat onderwerp geschreven heeft puur speculatie, en heeft Mordechai Vanunu de Britse pers indertijd vuile leugens verkocht, in de vileine traditie van Joodse apostaten en verraders.

Ik weet het niet en als inwoner van Israël zonder enige bijzondere clearance word ik ook geacht het niet weten – maar een paar jaar geleden was ik er bijna achter gekomen (althans, had ik mij bijna in een situatie bevonden, waarin ik erachter had kunnen komen).

 

Er bereikte mij toen het verzoek, enige jaren geleden, of ik op de hoogbejaarde heer S. zou willen passen. S., Nederlander van geboorte maar al heel lang in Israël, vertoonde sinds enige tijd tekenen van beginnende dementie. Zijn eveneens hoogbejaarde echtgenote, nog in het bezit van haar volledige geestelijke vermogens, hield hem in de gaten, maar was nu dringend aan tien dagen vakantie toe. De familie zocht nu iemand van de mannelijke kunne die Nederlands sprak en bij voorkeur niet al te dom was, om die tien dagen op de heer S. te letten. Via een wederzijdse kennis die besefte dat ik deze combinatie van eigenschappen bezat, kwam de familie van S. bij mij terecht.

Ik kende S. niet, al wist ik wel wie het was. Toen we nog in Nederland woonden, had ik hem, kennelijk op bezoek in het voormalige vaderland, wel eens bij het dagelijks ochtendgebed in sjoel Amstelveen gezien. Het was me opgevallen dat hij, ondanks het naar mijn smaak rappe tempo van het gebed, ook nog kans zag om tijdens de dienst een bladzijde Talmoed met commentaar van Rasjie te leren. Dat had mij de indruk gegeven dat S. zelf ook niet al te dom was.

Ik verklaarde mij bereid. Na wat heen en weer gepraat over de telefoon met de schoondochter die in deze kwestie de leiding had, werd er een kennismaking in scène gezet, op choul hamongeid (de tussendagen van) Pesach. Het was een prettige ontmoeting, zij het met een wat wezenloze conversatie, omdat ik om de eigenlijke reden van mijn bezoek heen moest praten; S. mocht niet het vermoeden krijgen, had de schoondochter mij op het hart gedrukt, dat er een oppasser over hem werd benoemd. Alles leek geregeld en ik stond klaar om mij te melden op het moment dat mevrouw S. haar tien dagen daadwerkelijk zou opnemen. Niettemin ketste de zaak plotseling af, met als opgaaf van reden, dat de familie in mijn plaats al een Israëli in de arm had genomen, iets wat al vóór Pesach beklonken zou zijn.

Een vreemde zaak – waar ik overigens wel een verklaring voor had, die ik mijn vrouw ontvouwde. “Ze” vertrouwen me niet, zei ik, daarom hebben “ze” de familie iemand anders opgedrongen, waarschijnlijk eentje die op hun loonlijst staat. Ik meende al een eigenaardige tik op de lijn gehoord te hebben tijdens één van de telefoongesprekken met de schoondochter, gevolgd door een kortstondige stilte (ik zei nog: hallo, bent u daar nog?).

Van nature heb ik niet de neiging om over mijn schouder te kijken. Bovenstaande verklaring was dan ook niet het bijproduct van een plotselinge schichtigheid, maar het resultaat van een, naar eigen smaak, niet al te rare gedachtegang. In Nederland had ik indertijd al bij geruchte vernomen dat de heer S. van beroep geleerde was, fysicus of chemicus of zoiets, en dat hij zijn bekwaamheden in dienst had gesteld van de Staat Israël. De schoondochter bevestigde naderhand deze informatie in zoverre, dat zij mij over de telefoon erop wees, dat S. niet de eerste de beste bejaarde was, maar dat hij Israël “grote diensten” had geleverd. Maar nu was hij het slachtoffer van beginnende dementie. Het leek mij niet al te ver gezocht, dat “ze” nu bang waren dat S. in deze geestesgesteldheid er inlichtingen uit zou kunnen flappen die niet voor mij bestemd waren.

