Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen

Wijn en dijn

De joodse spijswetten zijn groot in aantal en strekken zich ver uit, veel verder dan het simpele verbod om van het varken te eten. Daarnaast zijn er ook nog joodse drankwetten. Niet dat de inname van alcoholhoudende dranken verboden zou zijn, G’d verhoede. Integendeel, alle bier is koosjer en de meeste rabbijnen zijn ruimhartig in het toestaan van gedistilleerd. Er is daarentegen wel enige halachische (joods-wettelijke) problematiek bij wijn.

Joden drinken, maar er wordt niet gezopen, een enkele uitzondering daargelaten – maar die is dan ook sjikker wie a goj (dronken als een niet-jood). Geheelonthouding is een mooi streven, maar het verdraagt zich niet met de joodse godsdienst die immers op gezette tijden het drinken van wijn expressis verbis gebiedt: een beker bij de kiddoesj (heiliging), ’s avonds en ’s ochtends, van elke sjabbat en van de feestdagen, alsmede de vier bekers op de seideravond. Ook als het niet moet, beveelt de Torah het drinken van wijn aan, omdat dit, tezamen met het eten van vlees, vreugde verschaft op joodse feestdagen.[1] Kortom, het wordt pas echt gezellig als er wijn geschonken wordt. En daar ligt ook deels het probleem.

Volgens de joodse wet dient ook wijn koosjer te zijn. Koosjer vlees is afkomstig van een beperkt aantal diersoorten. Deze dieren moeten bovendien gezond zijn, een staat waarop ze na de rituele slacht, als het voor het dier zelf al niet meer uitmaakt, onderzocht worden. Een ziek varken dat met een handgranaat om het leven is gebracht is daarentegen nog steeds voor consumptie geschikt. De Voedsel- en Warenautoriteit zal weliswaar proberen de verkoop van dergelijk vlees zo veel mogelijk te beletten, maar Jezus heeft het eten ervan niet verboden. Koosjere wijn is echter, net als alle andere wijn, het product van druiven. Ingrediënten en procedé zijn hetzelfde als bij niet-koosjere wijn. Sterker nog: koosjere wijn kan van het ene moment op het andere, zonder dat er iets aan de chemische samenstelling verandert, niet langer koosjer zijn.

Dit laatste nu hebben wij te danken aan de niet-joodse onhebbelijkheid om afgoden te dienen met het brengen van plengoffers van wijn. Als zoiets plaatsvindt met behulp van koosjere wijn, is ook de wijn die in de fles is achtergebleven verder verboden. Wij nemen hier geen enkele risico; het is niet vereist dat zo’n plengoffer met plechtige rituele omgeven is. Als een niet-jood een ontkurkte fles koosjere wijn slechts aanraakt, zelfs zonder deze leeg te gieten, geldt de wijn in de fles al als geplengd tot een afgod. Het spreekt vanzelf dat door niet-joden gemaakte wijn, wijn waar de goj de hele tijd met zijn handen aan heeft gezeten, helemaal verboden is.

Nu zou elke wijnboer allang failliet zijn als wijn alleen bestemd zou zijn voor afgodendienst. Met de kerstening van het Westen is de vraag naar die wijn nu juist verdwenen. De islam heerst tot ver in het Oosten en, zoals bekend, willen moslims je fles wijn niet eens aanraken. De vraag is daarom gerechtvaardigd of je werkelijk bang moet zijn dat de gemiddelde hedendaagse niet-jood een afgodendienaar is. Er zijn dan ook tijden (niet eens zolang geleden) en plaatsen geweest (o.a. diverse joodse gemeenschappen in Italië) waar op zich orthodoxe of op zijn minst traditionele joden zich de gojse wijn goed lieten smaken. Daarbij sloegen ze ook de andere reden voor het verbod op niet-joodse wijn in de wind. Wijn drinken is gezellig; de consumptie van niet-joodse wijn opent de weg tot gezamenlijke drinkgelagen met gojim, afgodendienaren of niet; dat leidt weer tot verbroedering – en daarmee tot ongewenste verzwagering. Er is hiertegen een voor de hand liggend verweer: alle bieren, inclusief die door monniken in kloosters gebrouwen, alsmede een ruime keus aan sterke drank, zijn toch wel geoorloofd? Daarbij zijn we kennelijk niet bang voor verzwagering!

Deze argumenten maken in andere tijden (heden ten dage) en op andere plaatsen (onder orthodoxe joden in Israël en elders) geen enkele indruk, zelfs al kan wie niet-joodse wijn belieft of zijn door een onbevoegde aangeraakte, zojuist nog koosjere wijn alsnog wil opdrinken, daarvoor enige ondersteuning in de halachische literatuur vinden. Daarin is echter veel meer ondersteuning te vinden voor een verbod – en, voor wie dat wil, een uitbreiding daarvan. Zo is er een mening die zegt dat een niet-jood, alleen door ernaar te kijken, je koosjere wijn al bederft. Hetzelfde zou gelden voor de blikken van een menstruerende vrouw. Overigens zijn de meeste orthodoxe joden niet zover heen, maar de consensus is toch wel om geen niet-joodse wijn te drinken. Er is trouwens, zeker hier in Israël, genoeg koosjere wijn te krijgen. Hierbij hoedt men zich ervoor, dat is eveneens de consensus, om de wijn in niet-joodse handen te laten vallen.

Is dit gedoe rond koosjere wijn nu niet discriminerend? Dat valt wel mee. Alle gojim zijn immers, zonder verder onderscheid te maken, verdacht, of je nu een bonafide vuuraanbidder bent of een atheïst, of iemand die bijna op het punt staat om tot het jodendom toe te treden. Ook maatschappelijk rang creëert geen uitzondering. Zowel degene die aan de andere kant van het spoor, voorbij het woonwagenkamp, in de goot ligt, als de koning in zijn paleis, en iedereen daartussen, moeten van onze wijn afblijven. En alvorens iemand, omdat er toch een onderscheid gemaakt lijkt te worden tussen joden en niet-joden, over apartheid begint, wijs ik erop dat er ook joden zijn die hun eigen wijn, als het ware, niet aan mogen raken. Tot deze categorie horen uiteraard apostaten, verraders en overlopers. Daar is nooit een tekort aan geweest, maar het gaat hier om de veel grotere groep van seculiere joden, daarbij inbegrepen diegenen die wel degelijk in die ene G’d geloven, maar in het dagelijks leven enige moeite hebben met sommige van zijn geboden en sommige van zijn vertegenwoordigers. Dat is wereldwijd ruim de meerderheid van de joden. Er zijn natuurlijk nog veel meer gojim, maar de kans dat die koosjere wijn in handen krijgen is niet zo groot. In Israël, waar je meer seculiere joden dan niet-joden vindt en koosjere wijn alom aanwezig is, is dat wel anders.

Ook hier is er een solide grondslag in de halachische literatuur, met inbegrip van waar de lijn wordt getrokken: wie publiekelijk de sjabbat ontheiligt, geldt als een afgodendienaar. Wie over deze lijn heenstapt, gelieve van de wijn af te blijven, net als elke goj. Er is alleen dit verschil, dat in dit geval het gevaar van verzwagering geen reden is voor het verbod. Het is immers toegestaan zoon of dochter van een seculiere jood te huwen, al zijn er ook weer die dat eveneens willen verbieden. Daar staat tegenover dat andere rabbijnen een uitweg bieden, als volgt. Je kunt het juk van Torah alleen afwerpen als je het ooit gedragen hebt. Zo niet, dan geld je als een tinok sjenisjbah, een kind dat in gevangenschap is opgegroeid – van niet-joden, uiteraard. Dat is geen fictieve rechtsfiguur, zolang er mensen zijn die pas op latere leeftijd erachter komen, tot hun verbazing, soms tot hun schrik, dat ze joods zijn. Die valt onbenul van de joodse wet niet te verwijten. Je kunt dit echter versoepelen en stellen dat iemand ook zo’n tinok is als deze seculier is opgegroeid en als zodanig weinig besef heeft van de uitgebreide, ingewikkelde en strenge wetten op het punt van heiliging en ontheiliging van de sjabbat. En waren de seculieren niet ruim in de meerderheid?

Niettemin is het de minhag (het gebruik) onder de vromen om door seculiere joden aangeraakte wijn niet te drinken, ook al is er toestemming daartoe van sommige rabbijnen die verder allerminst liberaal zijn. Dat kan bizarre situaties opleveren. Zo is mij ooit op het hart gedrukt, toen wij bij ons thuis een klein gezelschap ontvingen, om er toch vooral voor te zorgen dat wijn niet in handen viel van zeker persoon in dit gezelschap. Degene die me dit vroeg, had het over haar moeder.

