Posts tonen met het label Jeruzalem. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jeruzalem. Alle posts tonen

Biografie

 

Een biografie, zo stel ik mij voor, zou idealiter een volledig beeld moeten geven van de gehele levenswandel en het totaal van de opvattingen, daden en gedragingen van de beschreven persoon, in hun ontwikkeling en onderlinge samenhang. Ik heb wel eens een biografie gelezen die hieraan voldeed, over een grote rabbijn uit het verleden, die niet veel anders deed, zover ik mij uit dat boek herinner, dan leren, het bestuderen van de Joodse wet – tenzij het strikt noodzakelijk was om bijvoorbeeld te vluchten voor de kozakken. Met dat leren was hij al als kind begonnen en daarmee ging hij door tot hij overleed op hoge leeftijd. Dit was heel deze mens, las ik, ten voeten uit. Die voeten stak hij trouwens ’s avonds in een teiltje met koud water, om zich tijdens het leren wakker te houden.

Op zo’n levensvervulling is niets aan te merken, integendeel. Torah leren is de belangrijkste mitswa, een plicht die tegelijk een voorrecht is. Ooit werd mij ten kantore van een zeer orthodoxe organisatie in Jeruzalem waarvan ik iets moest, gevraagd wat ik zoal uitvoerde. Ik zit en leer, antwoordde ik, op dat moment grotendeels naar waarheid en ook een beetje om van de vragensteller af te zijn. Dan heb je niet alleen de komende wereld, zei de man, die zelf op kantoor moest werken, dan heb je ook déze wereld. Maar zo’n levensverhaal, om op die rabbijn terug te komen, levert niet zulke boeiende lectuur op, nog afgezien van de omhaal van woorden in het betreffende boek (het had een stuk dunner kunnen zijn). Je kunt het vergelijken met een mooi maar toch wat effen behangetje dat de wanden van kamer na kamer bedekt. Een enkel druk schilderij in bonte kleuren en met felle contrasten is interessanter om naar te kijken.

Soms werkt het onderwerp van een biografie niet zelf mee. In het levensverhaal van Jacob Israël de Haan (1881-1924) ontbreken de gehele mens, de geleidelijke ontwikkeling en de samenhang. De Haans laatste biograaf, Jan Fontein, geeft dan ook niet meer dan de samenstellende delen, of liever, de conflicterende brokstukken van diens leven en plaatst ze onder één noemer die meteen de titel is van zijn boek: Onrust (2015). Met de Haan was altijd wat en telkens wat anders. Abel Herzberg, die de Haan persoonlijk kende, vatte het bondig samen: “Hij was dus eerst socialist, toen werd hij zionist, dat was ook niet goed. Toen sloot hij zich aan bij de vrome zionisten, de Mizrachie, maar die wilden hem evenmin. Toen is hij naar Israël gegaan, volgens mij niet zozeer uit zionistische overtuiging, maar eenvoudig omdat hij het hier niet meer uithield. In Israël is hij bij de hele vromen terechtgekomen, bij de antizionisten, en daar heeft hij met Arabieren aangepapt.” En dat was dan nog alleen maar de Haans ontwikkeling, aldus Herzberg, “op sociaal-politiek gebied” (geciteerd in Ph. Bregstein en S. Bloemgarten, Herinnering aan Joods Amsterdam, 4e druk, Amsterdam 1999, p. 281-2). Een dergelijke onrust heeft wel als voordeel dat eenieder, als dat zo uitkomt, zijn of haar eigen de Haan kan kiezen, of het nu erom gaat om hem met een versregel (“Naar vriendschap zulk een mateloos verlangen”) voor een bevolkingsgroep te laten spreken of om voor anderen tot lichtend voorbeeld te dienen. Zulks gaat dan wel met veronachtzaming van ’s mans andere, tegenstrijdige facetten.