Er zijn uiteraard andere, simpeler verklaringen denkbaar - maar stel ik heb gelijk. Zou al dat geheimzinnige gedoe dan impliceren dat Israël inderdaad de Bom heeft? Ik denk het niet. Misschien zou S. me wel verteld hebben, elke eed op geheimhouding vergeten, dat in werkelijkheid de Joodse geleerden en ingenieurs in Dimona te onhandig (we hebben nu eenmaal geen sterke traditie van het knoeien aan auto’s) – en misschien zelfs niet goochem genoeg waren om daadwerkelijk een kernwapen in elkaar te zetten. Dat zou ik ook geheim willen houden, meer nog dan het eventuele bezit van atoombommen.

 

 





Pro-Palestijns advies

Het is misschien te veel gevraagd. Maar toch – eenieder die werkelijk pro-Palestijns is zou morgen moeten meelopen in een demonstratieve optocht onder de leuze: “Laat het Israëlische leger het karwei zo snel mogelijk afmaken.” 

Ik begrijp dat hier enige verduidelijking nodig is. Het karwei van het Israëlische leger is niet het plegen van genocide. Ik ben niet beter voorgelicht dan ieder ander, maar het schijnt me toe dat het leger daartoe Gaza beter van buitenaf had kunnen platschieten en -bombarderen, in plaats van de infanterie naar binnen te sturen. Het doel is in werkelijkheid het uitschakelen en ontwapenen van Hamas en andere terreurorganisaties.

Iemand die voor de Palestijnen in Gaza is, zet zich ervoor in, of is in ieder geval de wens toegedaan, dat dezen deel van leven hebben, dat ze kunnen gaan en staan waar ze willen, dat ze gezond en veilig zijn, dat ze economische voorspoed hebben, dat ze zich vrij kunnen ontplooien en ontwikkelen, en in het algemeen vrijheid kennen. Wat zou pro-Palestijns anders kunnen betekenen? Dat de Palestijnen in Gaza dat allemaal niet hebben is deels zeker de schuld van Israël. Maar wie de kranten leest, zou toch moeten weten dat vrijheid (d.w.z. de democratische vrijheden waar men in Nederland zo aan gewend is) bij Hamas, een organisatie die niet van tegenspraak is gediend, niet in goede handen is. Hetzelfde geldt voor veiligheid. Nu zijn al die honderden doden in de Gazastrook weliswaar geveld door Israëlische wapens – maar het ontstaan van de huidige oorlogssituatie is wel degelijk op het conto van Hamas te schrijven. Dat oorlog willen voeren met Israël slecht is voor de economie van Gaza, spreekt uiteraard vanzelf.

Ik vermoed dat Hamas zich gesterkt voelt door alle pro-Gaza betogingen overal ter wereld, vooral als deze gepaard gaan met sterke anti-Israëlische en antisemitische uitingen. Voor alle gewone Palestijnenmensen in Gaza is het echter beter dat Hamas zich zo snel mogelijk overgeeft, waarna de organisatie ontmanteld kan worden. 

Ik weet dat het veel gevraagd is. Maar denk er eens over na, voor u opnieuw meedoet aan een demonstratie waar de meute “Hamas Hamas alle Joden aan het gas” scandeert, of het niet beter is om in plaats daarvan Israël en het Israëlische leger demonstratief te ondersteunen. De kans bestaat dat een aantal van de mensen met wie u gisteren, eergisteren of vorige week nog tegen Israël demonstreerde, u nu uitscheldt en bedreigt, of zelfs projectielen naar u gooit of u in elkaar slaat. Dan maakt u dat ook eens mee; zie het als een leerzame ervaring. Vooruit, zelfs al hebt u nog zo’n hekel aan Joden – doe het voor de Palestijnen! 