Ik had die moeder wel eens eerder ontmoet. Seculier? Zeker, maar een afgodendienares? Dat leek me twijfelachtig. Twijfel is in zo’n geval goed. Het is namelijk een halachisch principe dat je in geval van twijfel kunt verlichten. Volgens dit principe zouden de zaken zo liggen, dat deze mevrouw niet alleen in werkelijkheid geen afgodendienares was, maar ook volgens de joodse wet. Helaas, zo eenvoudig gaat dit niet. Het is namelijk tevens twijfelachtig of het gebod om een seculiere jood als een afgodendienaar te beschouwen rechtstreeks uit de Torah afkomstig is, of dat het door onze wijzen is ingesteld. In het eerste geval zou je juist moeten verzwaren en deze seculiere jood niet het voordeel van de twijfel moeten geven. Om nu het zekere voor het onzekere te nemen doen wij dat nu maar evengoed.

Het zal de lezer inmiddels niet meer ontgaan dat men in de vrome wereld gaarne verzwaart, niet rekkelijk maar precies is, om niet te zeggen steil, in de overtuiging, of de waan, dat dat den Here welgevallig is. Ik weet niet wat die behoefte voedt, maar ik zou er wel aan tegemoet willen komen, met de volgende informatie, voorafgegaan door een korte inleiding.

 

De Israëlisch stad Bnei Barak staat bekend om zijn talloze synagogen, allemaal orthodox, zijn jesjivot (instellingen voor voortgezet onderwijs in Torah en Talmoed) en zijn overwegend, misschien wel uitsluitend vrome bevolking. Als je over de snelweg aankomt, is Bnei Barak te herkennen aan de Coca-Colafabriek (zie je die aan je linkerhand, dan heb je net de afslag gemist). Ik weet niet of de Coca-Colafabriek met opzet in Bnei Barak is geplaatst, maar het is een feit dat orthodoxe joden zich de Coca-Cola goed laten smaken, daar en elders, en niet alleen Coca-Cola, maar ook de gesuikerde, gazeuse wateren van de concurrentie. En niemand die zich erom schijnt te bekommeren dat er wel eens afgodendienaren, joods of niet-joods, met hun handen aangezeten zouden kunnen hebben. Dat zou men misschien wel moeten doen.

Op een zondagmiddag in de nazomer van 1986 was ik er getuige van hoe in de Amsterdamse Bijlmermeer een beeldhouwwerk werd onthuld. Het kunstwerk was geplaatst op een eilandje in een vijver, omringd door de flatgebouwen Groeneveen, Grubbehoeve en Kleiburg, met de naam Grubbezee. Van enige afstand en zonder bril op, zou je een ogenblik kunnen menen dat het een werk van Niki de Saint Phalle was. Of het werk werd onthuld op de traditionele wijze, kan ik mij niet herinneren. Ik weet nog wel dat het ingewijd werd. Het was namelijk geen gewoon kunstwerk, in de zin van l’art pour l’art. Het stelde Moeder Aisa voor en die had iets te maken met het Surinaams-Afrikaanse Winti-geloof. De inwijding geschiedde aldus: een oude vrouw ging scheep, vergezeld van een roeier, op de Grubbezee, begeleid door trommelaars op de wal. Ik stond ook op de wal, te midden van andere nieuwsgierige buurtbewoners, en zag dat halverwege de vijver de oude vrouw, op een voor haar kennelijk betekenisvolle wijze, een fles ledigde in het water.

Een plengoffer aan een afgod – daar was ik zojuist getuige van geweest. Hoewel ik weet dat je je geheugen niet kunt vertrouwen, meen ik mij toch stellig te herinneren dat de oude heks een fles Coca-Cola had gehanteerd. Er is trouwens een aanwijzing dat ik gelijk heb: de Grubbezee werd na de plechtigheid omgedoopt tot Colakreek (mogelijkerwijs naar de gelijknamige waterpartij in Suriname, maar die heet weer Colakreek omdat het water zo bruin is).

Dan is er nog een detail dat, hoewel niet strikt noodzakelijk voor dit betoog, te aardig is om niet te vermelden. De schepper van Moeder Aisa was de Israëlische kunstenaar Chaim Oren. Ik vermoed dat hij gedacht heeft, Winti sjminti, ieder zijn meug, boslandcreolen moeten toch zeker zelf weten wat ze geloven, ik geef ze een mooi beeld – wat heet: ik verfraai de hele Bijlmermeer – en verdien zelf ook nog iets. Daar is iets voor te zeggen. Aan de andere kant: het is niet gebeurd, maar stel nu eens dat Chaim Oren na de plechtigheid op me af was gekomen met in zijn ene hand een fles wijn en in zijn andere een fles cola. Had ik hem dan, als ik net zo vroom zou zijn geweest als anderen dat zijn, mijn glas moeten laten vullen?

 


Literatuuropgave:

J. David Bleich, ‘Survey of Recent Halachic Periodical Literature. May a Sabbath Desecrator Drink Wine?’, Tradition 44:3 (2011), p. 71 e.v. (online her en der te vinden, soms met andere paginering). De auteur beantwoordt niet alleen de wat bizarre vraag uit de titel, maar geeft ook een handzaam overzicht van de halachische literatuur over de kwestie koosjere wijn en afgodendienaren.

 



[1] Enkele bronnen: Devarim (Deut.) 16:14, zoals verklaard in BT Pesachim 109a; Ps. 104:15.

Lichaamsgeur


Lichaamsgeur is een heikel onderwerp. Dat blijkt alleen al uit de mop waarin A tegen B zegt (Moos tegen Bram, de meester tegen Jantje, Van Gogh tegen Gauguin, Nasser tegen Arafat, enz.; diverse ensceneringen zijn mogelijk):
“Zeg, heb jij een scheet gelaten?”
“Ja natuurlijk! Dacht je soms dat ik altijd zo stonk?”

Mijn vader heeft me wel eens verteld dat hij op de lagere school, tegen zijn zin, naast een jongetje moest zitten dat ze Poepie noemden, omdat hij zo stonk. Ik had ook een klasgenootje met lichaamsgeur, ondanks ons wekelijkse, klassikale bezoek aan het aan mijn lagere school belendende Gemeentelijk Badhuis. Dat hadden we wel eens onderling besproken (hij verspreidde ‘een muffe lucht’, hadden we geconcludeerd), maar we noemden hem geen Poepie of iets in die trant, want a) hij was een aardige gozer die b) goed kon vechten.
In een apocrief verhaal spreekt een onderwijzer de ouders aan over de lichaamsgeur van een leerling, als hij deze van school stuurt met een briefje waarin als reden staat ‘dat hij stinkt’. Het jongetje verschijnt prompt terug op school, met een briefje van zijn moeder. Daarin staat: “Alsdat Jantje niet is om aan te ruiken maar om aan te leren.”

Lichaamsgeur is niet altijd onaangenaam. Kinderen in de zuigelingen- of peuterleeftijd zijn dikwijls lekker om aan te ruiken. Ik haast me hier te zeggen dat ik het over mijn eigen kinderen en kleinkinderen heb en dat het ruiken – aan hun hoofdjes – in het voorbijgaan geschiedt, als je ze voor praktische doeleinden – om ze in de kinderstoel te zetten, naar bed te brengen, e.d. – toch hebt opgetild. Toen mijn jongste dochter Tsippie een peuter was, waren mijn vrouw en ik een keer om een of andere reden onder schooltijd op bezoek op Rosj Pina, de school die mijn andere drie dochters toen bezochten. In de gang kwamen we Renée Frank tegen, de lerares joodse vakken. Ik had Tsippie op mijn arm en Renée maakte de opmerking, of Tsippie nu ook naar school kwam. Ik antwoordde: “Deze is nog om aan te ruiken, niet om aan te leren.” Omdat ik haar bovenstaande inleiding niet had verstrekt, geloof ik dat Renée me niet helemaal begreep.

Aan het internet ontleen ik dat bovenstaande anekdote over Carry van Bruggen wordt verteld (waarin zij niet stonk, maar het eerste briefje schreef), hetgeen in 1975 op papier verscheen in Jeroen Brouwers’ Zachtjes knetteren de letteren. Ik had het verhaal echter al eerder gehoord. En dat boek, moet ik toegeven, heb ik nooit gelezen.


Taalverwerving

De lagere school die ik tussen 1961 en 1967 bezocht, de Parelschool te Amsterdam, had een talenpracticum. Dat zou nu geen opzienbarend nieuws zijn, maar de officiële ingebruikneming ervan, verricht door mr. Diepenhorst, minister van Onderwijs en Wetenschap in het kabinet Cals, haalde eind 1965 de krant.