Zelf heb ik in een artikel voor het Amerikaans-Israëlische orthodoxe weekblad Mishpacha de nadruk gelegd op de Haan als prozaschrijver – niet van Pijpelijntjes, maar van de stukjes die hij vanuit Jeruzalem schreef voor het Algemeen Handelsblad. Ik heb er zelfs eentje in het Engels vertaald (“The dark well”). Het was mijn bedoeling om enigszins het beeld te corrigeren, of in ieder geval aan te vullen, dat in de orthodoxe, en vooral de ultraorthodoxe wereld van de Haan bestaat. Hij is daar nog steeds bekend en staat in goede reuk als de man die, hoewel als zionist op alijah gekomen, zich vervolgens tegen het zionisme had gekeerd en met raad en daad de zijde van de antizionistische Jeruzalemse ultraorthodoxie had gekozen, met name in de gestalte van rabbijn Chaim Josef Sonnenfeld, en om die reden was vermoord. Daarmee werd de Haan een martelaar (die term wordt letterlijk gebruikt) van zeg maar gerust het ware geloof, alsmede een lichtend voorbeeld. Dat is niet de gehele de Haan, uiteraard, maar wel het enige wat van de man van belang is, zelfs het enige dat genoemd mag worden. Om de op deze wijze afgeschaafde, ultraorthodoxe biografie toch wat meer substantie te geven, heeft men er wat curieuze details aan toegevoegd, die bij Fontijn ontbreken. “Professor” of “rabbijn” De Haan zou “een graag geziene gast in Europese regeringskringen en in de hoogste kringen der maatschappij” zijn geweest, daartoe niet alleen in staat gesteld omdat hij vloeiend zou zijn geweest in maar liefst 22 talen. Hij was tevens gezegend “met groot persoonlijk charisma en buitengewoon vaardig in het smeden van sterke persoonlijke vriendschappen”. Zijn band met koningin Wilhelmina zou zo sterk geweest zijn dat hij, toen hij op alijah ging, Nederland per trein verliet, gezeten in het pluche van het koninklijk rijtuig. Dit staat allemaal te lezen in een boek over genoemde rabbijn Sonnenfeld, Guardian of the City (1983) en is ook in andere vrome boeken en artikelen nagepapegaaid. 

Zoals gezegd, Mishpacha is een orthodox weekblad, behoorlijk orthodox, maar toch weer niet zó dat de redactie geen toegang heeft tot het internet (hoe strenger de rabbijnen, hoe meer ze daartegen gekant zijn). Ik had mijn artikel al ingeleverd, toen iemand van de redactie me belde. Of ik wist dat de Haan misschien wel homoseksueel was geweest. Ze was daar zelf dankzij Google achter gekomen. De redactie vroeg zich nu af of zij mijn artikel wel moesten plaatsen. Nu had ik daar hard aan gewerkt, met name aan die vertaling. Ik besefte dat het niet het moment was om het fun fact naar voren te brengen van die versregel uit het sonnet “Aan eenen jongen visscher” op het homomonument in Amsterdam. Om de publicatie van mijn artikel te redden nam ik aan de telefoon mijn toevlucht tot iets dat a) misschien wel waar was, in ieder geval ten dele, en waarop b) geen weerwoord mogelijk was.

Jawel, zei ik, maar hij heeft tesjoeva gedaan. 

Tesjoeva, te vertalen, zo ongeveer, met berouw of inkeer, is een krachtig iets. Zelfs als iemand zijn hele leven als een slecht mens heeft geleefd, maakt inkeer op het einde alles goed, staat er te lezen in de Babylonische Talmoed (BT) in traktaat Kiddoesjin (40b). Het is dan ook nooit te laat, zolang je nog maar tijd genoeg hebt om berouw te hebben, oprecht berouw, van wat voor die tijd hebt uitgespookt. “Kom tot inkeer één dag voor je dood,” aldus onze Wijzen (BT Sjabbat 153a, Misjna Pirkei Avot 2:10). Nu moet je dat niet uitstellen om eerst nog even een kraak te zetten of te seideren met vier glazen bier. Je weet nooit wanneer de bijl valt. Daarom wordt aanbevolen het zekere voor het onzekere te nemen, en elke dag tot inkeer te komen – “misschien ga je morgen wel dood” (BT Sjabbat 153a).