28 juli 2014, tijdens Operation Protective Edge

 

Bouwactiviteit (3)

Je vindt ze her en der over de wereld, maar nu is er ook één in aanbouw in mijn eigen woonplaats, Beitar Illit: een replica van het pand huisnummer 770 aan de Eastern Parkway te Brooklyn, New York. Dat is niet zomaar een adres, maar het gebouw, voorheen een medische kliniek en aangekocht door Chabad in 1940, waar de laatste Rebbe, R. Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994), kantoor hield.

Viznitzer sjoel, Beitar Illit

Het nabouwen van belangrijke panden, althans het zich laten inspireren door de kenmerkende architectuur daarvan, komt vaker voor. In Beitar Illit alleen al hebben twee groeperingen, de Bojaner en de Viznitzer chassidim, sjoels laten neerzetten naar model van hun gebouw, thans verwoest, in hun plaats van herkomst in Oost-Europa. De hoofdsynagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (2000) is afgekeken van de sjoel in Belz in de Oekraïne (1843), maar dan opgeblazen tot mastodontische afmetingen. Als je komt aanrijden op Jeruzalem over autoweg no. 1 zie je hem al van verre – nu ik daaraan denk, schiet me de titel van een Nederlandse carnavalskraker in gedachten, een lied van wijlen Herman Brood: Maak van je scheet geen donderslag. Het is niet louter iets chassidisch, als je tenminste de Londense Bevis Marks synagoge (1701) beschouwt als een jonger broertje van de Amsterdamse Esnoga (1675). Buiten het Jodendom komt het verschijnsel ook voor: de dorpskerk van het Brabantse Oudenbosch is een samengestelde kopie van de St. Pieter en de St. Jan-in-Lateranen in Rome, op kleinere schaal, terwijl er ergens in Afrika een replica of afgeleide van de St. Pieter staat die groter is – nog groter – dan de echte in Rome. En ook de heidenen, om ze zo maar even te noemen, kunnen er wat van: in de Volksrepubliek China, waar ze weten wat namaak is, zijn de laatste jaren hele stadswijken verrezen in de trant van o.a. Amsterdam, Venetië en Parijs – de laatste inclusief een kopie van de Eiffeltoren.

Aan de foto’s te oordelen die ik heb gezien van Eastern Parkway 770 en van een aantal replica’s daarvan, zijn die laatste niet allemaal even nauwkeurig. Ze zijn wel allemaal uitgevoerd in de roodbruine baksteen die kenmerkend is voor het oorspronkelijke gebouw en ze vertonen ook allemaal de puntgevels die de drie traveeën bekronen waarin dat is verdeeld. De middelste travee van Eastern Parkway 770 is smaller dan de twee aan weerszijden en springt iets terug, een detail dat niet tot alle replica’s is doorgedrongen. De driezijdige erker boven de voordeur is een opvallend detail dat je in op één na alle replica’s terugvindt, maar dat geldt weer niet voor de oorspronkelijke raamindeling.

Het pand in Beitar Illit is nog lang niet klaar, maar je kunt nu al zien dat alleen de voorgevel iets krijgt van Eastern Parkway 770. De zijgevels zijn gewoon, conform de plaatselijke bouwverordening, bekleed met Jeruzalemsteen, hetgeen zich uitstrekt tot het onderstuk van de voorgevel. Daarboven moet die roodbruine baksteen komen. De drie puntgevels zitten al op hun plaats, evenals de erker, zij het niet in een terugspringende travee; de voorgevel is volkomen vlak. Het gebouw krijgt zo te zien twee verdiepingen (in Brooklyn drie) en ook andere ramen.


'770', Beitar Illit 

Zo hebben de meeste replica’s wel iets te weinig (een verdieping, de juiste ramen – of de voordeur, zoals de ‘770’ van Gayley Ave., Los Angeles) of te veel (de andere replica in Los Angeles, aan Pico Blvd., heeft negen puntgevels). Soms zijn de juiste proporties zoek: de nummers 770 van Buenos Aires, Sao Paulo en Milaan zijn buitengewoon smal, alsof ze zijn samengeperst als de balg van een accordeon. Aan het ene eind van de schaal van nauwkeurigheid staat het gebouw in Kirjat Ata, bij Haifa, een vage herinnering aan roodbruine baksteen en puntgevels, waarbij de erker kennelijk in een gat in het geheugen verdwenen is; aan het andere eind de replica in Kfar Chabad, eveneens in Israël, die 1:1 is, het resultaat van nauwkeurige metingen in Brooklyn, en waar niet alleen de buitenkant maar ook het interieur van Eastern Parkway 770 gereproduceerd is.