Ik was daarbij, want ik behoorde tot de leerlingen die de werking van het practicum aan de minister en de andere genodigden moesten demonstreren. Ik volgde na de opening nog zo'n anderhalf jaar lessen in het talenpracticum, tot ik van school af ging. De middelbare school waar ik vervolgens heen ging had er geen en ik kwam pas in 1974 weer met een talenpracticum in aanraking toen ik een cursus Italiaans volgde aan de Universiteit van Amsterdam. Dat talenpracticum, behorend aan de Faculteit der Letteren, was een wonder van techniek vergeleken met dat van de Parelschool: iedere cabine had een eigen, door jezelf te bedienen bandrecorder, terwijl je via koptelefoon en microfoon met de docent in verbinding stond. Op de Parelschool was het simpeler. Nu kon je mij en mijn klasgenoten beter geen eigen bandrecorder toevertrouwen, maar dat was niet de reden. De kosten waren zo laag mogelijk gehouden. In de krant stond indertijd dat de ouders van de leerlingen die zelf hadden opgebracht. Ik sluit niet uit dat het energieke hoofd van de Parelschool, J.R. de Groot, de ouders inderdaad zo gek had gekregen, maar het is ook mogelijk dat hij ergens een subsidie had geregeld. In ieder geval had een aantal ouders, waaronder mijn vader, in de avonduren de cabines in elkaar getimmerd en van bedrading voorzien, onder gebruikmaking van bestaand schoolmeubilair. De technische uitrusting was minimaal: één centrale bandrecorder, bediend door de leerkracht, gaf een signaal aan alle koptelefoons. Er waren geen microfoons in de cabines. Wel was er een diaprojector.

Het was dus een armeluistalenpracticum, maar tegelijkertijd een luxe waarover geen enkele andere lagere school beschikte, en dat terwijl het leren van een vreemde taal niet eens op het rooster van het openbaar lagere onderwijs stond. Wel werd er op de Parelschool, net als op andere lagere scholen, al sinds jaren twee keer per week na vieren een uurtje Franse lesgegeven aan een paar kinderen waarvan de ouders dat wilden, georganiseerd door de Stichting V.O.C.O.F. (Volksonderwijs Commissie voor Onderricht in het Frans). Ook het nieuwe talenpracticum diende voor het geven van Frans, eveneens buiten de normale schooltijd. Ik nam deel aan beide extracurriculaire activiteiten om deze taal machtig te worden. Nu stonden die methodisch haaks op elkaar. De lessen van de V.O.C.O.F., onder leiding van een francofiele schooljuffrouw die een klasgenoot de naam “de artistieke sjagerijn” had gegeven, kwamen gewoon uit een lesboek en behelsden het leren van woordjes en grammaticale vormen. Het lesmateriaal en de lesmethode in het talenpracticum waren daarentegen afkomstig van een Belg (wiens naam ik ben vergeten) die zich op het standpunt stelde dat je een vreemde taal niet door in het hoofd stampen leert, maar het best zoals elk kind leert praten: door imitatie van wat het hoort. Volgens zijn theorie zouden we eenvoudig Frans leren door het simpelweg herhaaldelijk nazeggen van zinnetjes die we over onze koptelefoons hoorden. Die zinnetjes vormden samen een verhaaltje. Dat mocht niet vertaald worden; we moesten de strekking opmaken uit de dia's die bij het beluisteren en nazeggen van de band vertoond werden. Voor de zekerheid was dat verhaaltje uiterst simpel gehouden: een gezin, vader, moeder, dochter, zoon, maakt zich 's morgens op om vanuit de voorstad waar ze wonen naar Parijs te gaan, voor school en werk. Behalve dia's van situaties (een wekker die afgaat naast het hoofd van zoontje e.d.) waren er ook plaatjes van dingen als vaders aktentas, zodat we erachter konden komen wat de klank laservjette toch betekende. Ik maak op uit de krant (De Waarheid van 13 november 1965) dat de Belg bij de opening van het talenpracticum zijn systeem heeft verduidelijkt (ik kan me zijn aanwezigheid bij de plechtigheid inderdaad vaag herinneren). “Het hindert niet,” tekende de krant uit zijn mond op, “als ze de woorden niet begrijpen. Het voordeel hiervan is dat de kinderen geleerd wordt in de vreemde taal te denken.”

Hierop lijkt mij niets aan te merken, althans puur in theorie. In ieder geval toonde hoofdonderwijzer J.R. de Groot “zich een overtuigd en enthousiast voorstander van deze methode,” nog steeds volgens De Waarheid. Ik heb zelf zo mijn bedenkingen. In ieder geval heb ik nooit in het Frans leren denken. Hoeveel kennis van het Frans ik aan anderhalf jaar les in dit talenpracticum heb overgehouden, is moeilijk te zeggen, omdat ik het ook op de andere manier leerde (en daarmee doorging op de middelbare school). Maar volgens mij kwamen we op het talenpracticum van de Parelschool niet verder dan klanknabootsing, waarvan de nauwkeurigheid nergens aan werd getoetst en die ook nog werd gehinderd door het Amsterdamse onvermogen om bijvoorbeeld een stemhebbende z of een klare aa te zeggen.

Nu zou niemand daar verder ooit iets van gemerkt hebben, een enkele journalist daargelaten (“Typisch was wel, dat na zeven maanden talenpracticum, waarbij dus de kinderen van meet af Frans horen spreken, de ferventste Mokumers toch hun Frans nog spreken met een echt Amsterdams accent,” aldus De Waarheid van 22 november 1967). Maar toen (ik zat inmiddels in de zesde klas) kwam er een Franse delegatie op bezoek, waaraan J.R. de Groot gaarne zijn talenpracticum wilde tonen. Ten gerieve van deze delegatie moesten wij een deel van het verhaaltje (het gezin stapt in de auto, waarbij zich een of andere verwikkeling voordeed) uitbeelden in een toneelstukje voor twee meisjes, twee jongens (waarvan ik er één was) en vier stoeltjes (de auto). We zeiden de hele dialoog die we al zo vaak over onze koptelefoons gehoord hadden (en nog extra om het tafereeltje in te studeren). En als je de tekst erbij zou hebben gehad, zou je misschien gezegd hebben, dat komt nog aardig in de richting. Helaas hadden die Fransen, zover ik weet, de tekst niet bij de hand (en Fransen zijn in het algemeen niet zo toeschietelijk of vlot van begrip als een vreemdeling hun taal probeert te spreken, al is dat wellicht een idée reçue). Ik weet niet of ze iets hebben laten merken aan de heer de Groot. Maar als ik eraan terugdenk, vind ik ons optreden (al kun je kinderen die slechts de wensen van een hoofdonderwijzer ten uitvoer leggen niets kwalijk nemen) toch wel tamelijk gênant.

 


J.R. de Groot bedient zelf de diaprojector 

Aantekening over de geraadpleegde bronnen:

Die oude kranten hebben mijn ouders niet bewaard. Ze lazen trouwens Het Parool. De oude jaargangen van De Waarheid maken deel uit van de gedigitaliseerde krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek (waarin Het Parool ontbreekt), tegenwoordig te raadplegen via Delpher.

De Parelschool


Reus

Ik heb thuis een boek op de plank getiteld The Destruction of Art.[1] Dat is geen handleiding, maar een geleerd werk van kunsthistoricus Dario Gamboni, waarin deze diverse vormen van het slopen van het kunstwerken bespreekt, met hun oorzaak en gevolg. Gamboni legt een zeker begrip aan de dag voor het aanrichten van grotere en kleinere vernielingen aan hedendaagse beeldhouwwerken langs de openbare weg. Of liever, op de openbare weg, voor de voeten en in het gezichtsveld van mensen die niet om die sculptuur gevraagd hebben en het niet noodzakelijkerwijs waarderen dat deze er nu toch staat.

Ik dacht: ik deel wel dat begrip voor de drijfveren van dit onwillige kunstpubliek, maar je moet er toch met je poten van afblijven. Ik heb zelf ook niet meer zoveel geduld als vroeger voor de hedendaagse kunst, en naargelang deze meer geassembleerd is, meer geïnstalleerd en in grotere mate conceptueel, is dat geduld kleiner. Maar zou ik mij onder dekking van het duister met hamer, zaag en koevoet vergrijpen aan een kunstwerk dat mij niet bevalt?

Toen herinnerde ik mij de afgebrande reus op de Dam. Dat was een standbeeld, uitgevoerd in kunststof over een stalen skelet, dat een reus voorstelde, geen akelige, zoals de Wim-wam-reus, maar een welwillende reus met een vriendelijke gelaatsuitdrukking. De reus was 15 meter hoog, op ware grootte, als het ware, en stond gedurende een aantal weken in de lente en zomer van 1978 op de Dam, met de rug naar het Koninklijk Paleis, kennelijk meer voor het volk dan voor de koningin bedoeld. Als Jeff Koons die reus nu had neergezet – maar neen, het was de winkeliersvereniging van de Kalverstraat en de Nieuwendijk, onder het motto Amsterdam reuzestad. Meer dan later Koons zou doen (die was toen nog jong en nog niet beroemd), stelde deze reus de kunst ter discussie, in het bijzonder de goede smaak. Waar was de Welstandscommissie toen Amsterdam deze nodig had?