Daar staat dan weer tegenover dat je jezelf niet moeten vertrouwen tot de dag van je dood (Pirkei Avot 2:4). Je kunt namelijk ook een rechtschapen leven geleid hebben, maar alles op het laatste moment verpesten door één zonde. R. Ovadiah uit Bertinoro (“de Bartenoera” in ons jargon, 1445-1515) verwijst in zijn commentaar bij Pirkei Avot 2:4 naar BT Berachot 29a, naar het verhaal van Jonathan de Hogepriester, die maar liefst tachtig jaar diende in het hogepriesterschap, maar op het laatst een Sadduceeër werd, hetgeen in zeer vrome, talmoedisch onderlegde kringen nóg erger is dan homoseksueel. 

De Haan, die tesjoeva had gedaan, werd op 30 juni 1924 vermoord, zodat op de vraag of hij in de schoot van de ultraorthodoxie eindelijk tot rust zou zijn gekomen, geen antwoord bestaat. Stel dat hij tijd van leven had gehad om ook met rabbijn Sonnenfeld in onmin te raken, of met de Arabieren waarmee hij had aangepapt (Herzberg: “... als hij niet door Joden was doodgeschoten, dan zou hij een jaar later wel door Arabieren doodgeschoten zijn”), hoe zou het dan met de Haan zijn tesjoeva verder zijn gegaan? Jonathan de Hogepriester had gewoon pech, zou je kunnen zeggen. Hij ging net te laat dood – Jacob Israël de Haan daarentegen, vanuit ultraorthodoxe en misschien ook wel talmoedische optiek, net op tijd. Hij zal het misschien op het moment zelf niet zo op prijs gesteld hebben, maar in feite, nog steeds vanuit diezelfde optiek, hadden de zionisten, in de persoon van Avraham Tahomi, die de fatale schoten loste, de Haan een goede dienst bewezen. 

Graf van de Haan, Olijfberg, Jeruzalem

Bouwactiviteit

Als ik vanachter mijn schrijftafel naar buiten kijk op de heuvels van Judea, dan wordt mijn blikveld beperkt door de dikke muur waarin het raamkozijn is gevat. Ik kijk schuin aan tegen 40 cm natuursteen, minus kozijn (ik ben net opgestaan om dat te meten). In Jeruzalem, hier niet ver vandaan, is in de bouw het gebruik van deze, hier in de omgeving gewonnen kalksteen (even jeroesjalmit in het Hebreeuws, Jeruzalemsteen) al sinds 1918 verplicht, sinds Ronald Storrs, de Britse gouverneur van Jeruzalem e.o. zulks verordende. Ook in mijn woonplaats Beitar Illit is deze verordening van kracht. Je vraagt je af hoe het komt dat er nog heuvels in Judea over zijn, met de verwoede bouwactiviteit in dit land, en met zulke dikke muren. Het antwoord is gelegen in het gehalte aan nep in de plaatselijke architectuur.

In mijn huis, opgeleverd in 2000, is het gehalte aan nep, wat betreft de buitenmuur, ongeveer 80%. De muren van mijn huis zijn opgetrokken, deels uit beton, deels uit blokkim, grote, holle betonnen bouwelementen. Het aanzien van natuursteen is het resultaat van de tegen deze muren aangeplakte, rechthoekige stukken kalksteen van slechts 5 cm dik – dikker dan fineer op goedkope meubelen, maar niet dik genoeg om zelfstandig omhoog te blijven staan. (Overigens heb ik bij verbouwingen hier in Beitar Illit wel gezien dat de bouwvakkers eerst een paar rijen van deze natuurstenen platen op elkaar zetten, om daar vervolgens, van binnenuit, de betonblokken tegen aan te metselen).