 

Volgelingen van Chabad hebben één of meerdere portretten van R. Menachem Mendel Schneersohn aan de wand hangen. Zo kun je je voorstellen dat sommigen ook gaarne een aandenken aan Eastern Parkway 770 willen hebben. Als je in Londen woont kun je daartoe koek en gebak van Parkway Pattiserie eten, een koosjere banketbakker die niet toevallig zo heet. Je kunt thuis een foto van het gebouw ophangen. Ik zie in sjoel ook wel eens lieden met een afbeelding van ‘770’ geborduurd op de zak van hun tallith of van hun tefillin. Speciaalzaken voor synagogaal meubilair en stoffering kunnen dergelijk borduursel ook leveren voor een Torahmantel of een parochet. Een stap verder is een aron hakodesj, een ‘arke der wet’, in de vorm van ‘770’. Maar een heel gebouw is toch iets anders, zou je zeggen, alleen al omdat het zo’n dure grap is. Toch schijnt het ook hierbij wel degelijk om een tastbare herinnering aan de Rebbe te gaan. Dat was althans wat een kennis, een aanhanger van Chabad, erover zei. Of er een diepere, esoterische betekenis aan die replica’s zat, was hem niet bekend. Kijk, zei hij zo ongeveer, je kunt (vanwege het tweede gebod) geen standbeelden oprichten van de Rebbe, maar je kunt wel her en der een ‘770’ neerzetten.

Mijn kennis vertelde me tevens dat de allereerste replica, die in Kfar Chabad, voltooid in 1986, bedoeld was voor de Rebbe om in te wonen, als met het aanbreken van de ge’oela, de verlossing, ook hij eindelijk naar Israël zou komen. Vandaar al die nauwkeurige maten die de bouwer van het pand in Kfar Chabad, M.M. Gorelick, heeft genomen in Brooklyn, behalve, naar ik heb gelezen, nu juist die van de vertrekken van de Rebbe. Ik vermoed dat Eastern Parkway 770 meer was – en is – dan voor de Rebbe zijn vertrouwde omgeving en voor zijn chassidim het vertrouwde decor van zijn optreden. Diegenen van zijn aanhangers die menen dat de Rebbe de messias had kunnen zijn, had moeten zijn en misschien ook wel is, laten niet na erop te wijzen dat de gematria (getalswaarde) van de woorden beit masjiach (het huis van de messias) uitgerekend 770 is. Het gebouw met dat huisnummer is als het ware het wijdere stoffelijk omhulsel van de Rebbe – een stoffelijk omhulsel dat bovendien nog bestaat en, zoals kunsthistorici dat vroeger noemden, ‘technisch reproduceerbaar’ is. De vraag naar een eventuele esoterische betekenis van replica’s van ‘770’ staat wat mij betreft nog open.

Intussen worden het er steeds meer. Toen in 2005 de kunstenaars Andrea Robbins en Max Becher voor hun project 770 de toen bestaande replica’s fotografeerden, waren dat er elf. Nu zijn het er zeker 21, inclusief die in Beitar Illit die, zoals gezegd, nog niet af is, en misschien wel meer. Het verzadigingspunt is nog niet bereikt, lijkt me; de aanhangers van Chabad schijnen niet genoeg van ‘770’ te kunnen krijgen.


interessante link:
(prachtfoto's van alle anno 2005 bestaande exemplaren van '770')

1:1 replica van '770' in Kfar Chabad


Bouwactiviteit (2)