Ik heb niet zelf de fatale lucifer afgestreken, maar degene die dat wel deed, in de vroege ochtend van zondag 16 juli 1978, bewees daarmee, vond ik toen, Amsterdam een grote dienst. Nu wist ik indertijd niet dat de reus korte tijd later evengoed van de Dam verdwenen zou zijn, na afloop van de winkeliersactie waarvan hij deel uitmaakte, noch dat het plaatsje Montfoort belangstelling had getoond voor de overname van een tweedehands reus, om een plaatselijk jubileum op te sieren. Maar zelfs als ik dat wel had geweten – ik stemde niet alleen in met het resultaat van de brandstichting, maar ook met de actie zelf. En ik moet toegeven: dat doe ik, ergens diep in mijn hart, nog steeds.

Wat is nu verschil – niet qua smaak, maar qua mentaliteit – met bijvoorbeeld het uit de grond rukken door buurtbewoners van delen van een omvangrijk kunstwerk van Evert Strobos, in Apeldoorn in 1983? Gamboni bespreekt deze gebeurtenis in zijn boek (p. 187, met afbeelding), maar het geval van de reus laat hij onvermeld. Ten onrechte, naar mijn mening, want er is eigenlijk geen verschil.

 



[1] Dario Gamboni, The Destruction of Art: Iconoclasm and Vandalism since the French Revolution, New Haven/London, 1997. Bij de oorspronkelijke Britse uitgever is het boek nog op voorraad. Ik weet niet of dat een bijgewerkte en vermeerderde uitgave is. Het kapotmaken van kunst – vernieling in het algemeen – is immers sinds 1997 gestaag doorgegaan.


uit de ochtendkrant van maandag 17 juli 1978

Uitspraak (Hebreeuws leren 7)


Omdat mijn vrouw ze indertijd zelf op Rosj Pina, de Joodse lagere school, had geleerd, kon zij me de grondbeginselen van het modern Hebreeuws bijbrengen. Als geheugensteun had ze een poster boven de haard gehangen met daarop de letters van het Hebreeuwse alfabet, verwerkt in leuke tekeningetjes(1). Verder gaf ze mij het leerboekje voor volwassen beginners Chamesj-meot milim (Vijfhonderd woorden, een uitgave uit 1963), dat nog van haar vader was geweest. Dat was allemaal in de jaren tachtig. We zijn in die tijd twee keer naar Israël geweest, maar ik kan me niet herinneren of die vijfhonderd woorden, of wat ik daarvan onthouden had, me toen van pas zijn gekomen.

In het begin van de jaren negentig begon ik mij opnieuw in het Hebreeuws te verdiepen, maar nu het Bijbels Hebreeuws van – uiteraard – de Bijbel en van de siddoer, het gebedenboek. De taalstudie stond nu niet voorop, maar het leren. Ik cursiveer het woord hier, vanwege de specifieke Joodse connotatie. Leren staat in Hartog Beems Resten van een taal (2e druk, 1975) in een lijstje “Nederlandse woorden in Joodse omgeving”, met de betekenis “Bijbel en commentaren bestuderen” (p. 150). Leren doe je uit een boek – daar is het tenslotte om begonnen –, maar dat toch bij voorkeur samen met een ander. Ik had het geluk dat ik gedurende een aantal jaren leerde met – hoewel ik hier beter kan zeggen dat ik leerde van – iemand met een grote kennis van het Jodendom en bedreven in het Hebreeuws. Mijn chawroese (degene met wie je leert, een betekenis die Beem vreemd genoeg niet vermeldt) sprak mij er dikwijls op aan dat ik de uitspraak van het moderne Hebreeuws hanteerde. Ik meende dat daar niets mis mee was, zo had ik het tenslotte van mijn vrouw geleerd en geoefend met Chamesj-meot milim. Hij maakte zich echter sterk voor het handhaven van de traditionele Amsterdamse gebruiken, de zogenaamde minhag ha-makom, waaronder de traditionele uitspraak van het Hebreeuws valt, zoals in Nederland gebezigd. Daarin is makóm trouwens mókem.




Ik liet mij tenslotte overtuigen en begon mij te bekwamen in de Nederlandse uitspraak van het Hebreeuws, volgens de regels zoals weergegeven in Aresjes sefosajim, Gebeden der Israëlieten voor het geheele jaar met Nederlandsche gebruiksaanwijzing(2). Tegen de tijd dat wij op alijah gingen, zat deze uitspraak er bij mij beter in dan ooit de modern-Hebreeuwse. Dat deze vaardigheid mij niet van dienst zou zijn bij een vlotte conversatie in Israël, daarvoor was ik al gewaarschuwd. Ik zat een keer naast een Israëli tijdens een gezamenlijke derde sjabbos-maaltijd in het Amsterdamse Cheider. Zoals te doen gebruikelijk bij de derde maaltijd, hief één van de heren aan tafel, een uit Antwerpen afkomstige, maar nu Amstelveense chassid, een godsdienstig lied aan. Toen hij enkele coupletten gevorderd was, vroeg de Israëli mij: “Is dat nou Jiddisch?” Wat de zanger ten gehore bracht, was niet volgens de Nederlandse, maar volgens de van oorsprong traditionele, Oekraïense uitspraak – het was niettemin Hebreeuws.

Modern Hebreeuws heeft het voordeel dat het niemands traditionele uitspraak is. Het bevat geen reeksen klinkers (waaronder ou of oi, ei en ai) waarmee Sefardim moeite mee zouden kunnen hebben (de meest voorkomende klinker is a, soms een heel stel achter elkaar) en geen medeklinkers die Asjkenazim niet uit kunnen spreken (zoals een diep in de keel tot klinken gebrachte ajin en chet). Omdat ze zo’n hekel hadden aan de Jiddisch sprekende diaspora die zij achter zich gelaten hadden, kozen de seculiere pioniers van de modern-Hebreeuwse spreektaal in het toenmalige Palestina indertijd, nog vóór de Eerste Wereldoorlog, voor de Sefardische uitspraak, althans dat dachten ze. Toegegeven, de Syrische variant van de Sefardische uitspraak leek er nog het meest op – maar het was in feite de voor iedereen toegankelijke, openbare lagere uitspraak(3).

Niettemin heb ik er moeite mee. Ik leg de klemtoon vaak verkeerd en laat ook al eens een sav vallen als het een tav moet zijn. Misschien moet ik de Amsterdamse uitspraak weer afleren, die tenslotte in de plaats waar ik nu woon niet de minhag hamokem is. Waarom heb ik dat trouwens niet al lang gedaan? Welnu, dat heeft te maken met het karakter van mijn woonplaats, Beitar Illit.

Beitar Illit is een gemeente ter grootte van Bussum, maar wat meteen opvalt is het grote aantal kinderen en het feit dat iedereen Joods is. Iedereen is ook orthodox, op zijn minst in theorie. Je zou verwachten dat er, met zoveel gelovigen, een paar hele grote synagogen staan, misschien niet van het formaat van de Grote Synagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (6000 plaatsen, een wereldrecord; je zal er maar opgeroepen worden, terwijl je net helemaal achterin gezellig zit te smoezen), maar toch niet onderdoend voor bijvoorbeeld de Synagogue de la Paix in Straatsburg (1600 plaatsen). In werkelijkheid zijn er meer dan 120 sjoels, variërend van tamelijk ruim (zo’n 300 plaatsen) tot zeer klein (hooguit 15), sommige gebouwd in steen en beton, maar de meeste uit lichte materialen opgetrokken noodgebouwtjes. Dat komt omdat men hier graag zijn eigen bedoeninkje heeft, niet alleen de Rachmastrivker, Sadigorer, Asjlager, Lelover, Erlauer en nog een stel andere soorten chassidim, maar ook Sefardim, Litvaks en Jemenieten van diverse schakering. Zelf ben ik één van de oprichters van een Jekkische sjoel, want die bestond nog niet. Ik verwacht nog verdere groei: er zijn vele tientallen andere chassidische stromingen die nog niet zijn vertegenwoordigd. Onder deze omstandigheden kun je één minhag hamokem wel vergeten.

Ook niet vertegenwoordigd in Beitar Illit zijn Asjkenazim van nationaal-religieuze overtuiging, anders bekend als religieuze zionisten (of als kipot s’roegot, “gehaakte keppels”), althans niet met een substantieel aantal en al helemaal niet met een eigen sjoel. Ik ben buiten mijn woonplaats her en der bij nationaal-religieuze sjoeldiensten geweest, waarbij ik kon constateren dat de uitspraak van de gebeden en van het laajenen (het voorlezen uit de Torah) die van het modern Hebreeuws was. Ik weet niet waar deze inlichting vandaan komt, maar ik heb op een webpagina van Wikipedia gelezen dat in de tijd dat deze stroming vorm kreeg, onder het Brits Mandaat en in de eerste jaren van de Staat, Asjkenazische religieuze zionisten van mening waren dat dát de minhag hamakom voor het hele land was, d.w.z. minhag Erets Jisraëel. Om dezelfde reden zouden zij zich houden aan de noesach Sefarad, de ook bij de meeste chassidim in zwang zijnde ritus in het gebed, die veel van de bewoordingen van het, laten we zeggen, échte Sefardische gebedenboek bevat. Ik vermoed dat er ook nog iets anders in het spel was. Religieuze zionisten waren niet op alijah gekomen om hier het religieuze leven van de Diaspora te reproduceren, zoals in feite in de vrome buurten van Jeruzalem, in Beitar Illit en elders wel het geval is, maar om voorwaarts te gaan met nieuw elan(4). Dat plaatst ze wereldbeschouwelijk dichter bij de seculiere zionisten, ook al waren en zijn ze wel degelijk orthodox, dan bij de inwoners van Beitar Illit en al die anderen die doorgaans worden aangemerkt als “ultraorthodox”. De ultraorthodoxen vinden trouwens religieus zionisme als zodanig kroemme dajes (kromme denkbeelden).

Zo komt het dat in de sjoels van Beitar Illit, behalve bij de Sefardim, niet de modern-Hebreeuwse, maar de in de betreffende sjoel van toepassing zijnde, traditionele uitspraak wordt gebezigd. Nu ben ik chossid noch litvak, pojlnisjer noch galitsjaner – maar in mijn Jekkische sjoel komt de traditionele Nederlandse uitspraak goed tot haar recht.

Bovendien is het leuk om te doen. Toen mijn dochter Shulamith nog op de middelbare school zat, bracht zij eens een stuk of vijf, zes klasgenoten mee voor sjabbos, allemaal Sefardische tienermeisjes. Toen ik op vrijdagavond kiddoesj maakte, leidde dat tot de ongegeneerde hilariteit waar ik al op gerekend had. Zoiets hadden ze nog niet eerder gehoord. Ik had dan ook de klinkers ou en ei, de sav en, niet te vergeten, de ngajin met nadruk gearticuleerd.

 

 

1 Aan die poster hadden wij het te danken dat we kennis maakten met de enige Joodse schoorsteenveger van Amsterdam, die dat waarschijnlijk voor zich had gehouden en gewoon zijn werk had gedaan, als hij die letters niet had gezien.

2 22e druk, Amsterdam, 1937. De 23e druk, 1960, is een ongewijzigde fotomechanische herdruk, met een nieuw voorwoord.

3 Zie over de keuze van de Sefardische uitspraak het hoofdstuk “Ashkenazi or Sephardi Dialect” in Benjamin Harshav, Language in Time of Revolution, Berkeley, 1993, pp. 153-166.

4 Deze trend zette zich ook buiten Israël voort, waar bijvoorbeeld het N.I.K. de modern-Hebreeuwse uitspraak adopteerde, getuige de 24e druk (Amsterdam, 1972) van inmiddels Aresjet sefatajim, waarin de Nederlandse gebruiksaanwijzing “thans naar de ‘Iwriet uitspraak getranscribeerd” is. Uitgerekend deze transcriptie is gebruikt in de Nederlandse vertaling van Jehoeda Brilleman’s Minhagee Amsterdam (Amsterdam, 2007), hoewel één van de minhagim luidt: “1.4.2 De letter ajin wordt uitgesproken als een ng, zoals in ons woordje tong” (p. 79). 




Voorbeeld van de Nederlandse gebruiksaanwijzing in de uitgaven van Aresjes sefosajim van 1937 en 1960

Dezelfde gebruiksaanwijzing in de uitgave van 1972

Pelikanen overal (deel 3)

Klik hier voor deel 1 en hier voor deel 2

Hoe was deze vergissing tot stand gekomen? J.S. da Silva Rosa was van mening dat van afgesleten koperplaten gedrukte ketoeboth-formulieren verwarring hadden gesticht tussen feniks en pelikaan: “de vlammen, die onduidelijk zijn afgedrukt, geleken zeer veel op jonge vogels en zoo kan dan (daar een jongen-voedende Feniks natuurlijk niet bestaanbaar is) het Pelikaan-symbool in de plaats zijn gekomen.” Ook Sigmund Seeligmann (1873-1940), de oprichter van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland, was overtuigd van een vergissing, die volgens hem te maken had met de pelikaan met jongen die voorkwam in de in houtsnede uitgevoerde titelversiering van een drietal uitgaven van Menasseh ben Israël, o.a. een choemasj (Pentateuch) uit 1631. “Later heeft men dezen pelikaan voor den denkbeeldigen phoenix gehouden, de houtresten en de asch voor de jongen of omgekeerd,” aldus Seeligmann. Maar het oorspronkelijk, het juiste symbool van de Portugezen was de feniks. “Uitgesloten is het, dat in dien tijd een Joodsche Gemeenschap, die de Katholieke gedachtensfeer juist wilde verlaten, een zuiver roomsch symbool zou hebben gekozen.”

Het lijkt me dat hier wel wat op valt af te dingen. De pelikaan stond later, in de woorden van A.J. Mendes da Costa, symbool voor “de zorg der Gemeente voor hare leden.” Dat is conform de algemene, niet-direct-Christelijke betekenis. Barmhartigheid en zorgzaamheid zijn daarentegen geen eigenschappen van de feniks, die alleen en enig in zijn soort is, en zich niet voortplant maar vernieuwt. Het zou daarom iemand moeten zijn opgevallen dat de pelikaan een andere vogel is dan de feniks uit het zegel.

Daar staat tegenover dat de vogels, even afgezien van vlammen die zouden zijn veranderd in jonkies, wel iets van elkaar weg hebben. Ik bedoel hier de oude feniks van het zegel en de ketoeboth, niet de nieuwerwetse van Fré Cohen, die fier omhoogkijkt, terwijl een omhoog stralende zon achter zijn kop staat, als een soort halo (wat dan toch weer iets katholieks heeft). De oude feniks heeft zijn kop omlaag gebogen, net als de pelikaan, die dat doet om zichzelf te verwonden. Bovendien is er een conceptuele gelijkenis. De pelikaan verwondt zich, niet om met haar bloed haar jongen te voeden, maar om deze opnieuw tot leven te wekken, zoals het oorspronkelijke verhaal in de Physiologus gaat. Het aspect van barmhartigheid, mededogen, zorgzaamheid of moederliefde dat daarbij voor den dag komt even daargelaten, hebben de pelikaan en de feniks gemeen dat ze allebei verwijzen naar techiat hametim, de wederopstanding der doden. Het jodendom is niet gegrondvest op dogma’s; niettemin is het dertiende en laatste punt op Maimonides’ lijstje van ikkarim (hoofdzaken) het onvoorwaardelijk geloof in de wederopstanding. En in de eerste misjnah van Perek HaChelek, het tiende hoofdstuk van traktaat Sanhedrin, staat dat wie zegt dat de wederopstanding van de doden geen deel uitmaakt van de Torah, geen aandeel zal hebben in de toekomende wereld. Techiat hametim is ook niet iets om per ongeluk te vergeten: joden zeggen elke dag, in elk van de drie dagelijkse gebeden, een lofprijzing die op een totaal van 56 woorden vijfmaal eraan herinnert dat G’d de doden weer tot leven brengt.


De feniks is afgebeeld op de titelpagina van de Primera, Segunda en Tercera parte del Sedur uit 1612, omgeven door een randtekst met de woorden Neve Salom (“Woning van Vrede”, de naam van de synagoge waarvoor de boeken gedrukt waren) en Mi Camocha. Dit laatste is een retorische vraag die onder iets andere redactie ook voorkomt in de zojuist genoemde lofprijzing, de tweede van het Staande of Achttiengebed: Mi chamocha... oemie domeh lach, melech memit oemechajeh...? (“Wie is als U..., wie is U gelijk, Koning die laat sterven en weer tot leven brengt...?”) Toch is naar mijn smaak de feniks niet helemaal toepasselijk als symbool van techiat hametim. Wederopstanding zit, bij wijze van spreken, in de natuur van het beestje, terwijl de wederopleving der doden (daar laat het Achttiengebed geen twijfel over bestaan) een zaak van G’d is en afhangt van Diens barmhartigheid. In dat opzicht voldoet het pelikaansymbool beter, waarin immers sprake is van zowel wederopstanding als barmhartigheid.