Hoewel in Israël verordeningen er zijn om te ontduiken, omzeilen en negeren, pralen verreweg de meeste gevels, zijmuren en achtergevels in Beitar Illit met natuursteen. Dat geldt niet voor de uit lichte materialen geprefabriceerde, tijdelijke, verplaatsbare behuizingen (al zitten er doorgaans geen wielen onder, tot onderscheid van echte stacaravans) van wat meestal sjoels zijn (elke club mannen, op welke grondslag dan ook, heeft hier zijn eigen bedoeninkje). Maar ook daarvan zijn er weer een aantal die voorzien zijn van een natuurstenen exterieur, omdat de eigenaren kennelijk het idee van welstand waarop de oorspronkelijke verordening is gebaseerd onderschrijven. Tijdelijk en verplaatsbaar moet je in deze gevallen niet letterlijk nemen.

Er is echter een gebouw in Beitar Illit dat in het oog springt, om niet te zeggen, zich opdringt, met zijn kale, grijze betonnen muren waarop de naden van de bekisting duidelijk zichtbaar zijn, en waar de geroeste uiteinden van de bewapening uitsteken. Kun je het, als je die esthetische voorkeur bent toegedaan, nog meer brutalistisch wensen? Het gaat hier om de synagoge van de Zviller chassidim (oorspronkelijk afkomstig uit de Oekraïense plaats Novohrad-Volynskyi, die om een of andere in het Jiddisch Zvil heet). Is deze synagoge een architectonisch statement, een bewuste keuze voor een andere, contrasterende esthetiek, een poging om Ronald Storrs 95 jaar oude bouwverordening ter discussie te stellen, zoals dat heet? Neen, niets van dit alles – nadat het exoskelet was gestort, was het geld om het gebouw verder af te werken gewoon op.

Nu behoren onvoltooide bouwwerken tot het normale straatbeeld, niet alleen in Beitar Illit, maar ook elders in Israël. Het zijn projecten die men alsnog slechts ten dele heeft kunnen financieren, maar waarvan de bouwheren in de optimistische verwachting leven een deel van de rest, en dan nog eens een deel van de rest, bij elkaar te kunnen sjnorren. “G’d heeft een hoop geld,” placht de voorzitter van Ohel Torah, de “Amerikaanse” sjoel in Beitar Illit, te zeggen. En hij had gelijk, want na zo’n tien, twaalf jaar is Ohel Torah tot in vele details voltooid. De bouw van de sjoel van de Zviller chassidim echter is begonnen in 1999, in hetzelfde jaar nog gestaakt, en daarna niet meer hervat. Toch hebben de Zviller chassidim de hoop niet opgegeven, althans, het bouwwerk niet achtergelaten. Binnen in de holle, tochtige, lekkende ruimte hebben ze van lichte materialen een tijdelijk, verplaatsbaar onderkomen laten neerzetten. 





Bouwactiviteit

Als ik vanachter mijn schrijftafel naar buiten kijk op de heuvels van Judea, dan wordt mijn blikveld beperkt door de dikke muur waarin het raamkozijn is gevat. Ik kijk schuin aan tegen 40 cm natuursteen, minus kozijn (ik ben net opgestaan om dat te meten). In Jeruzalem, hier niet ver vandaan, is in de bouw het gebruik van deze, hier in de omgeving gewonnen kalksteen (even jeroesjalmit in het Hebreeuws, Jeruzalemsteen) al sinds 1918 verplicht, sinds Ronald Storrs, de Britse gouverneur van Jeruzalem e.o. zulks verordende. Ook in mijn woonplaats Beitar Illit is deze verordening van kracht. Je vraagt je af hoe het komt dat er nog heuvels in Judea over zijn, met de verwoede bouwactiviteit in dit land, en met zulke dikke muren. Het antwoord is gelegen in het gehalte aan nep in de plaatselijke architectuur.

In mijn huis, opgeleverd in 2000, is het gehalte aan nep, wat betreft de buitenmuur, ongeveer 80%. De muren van mijn huis zijn opgetrokken, deels uit beton, deels uit blokkim, grote, holle betonnen bouwelementen. Het aanzien van natuursteen is het resultaat van de tegen deze muren aangeplakte, rechthoekige stukken kalksteen van slechts 5 cm dik – dikker dan fineer op goedkope meubelen, maar niet dik genoeg om zelfstandig omhoog te blijven staan. (Overigens heb ik bij verbouwingen hier in Beitar Illit wel gezien dat de bouwvakkers eerst een paar rijen van deze natuurstenen platen op elkaar zetten, om daar vervolgens, van binnenuit, de betonblokken tegen aan te metselen).

Het was Ronald Storrs om de welstand begonnen. De plaatselijke kalksteen kleurt immers zo mooi bij zonsop- en zonsondergang – Jeroesjalajim sjel zahav, Jeruzalem van goud, zoals Naomi Shemer het bezong. Het gebruik van deze steen sluit ook aan bij de oude, nog bestaande architectuur, wat niet het geval zou zijn met grijs beton waarin je de sporen van de bekisting nog ziet, of constructies van zwart staal en blauw glas. 

Bovendien geeft de combinatie van beton en aangeplakte natuursteen een creatieve vrijheid die een architect bij werkelijk traditionele bouw niet zou hebben. Een interessant voorbeeld daarvan staat hier bij mij in de straat, de synagoge die behoort tot de jesjieva van rabbijn Chaim Ackerman (officieel Beit Hamidrash Yona Menachem z.l. Rennert, overeenkomstig de wens van de grootste geldgever). De architect heeft voor de ingang van deze synagoge van een traditionele boogvorm – inclusief sluitsteen – gebruik willen maken, maar tegelijkertijd een brede glazen pui in de gevel willen zetten, die binnen en buiten op uitnodigende wijze verbindt. Het resultaat is een monumentale omega op twee poten. Ik heb een aantal mensen op deze ingangspartij gewezen – en ze allemaal uit moeten leggen, waarom de zaak in elkaar zou lazeren als het een echte boog zou zijn geweest, en niet één van beton met ertegen aangeplakte natuursteen. Dat was natuurlijk geen representatieve steekproef onder de bevolking van Beitar Illit, die eenduidig iets zegt over de receptie, zoals het heet, van deze kunstgreep. Nochtans heb ik de indruk dat de architect ermee wegkomt. 


 

Hebreeuws leren


Nu ik al veertien jaar in Israël woon, moet ik eindelijk eens meer modern Hebreeuws leren en de taal beter leren gebruiken. Veertien is in zoverre een belangrijk getal, dat er een tijdje geleden in de Nederlandse kranten stond (ik raadpleeg deze op het Internet), dat de ouders van één of ander Marokkaantje dat onder het gebruik van “onnodig geweld” een voorbijganger had doodgeschopt, al veertien jaar in Nederland woonden, maar nog steeds geen of geen behoorlijk Nederlands spraken. Schande! Wat dat nu met het crimineel gedrag van hun nakomelingschap te maken had, weet ik niet, maar ze zouden voor hun inburgeringsexamen gezakt zijn, ware het niet dat ze al in Nederland woonden. Ik moet helaas vaststellen dat ik het zelf niet veel beter doe (ik bedoel mijn prestaties in de nieuwe landstaal, niet die in de opvoedkunde). Dat Hebreeuws wel een erg vreemde taal is, is geen argument; dat is Nederlands voor Berbers sprekenden ook. Ik wil ook niet de schuld afschuiven. Mijn eigen gebrek aan motivatie speelt hier de hoofdrol, ondersteund door het principe, ontleend aan de Israëlische schrijver Ephraim Kishon (die ik uiteraard in vertaling heb gelezen), dat je in een conversatie over taalgrenzen, als het maar even kan, de ander moet laten hakkelen. Als die anderen geen Engels (daar komt het in de praktijk meestal op neer) kunnen spreken, laat ik de te voeren conversatie aan mijn vrouw over, die wel goed Hebreeuws spreekt maar die daar niet altijd van gediend is.