 

Op de penning die de parnassijns van de Portugees-Israëlitische gemeente in 1786 aan Petronella Moens en Adriana van Overstraten aanboden, stond misericordia, barmhartigheid, expliciet vermeld in een banderol boven de pelikaan. De dichteressen hadden een hervertelling van het verhaal van Esther uit Tanach geschreven, een geschiedenis die voor de Portugese joden nauw verbonden is met Mi chamocha – in dit geval de onder die naam bekende pijoet (liturgische zang) van Jehoeda Halevi (ca. 1075-1141), die volgens de Spaans-Portugese ritus wordt gezegd op Sjabbat Zachor, de sjabbat die voorafgaat aan Poerim. Deze pijoet is eveneens een hervertelling van Esther en dient kennelijk om in de stemming te komen voor Poerim, waarop Esther zoals dit boek is opgenomen in Tanach wordt gelezen. (In de geheel in het Spaans gestelde Primera parte del Sedur wordt de pijoet aangekondigd als Miccamochah de Rebi Yehuda Levi, waarna de vertaling volgt). De aanhef luidt: Mi chamocha – v’ein kamocha – mi domeh lach – v’ein domeh (“Wie is als U? – Niets is als U – Wie is aan U gelijk? – Er is niets aan U gelijk”), een duidelijke echo van de tweede lofprijzing van het Achttiengebed.

 

Zoals bekend, weet Esther de door Haman voorgenomen en door koning Achasjveros bezegelde uitroeiing van de joden in het Perzisch-Medische rijk te voorkomen. Met alle respect voor haar durf en zelfopoffering, treedt Esther op als werktuig van G’d, die in deze geschiedenis niet zozeer de (op een haar na, massaal gevallen) doden doet herleven, als wel de levenden doet overleven. Deze verschuiving komt tot uitdrukking in Halevis pijoet, die eindigt met een ander Mi chamocha: Mi chamocha ba-elim Hasjem (“Wie is U gelijk onder de machtigen, Eeuwige!”) Dit andere Mi chamocha is onderdeel van een vers (Ex. 15:11) in het Lied van Mozes aan de Schelfzee (Ex. 15:1-18), waar het een verheugde reactie is op de wijze waarop G’d afrekent met de vijanden van het joodse volk, i.c. de farao en zijn leger, die het achtervolgen na de uittocht uit Egypte. In deze context komt dit specifieke Mi chamocha eveneens drie keer daags voor in onze gebeden. 

Volgens Limor Mintz-Manor is het dit triomfantelijke Mi chamocha waaraan de randtekst van de feniks refereert, vandaar de voor de hand liggende betekenis van de in Amsterdam als het ware uit de as van de brandstapels van de Inquisitie herrezen Spaans-Portugees-joodse gemeenschap. De bij de Schelfzee voltooide verlossing uit Egypte is een levende, een levend gehouden herinnering, waarmee gelijksoortige gebeurtenissen vergeleken worden. Jehoeda Halevi eindigt zijn weergave van hoe de joden in het Perzische rijk de overhand krijgen met een parafrase van het Lied aan de Schelfzee. Limor Mintz-Manor citeert een aantal individuele marranen die de toevlucht die zij in Amsterdam vonden en de mogelijkheid om daar opnieuw een Portugees-Israëlitische gemeenschap op te bouwen, in geschrifte uitdrukten als een uittocht uit Egypte. Ik ben zelf meer geneigd te zeggen dat het Mi camocha uit de randtekst van de feniks een citaat is uit (of, in ieder geval, eveneens refereert aan) de tweede lofprijzing van het Achttiengebed, die zo nadrukkelijk wederopstanding tot onderwerp heeft, de specialiteit van het fabeldier.

Wederopstanding – niet hier en niet nu, maar ooit – in plaats van een dreiging te boven komen of zelfs het vieren van een triomf past beter bij het pelikaansymbool. De pelikaan die haar jongen doodt en vervolgens met haar eigen bloed weer tot leven wekt, belichaamt de tragiek van de na 1492 in Spanje en Portugal achtergebleven, onder dwang gedoopte joden, die als “Nieuwe Christenen” onder argwanend toezicht van de Inquisitie staan. Stiekem vasthouden aan het jodendom kon, als het uitkwam, iemand gemakkelijk zijn leven kosten, maar er was ook de belofte van techiat hametim voor diegenen die het, ondanks alles, toch niet de rug toekeerden en hun hoop vestigden op G’ds barmhartigheid. Kortom, de moederpelikaan stelt het ondergrondse Spaanse en Portugese jodendom voor, de kleintjes zijn de “Nieuwe Christenen”.

 Nu zult u zich misschien afvragen: hoe kom je dáár nu bij, dat die pelikaan dit moet verbeelden? Toegegeven, het is puur speculatie, maar wel speculatie binnen zekere grenzen. In Secrecy and Deceit, The religion of the Crypto-Jews (Philadelphia, 1996) wijst David Gitlitz erop, dat de Spaanse en Portugese “Nieuwe Christenen” al na één generatie hun greep op het jodendom verloren hadden. Kennis van het Hebreeuws vervloog, evenals die van de halacha (de joods-wettelijk verplichte gang van zaken); de gebeden raakten door geheime, mondelinge overlevering hun vaste vorm kwijt. Daarvoor in de plaats gaven de “Nieuwe Christenen” een noodgedwongen persoonlijke inhoud aan wat ze meenden dat joods was die, als het zo uitkwam, een Rooms-katholieke vorm kon hebben. Ik stel me voor dat net zo’n beeldje van de pelikaan met haar jongen als hetgeen dat nu in Amsterdam boven de spiegel in de ma’amad hangt, ooit vroeger bij iemand thuis in Portugal heeft gehangen. De Inquisitie kon daar onmogelijk bezwaar tegen hebben, maar het betekende iets anders dan zij dachten.

Bovendien wordt de hier gegeven interpretatie niet gehinderd door een andere, vaststaande betekenis van het symbool binnen de Portugees-Israëlitische gemeente. Secretaris A.J. Mendes da Costa, hierboven geciteerd, herhaalde slechts de algemeen beschaafde betekenis van het dier, als zodanig al bekend uit 17e-eeuwse embleemboeken, en met een gemakkelijk te negeren Christelijk kantje. Veelzeggend is een ingezonden brief van een zekere B.S.O. in het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 6 februari 1874. De briefschrijver deelt mede dat hij graag te weten zou willen komen, via het NIW, wanneer en “met welk oogmerk” het wapen met de pelikaan door “onze gemeente ‘Talmoed Thora’” is gekozen. Nog veelzeggender misschien is dat een antwoord, althans in de kolommen van het NIW, uitblijft. 


Rest de vraag of Joseph Mendes da Costa inderdaad de maker is van het pelikaanreliëf boven het poortje naar de Snoge in de Muiderstraat. In het maandblad Amstelodamum van juni 1936 beweert A.M. Vaz Dias dat dit inderdaad het geval is. Het poortje dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw en het “daarop afgebeelde pelikaan-embleem is een jeugdwerk van den vermaarden beeldhouwer dr. J. Mendes da Costa.” Jaap Meijer neemt in 1948 deze toeschrijving over in een van zijn artikelen in de serie “Het verdwenen ghetto” in het NIW, en sindsdien is deze geperpetueerd in tal van artikelen waarin de naam van de beeldhouwer valt. Daar staat tegenover dat een bericht uit januari 1915, door het NIW overgenomen uit het Algemeen Handelsblad, weliswaar op gezag van A.J. Mendes da Costa vermeldt dat “het wapen boven den ingang... daar eerst enige tientallen jaren geleden is aangebracht”, maar de toeschrijving aan Joseph Mendes da Costa achterwege laat. Zou hij misschien pas later het beeldhouwwerk op zijn conto gekregen hebben, nadat hij zoveel echte Roomse pelikanen had gehakt?

 Hier bereiken wij de grens van wat iemand die nabij Jeruzalem woont en af en toe, niet ongelijk Jacob Israël de Haan, met zijn gedachten bij Amsterdam verwijlt, online kan achterhalen. Om het antwoord te vinden op de vraag wie de sculptuur in de Muiderstraat gemaakt heeft, zou iemand zich in persoon naar het Stadsarchief moeten begeven, waar ook de uitgebreide archieven van de Portugees-Israëlitische gemeente zijn ondergebracht. Als je daar dan toch bent, zou je ook eens kunnen kijken of er iets te vinden is over die pelikaan boven de spiegel in de ma’amad. Waar komt die vogel vandaan en wanneer is ze in de ma’amad terecht gekomen? Had iemand het beeldje misschien meegenomen uit Portugal?



(foto: Doriann Kransberg, Stadsarchief)

Pelikanen overal (deel 2)

Lees eerst deel 1

Het is niet alleen de sculptuur in de Muiderstraat die een wenkbrauw doet rijzen. De Portugees-Israëlitische gemeente heeft in de 19e en 20e eeuw gedurende geruime tijd een wapen gevoerd met daarin de pelikaan. Van dit wapen is sprake bij de viering van het tweehonderdjarig bestaan van de Esnoga (Portugees-Israëlitische Synagoge, meer familiair: Snoge) in 1875, getuige een verslag daarvan in de krant: “Boven de fraaie cederhouten kast, die tot bewaarplaats strekt voor de wetsrollen, verhief zich een prachtige fluweelen tropee, met de wapens der kerk (een pelikaan met zijne jongen), en die van Nederland en van Amsterdam.” Ter gelegenheid van dit jubileum werd ook een gedenkpenning geslagen, in zilver, brons en tin, die het wapen met de pelikaan afbeeldt.

Vijftig jaar later, bij het volgende grote jubileum, maakte een vergulde pelikaan deel uit van de bloemenpracht op het voorplein van de Esnoga. In hetzelfde jaar 1925, uiteraard met het oog op het jubileum, kreeg de ma’amad, de kerkeraadskamer in de bijgebouwen van de Esnoga, een opknapbeurt. Jacob de Casseres, die een meubelzaak had in Beverwijk, leverde nieuwe stoelen, “waarvan één het rijk gebeeldhouwde wapen der Gemeente” droeg, aldus het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 31 juli 1925.

Plantage Franschelaan

In deze periode valt het pelikaanreliëf in de Muiderstraat, alsmede een soortgelijk reliëf boven een poortje behorend tot het in 1916 door Harry Elte (1880-gedeporteerd) gebouwde Portugees-Israëlitische Ziekenhuis in de Plantage Franschelaan (thans H. Polaklaan; het reliëf is later geïncorporeerd in een nieuw, tegen het voormalige ziekenhuis aangebouwd perceel). Er zijn ook andere voorbeelden uit die tijd, zoals een geborduurde Torah-mantel uit 1881, een lithografie naar een tekening van D.S. Sealtiël uit 1922, en een prentbriefkaart gedrukt n.a.v. het jubileum in 1925. Wie goed zoekt zal nog wel meer Portugese pelikanen vinden. Het (voor zover ik weet) laatste gebruik van het wapen dateert uit 1927, als de Nederlands- en Portugees-Israëlitische kerkgenootschappen te Amsterdam burgemeester Willem de Vlugt een bureau-ministre, een proeve van fraai gedecoreerd schrijnwerk met de wapens van Amsterdam, het Rijk, en de twee joodse gemeentes, ten geschenke geven voor diens in dat jaar in gebruik genomen ambtswoning.


bureau-ministre (foto: Coert Krabbe)

Het gebruik van de pelikaan met haar jongen als embleem dateert echter al van vóór 1875. Volgens A.J. Mendes da Costa (1870-1943) kwam de pelikaan al voor in de 18e eeuw, zij het niet vóór 1743. Hij had, kennelijk in zijn functie als secretaris van de Portugees-Israëlitische gemeente, een stempelafdruk met het dier gezien op een geschrift uit dat jaar. Mogelijkerwijs dateren twee vleesloodjes met de beeltenis van de pelikaan uit de 18e eeuw. Vinder Pieter de Beuk trof ze aan, naar eigen zeggen, in 18e-eeuwse stortlagen op Wittenburg (een van de Amsterdamse Oostelijke Eilanden, niet ver van de Esnoga).

Vleesloodjes (foto: Pieter de Beuk)

Misschien is ook het beeldhouwwerkje boven de barokke spiegel in de ma’amad, waarop rabbijn Hans Rodrigues Pereira z.l. me attent maakte, uit die tijd. Er is in ieder geval een gouden penning met de datum 1786, door de parnassijns van Esnoga als dankbetuiging overhandigd aan Petronella Moens en Adriana van Overstraten. Beide dichteressen hadden hun berijmde hervertelling van het Poerimverhaal, Esther, in Vier Boeken (Haarlem, 1786), opgedragen aan de parnassijns van zowel de Portugese als de Hoogduitse Joodse naties.


Het is eigenaardig, maar het lijkt erop dat ze in het verleden bij de Portugees-Israëlitische gemeente, voorheen Kahal Kadosh de Talmud Torah, te Amsterdam, niet precies wisten wat nu eigenlijk hun embleem was. Op het oude zegel van de gemeente (Sello do K.K. de T.T. de Amsterdam, aldus de randtekst) stond althans geen pelikaan, maar een feniks.

Deze feniks kwam al voor op de titelpagina’s van een Amsterdamse, Spaanstalige siddoer (gebedenboek) in drie delen, toepasselijk Primera, Segunda en Tercera parte del sedur getiteld en in 1612 door Yshac Franco alias Francisco Mendes Medeiros gedrukt ten gerieve van Neve Salom, een van de drie kortstondige Amsterdamse snogetjes die in 1639 zouden opgaan in de K.K. de T.T. Het is dezelfde feniks, met gespreide vleugels, onder een stralend zonnetje en te midden van een flinke rookontwikkeling, al is die op het latere zegel met veel minder detail weergegeven.

Maar net als de pelikaan, heeft ook de feniks een Rooms-katholieke betekenis. Volgens de Physiologus is de herrijzenis uit de as, een proces dat drie dagen in beslag neemt, een symbool van de wederopstanding van Jezus, die ook drie dagen geduurd zou hebben. Een afbeelding van de feniks, uitgevoerd in mozaïek, is bijvoorbeeld te vinden in de Amsterdamse St. Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade, en wel op een prominente plaats: aan de voorzijde van het uit 1889 daterende hoogaltaar, zij aan zij met nota bene een mozaïek van de bloedvoedende pelikaan. Daar staat tegenover dat het fabeldier al voorkomt in Tanach, onder de naam chol en als symbool van een lang leven (Job 29:18). De wedergeboorte van de vogel uit zijn eigen stoffelijk overschot is bovendien op zichzelf een sterk beeld met brede toepassing. De feniks zou het oorspronkelijke embleem van de Portugese joden zijn geweest, aldus J.S. da Silva Rosa (1886-gedeporteerd), bibliothecaris van de bibliotheek Ets HaimLivraria Montezinos. “Het symbool van den Phoenix: de Joodsche Gemeenschap, die na haar ondergang in Spanje en Portugal op Amsterdams gezegenden bodem als het ware uit haar asch is herrezen, spreekt veel duidelijker dan het Katholieke symbool der Pelikaan.” Verder herinnerden vuur, rook en as de Portugezen die naar Amsterdam kwamen om openlijk hun jodendom te belijden aan de vervolging waaraan zij ontsnapt waren. Inzake het embleem op de titelpagina van de Segunda parte del Sedur merkt de webpagina van de bibliotheek Ets Haim op dat dit een feniks is “die uit de as van de brandstapels van de inquisitie oprijst.”

De feniks is als embleem slechts langzaam verdwenen, gegeven het feit dat voor een periode van bijna honderd jaar, ingaande met het jaar 1738, de gemeente voor het uitschrijven van ketoeboth (huwelijkscontracten) vellen papier en perkament gebruikte met d.m.v. kopergravure voorgedrukte randversiering, waarvan een medaillon met de feniks deel uitmaakte. Ook na de periode tussen 1875 en 1927, waarin de pelikaan zich zo duidelijk manifesteerde, is de feniks niet verdwenen. In de jaren 1930 en 1931 verscheen er voor korte tijd een orgaan van de Portugees-Israëlitische gemeente, uitgerekend onder de titel De Phoenix (met een gestileerd embleem van Fré Cohen).

Volgens de Israëlische historica Limor Mintz-Manor, die een geleerd artikel over de Portugese feniks heeft geschreven, is deze vogel, en niet de pelikaan, het huidige symbool van het kerkgenootschap. Nu betekent dat niet dat er heden ten dage een vlag met de feniks op de Snoge staat te wapperen, maar er zijn wel nieuwe voorbeelden van het gebruik van de feniks te vinden. Toen de gemeente bij het driehonderdjarig bestaan van de Snoge in 1975 een kleed voor de ma’amad ten geschenke kreeg, was dit gedecoreerd met de feniks. En ook het gemeenteblaadje dat sinds 2001 verschijnt, heet opnieuw De Phoenix. Het is alsof er iets is rechtgezet. Volgens sommige ter zake kundigen zou immers het hele gebruik van de pelikaan in het Portugese wapen onjuist zijn en berusten op een, overigens reeds lang geleden gemaakte, vergissing, een abusievelijk verruilen van de feniks voor de pelikaan.