Er is natuurlijk wel een voedingsbodem waarop mijn gebrek aan motivatie gedijt. Wie op alijah gaat krijgt niet te maken met inburgeringsplicht of met een inburgeringsexamen. Er is hier wel een Ministerie van Immigrantenabsorptie, maar dat komt je niet achterna tot in je huis om te beoordelen of je wel snel genoeg Hebreeuws leert. Israël is een immigratieland, met als gevolg dat er, naast native speakers, grote groepen eerste generatie immigranten zijn die zich met meer of minder, en soms helemaal geen succes, Hebreeuws hebben eigen gemaakt, en die daarnaast, of vrijwel uitsluitend, Amhaars, Frans, Russisch en Engels zijn blijven spreken - of, zoals in voorgaande generaties, Duits. Je gaat immers onder landsleit (zoals dat in het Jiddisch heet) niet tegen elkaar staan hakkelen, tenzij je werkelijk een idealist bent.

Wij maakten na onze alijah een zachte landing in de vrij grote Engelssprekende gemeenschap van Beitar Illit. Door schoolgang hebben onze kinderen (resp. 13, 10, 8 en 6 op het moment dat we kwamen) vrij snel goed Hebreeuws geleerd, maar ze zijn ook vloeiend Engels gaan spreken. Mijn oudste dochter spreekt Engels met man en kinderen (haar tweede zoontje, nu bijna een jaar, zegt nog niet veel terug), met de expliciete bedoeling dat ze tweetalig opgroeien. Dochter nummer twee daarentegen, getrouwd met een Fransman die hier is opgegroeid, spreekt thuis alleen Hebreeuws.

Twee van mijn vier kleinkinderen spreken derhalve alleen Hebreeuws, uitgerekend de twee die ik het meest dikwijls zie. B’ngezras Hasjeim, of in de modern-Hebreeuwse uitspraak b’ezrat Hasjeem, geeft dit me de motivatie die me tot nu toe ontbrak!

 

De volgende anekdote kan dienen als voetnoot bij bovenstaande. In 1984 logeerden wij, toen als toerist in Israël, bij Lilly en Zwi Benger. Zwi was een oom van mijn vrouw - om precies te zijn: een volle neef van haar oma. Lilly en Zwi woonden in Kfar Sirkin, een dorp bij Petach Tiqva, opgericht op grond die het Joods Nationaal Fonds omstreeks 1935 had gekocht en verdeeld onder nieuwe oliem, met name uit Duitsland. Op een ochtend kwam er een buurvrouw langs, naar schatting ook al sinds eind jaren dertig in Kfar Sirkin woonachtig, net als Zwi en Lily, met in haar hand een schrijven dat zij had ontvangen. Ze zei: “Kannst du das lesen, Zwi? Das ist zuviel Hebräisch!”

Ik kan het mij niet herinneren, maar ik neem aan dat Zwi de buurvrouw naar beste kunnen hielp, al vraag ik me nu na zoveel jaren af, hoe groot zijn taalvaardigheid precies was. Ik herinner me wel dat Zwi een keer (ook in 1984 of anders in 1987, toen we elders in Kfar Sirkin logeerden en vaak op bezoek kwamen) met de krant binnenkwam, met zijn hand op een kop op de voorpagina sloeg en zei: “Diese verdammte Rechtsregierung...!” Wat de toenmalige regering precies verkeerd deed is nu niet ter zake. Ik zag hem de krant echter niet lezen. Eigenlijk kan ik me niet herinneren dat ik hem ooit de krant heb zien lezen. Hij had echter wel degelijk een abonnement. Tevens bewaarde hij alle oude kranten in een schuur op zijn erf. Desgevraagd vertelde Zwi dat hij deed om, als iemand zich ooit wilde verdiepen in de geschiedenis, deze dan van dienst te kunnen zijn. Ik heb echter het vermoeden dat dit niet het echte of enige uitgangspunt van de verzameling was. Misschien bewaarde Zwi de oude kranten omdat ze, in eerste instantie, voor hem ook te veel Hebreeuws waren. Weggooien kon altijd nog, maar mogelijk had hij nog eens gelegenheid om ze te lezen.