(Wordt vervolgd)

Pelikanen overal (deel 1)

 

Wat is nu geen vak voor een joodse jongen? Agent van politie, uiteraard. Balletdanser. Ook beeldhouwer hoort naar mijn smaak op het lijstje van onjoodse beroepen. Niet dat er geen joodse beeldhouwers zijn. Je had ze al meer dan honderd jaar geleden, bijvoorbeeld Mark Antokolski (1843-1902) in Rusland en Jacob Epstein (1880-1959) in Engeland. Tot de belangrijkste werken van de laatste behoren Christ in Majesty (1957) in Llandaff Cathedral, Cardiff, St. Michael’s Victory over the Devil (1958) aan de gevel van de kathedraal van Coventry, alsmede een Madonna and Child (1927), thans in de Riverside Church, New York, een thema waarnaar Epstein terugkeerde ten gerieve van het Convent of the Holy Child in London (1953) – en dat allemaal zonder daadwerkelijk te sjmadden! Een verzachtende omstandigheid is dat afgodendienaren nu eenmaal grotere afnemers van beeldhouwwerken zijn dan, zeg, de filialen van de Britse United Synagogue of die van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Het is een simpel marktmechanisme; je kunt ook weinig tuinkabouters kwijt aan de bewoners van een torenflat. Maar je hebt hier wel de reden, waarom beeldhouwer geen joods beroep is.

De Amsterdammer Joseph Mendes da Costa (1863-1939) was een iets oudere tijdgenoot van Epstein en eveneens beeldhouwer. In Amsterdam kun je tal van zijn werken langs de openbare weg aantreffen, en het Joods Historisch Museum bezit zijn bekende beeldje Geschiewes (1902), één van een serie kleine terracottabeeldjes die Mendes da Costa rond 1900 maakte van ‘Joodse volkstypes’ – een onderwerpskeuze waarop niets valt aan te merken. Maar daar staat tegenover dat Mendes da Costa ook beeldjes gemaakt heeft – letterlijk heiligenbeelden – van St. Anna en St. Franciscus van Assisi. Tevens is hij de maker van een rond reliëf in zandsteen in de gevel van de R.K. Hofkerk in de Amsterdamse Watergraafsmeer, voorstellende een pelikaan die haar jongen, drie in getal, voedt met haar eigen bloed, een zinspeling op het bekende lijden en de zelfopoffering van Jezus.

Via de pastoor van deze Hofkerk kwam ik erachter dat Mendes da Costa eveneens een rond reliëf van een pelikaan – in feite precies dezelfde voorstelling – had gemaakt voor het kantoorgebouw van de Alkmaarse verzekeringsmaatschappij Hooge Huys. De suggestie is niet dat verzekeraars, net als die kleine pelikaantjes, bloedzuigers zijn; integendeel, de verzekeraar in kwestie vergelijkt zich met de moederpelikaan, het symbool van zich opofferende naastenliefde. Als zodanig is het Alkmaarse reliëf een mooi voorbeeld van in steen gehouwen gotspe.

Zowel de Hofkerk als het kantoor van Hooge Huys zijn ontworpen door A.J. Kropholler (1881-1973), de architect die zoveel baksteen in zijn ontwerpen deed. Na enig heen- en weergeklik op het Internet vond ik nog twee Roomse kerken, ook al ontworpen door Kropholler, die worden gesierd door een pelikaanreliëf van Mendes da Costa. Dankzij Google Streetview kon ik vaststellen dat het reliëf aan de gevel van de O.L. Vrouwe van Lourdeskerk in Scheveningen niet verschilt van Mendes da Costas pelikanen in Amsterdam en Alkmaar. De H. Antonius Abtkerk in Rotterdam is in 1973 afgebroken, maar een foto in het Rotterdamse Gemeentearchief toont aan dat hier eveneens sprake was van precies dezelfde pelikaan – met als enige variatie dat het reliëf hier aan een binnenmuur was bevestigd.


Amsterdam

Alkmaar

Rotterdam

Kropholler, katholiek uit overtuiging, heeft nog diverse andere kerken gebouwd. Ik weet niet of Mendes da Costa daarvoor nog een paar pelikaanreliëfs op voorraad had. Iemand die wil promoveren in de kunstgeschiedenis zou dat eens uit kunnen zoeken en daarbij tevens een antwoord geven op de vraag, welk reliëf nu het eerste en originele was. Om het geheel een beschouwend tintje te geven, zou de promovendus ook iets kunnen zeggen over het gewicht van originaliteit in i.c. de beeldhouwkunst. De volgende pastoor die bij Kropholler kwam om een nieuw gebouw voor zijn O.L. Heer Gespijkerd aan het Houtkerk of O.L.V. van het H. Kruis wilde misschien helemaal geen origineel reliëf, maar net zo’n pelikaan als hij had gezien in Amsterdam, Rotterdam of Scheveningen. (Waarop Kropholler dan kon zeggen: nou dat treft, eerwaarde, ik ken toevallig een jodenman die ze kan leveren.)


Het in 1963 afgebrande pand van C&A aan het Damrak, voorheen
de huisvesting van een levensverzekeraar

Het feit dat Mendes da Costa hetzelfde pelikaanreliëf gemaakt heeft voor zowel een paar Roomse kerken als een levensverzekeraar, wijst op de rek die in de betekenis van het symbool zit. De vroegste geschreven bron waarin de pelikaan verschijnt, althans één die nog bestaat, is de Physiologus, een vroegchristelijke, in Alexandrië in het Grieks opgeschreven tekst (2e eeuw), die een moraliserende zin verleent aan de echte en vermeende eigenschappen van werkelijk bestaande en fabeldieren – het maakt de anonieme auteur allemaal niet uit. De moederpelikaan, aldus de Physiologus, zou de onhebbelijkheid hebben om haar jonkies dood maken als die te druk worden in het nest (in andere, latere versies staat de vaderpelikaan aansprakelijk; deze zou uit jaloezie handelen). Na drie dagen krijgt ze echter medelijden en wekt ze de lijkjes tot leven door haar eigen bloed over ze uit te storten, waarmee ze het voortbestaan van de familie waarborgt. Het is mogelijkerwijs dit aspect dat levensverzekeraars aanspreekt; zij doen als het ware hetzelfde, door uit te keren bij overlijden. M. Boas wijst in een artikel in het maandblad Amstelodamum, juni 1936, op drie Amsterdamse gebouwen, alle van oorsprong levensverzekeringskantoren, die een pelikaan (“blijkbaar als symbool van ouderzorg”) aan hun gevel hebben. Eén daarvan is een in 1963 afgebrand pand aan het Damrak (op dat moment van het kledingbedrijf C&A), een ontwerp van Berlage.

Ook het Nederlandse Rode Kruis heeft het pelikaansymbool gebruikt. Het medelijden en de barmhartigheid die de moederpelikaan kenschetsen zijn uiteraard eigenschappen die de organisatie ook zichzelf graag toeschrijft, maar het gaat hier vooral om het bloed dat zij laat vloeien. Zo komt de pelikaan, met nadrukkelijk bebloede borst, voor op een postzegel van 4 cent ter ere van het Rode Kruis uit 1957, alsmede op een vooroorlogs aanplakbiljet van de Bloedtransfusiedienst. Wie in jaren dertig vijfmaal bloed afstond, ontving van het Rode Kruis een penning ten geschenke, met daarop eveneens onze pelikaan. Het Joods Historisch Museum heeft een exemplaar van deze penning in de collectie; op de andere kant staat de beeltenis van prof. dr. Karl Landsteiner, een om zijn onderzoek van het bloed bekende Oostenrijkse medicus, en een gesjmadde jood – vandaar zeker.

Voorts staat de pelikaan voor medelijden, barmhartigheid, zorgzaamheid en naastenliefde in het algemeen. In die betekenis maakt de vogel deel uit van het Wertheimmonument in het Amsterdamse Wertheimpark (het kapiteel van de zuil op de fontein, waar de pelikaan de plaats inneemt van acanthusbladeren). A.C. Wertheim (1832-1897) was geen levensverzekeraar, maar bankier en politicus – alsmede “der armen hulp, der zwakken staf, der menschheid vriend”, zoals op zijn eigen monument staat te lezen.

Niettemin is de pelikaan toch vooral een Christelijk symbool. De Physiologus laat daar geen twijfel over bestaan, als de tekst erop wijst, dat de mensheid door de zondeval ten dode zou zijn opgeschreven, ware het niet dat Jezus “ons door zijn dood aan het kruis met zijn bloed tot het eeuwige leven gewekt heeft” (ik vertaal hier naar de Duitse vertaling van Friedrich Lauchert). De pelikaan is dan ook aan tal van kerken te zien is, alleen al dankzij de inspanningen van Mendes da Costa. Nu heeft Mendes da Costa, althans dat is de gangbare mening, nóg een pelikaanreliëf vervaardigd, dat boven een poortje zit in de Muiderstraat te Amsterdam. Dat is merkwaardig, want dat poortje leidt niet naar een kerk of naar een verzekeringsmaatschappij, maar naar de Portugees-Israëlitische Synagoge. Wat moeten de Portugese joden nu met zo’n Christelijk symbool?



Muiderstraat
(wordt vervolgd)