Het was Ronald Storrs om de welstand begonnen. De plaatselijke kalksteen kleurt immers zo mooi bij zonsop- en zonsondergang – Jeroesjalajim sjel zahav, Jeruzalem van goud, zoals Naomi Shemer het bezong. Het gebruik van deze steen sluit ook aan bij de oude, nog bestaande architectuur, wat niet het geval zou zijn met grijs beton waarin je de sporen van de bekisting nog ziet, of constructies van zwart staal en blauw glas. 

Bovendien geeft de combinatie van beton en aangeplakte natuursteen een creatieve vrijheid die een architect bij werkelijk traditionele bouw niet zou hebben. Een interessant voorbeeld daarvan staat hier bij mij in de straat, de synagoge die behoort tot de jesjieva van rabbijn Chaim Ackerman (officieel Beit Hamidrash Yona Menachem z.l. Rennert, overeenkomstig de wens van de grootste geldgever). De architect heeft voor de ingang van deze synagoge van een traditionele boogvorm – inclusief sluitsteen – gebruik willen maken, maar tegelijkertijd een brede glazen pui in de gevel willen zetten, die binnen en buiten op uitnodigende wijze verbindt. Het resultaat is een monumentale omega op twee poten. Ik heb een aantal mensen op deze ingangspartij gewezen – en ze allemaal uit moeten leggen, waarom de zaak in elkaar zou lazeren als het een echte boog zou zijn geweest, en niet één van beton met ertegen aangeplakte natuursteen. Dat was natuurlijk geen representatieve steekproef onder de bevolking van Beitar Illit, die eenduidig iets zegt over de receptie, zoals het heet, van deze kunstgreep. Nochtans heb ik de indruk dat de architect ermee wegkomt. 


 

Haat om niet


Op Tisja b’Av, de belangrijkste van de joodse treurdagen, vasten wij om de verwoesting van de eerste en de tweede Tempel in Jeruzalem. Behalve het vasten zijn er nog enkele onthoudingen, waaronder die van het leren van Torah. Je mag je wel verdiepen in zaken die passen bij de stemming van de dag, zoals Klaagliederen en het boek Job, alsmede een beperkt gedeelte van het traktaat Gittin van de Babylonische Talmoed, te weten folio 55b-57a. Op deze bladzijden staat hoe het, in het geval van de tweede Tempel, zover gekomen is.

Het is eigenlijk de schuld van een zekere Bar Kamtza, lezen wij, die, kennelijk onwelkom, eruit wordt gesmeten bij een banket en vervolgens om verhaal te halen, de Romeinse heersers wijs maakt dat de Joden in opstand zijn gekomen. De Romeinen slaan daarop beleg rond Jeruzalem, met als gevolg dat in het jaar 70 de Tempel andermaal wordt verwoest. Zo samengevat is het niet eens zulk opzienbarend nieuws. Verraders en andere slechte Joden zijn helaas een vast verschijnsel in onze geschiedenis. Geen wonder dat die Bar Kamtza niet welkom was!

Als je Bar Kamtza de schuld van alles geeft, is dat echter in strijd met de mededeling elders in de Talmoed (traktaat Joma 9b), dat de verwoesting van de tweede Tempel te wijten is aan sinat chinam. “Haat om niet” is de letterlijke vertaling, d.w.z. ongegronde haat. Op zich zegt deze term niet zoveel; daarom keren we voor een nadere verklaring terug naar Gittin 55b-57a.

 

“Om Kamtza en Bar Kamtza werd Jeruzalem verwoest,” begint de Talmoed ter plaatse. Nu komt Kamtza in het verdere verhaal niet voor, al wordt zijn naam nog tweemaal genoemd, als opmaat voor de eerste misstap van een reeks. “Er was een man die Kamtza tot vriend had, maar Bar Kamtza tot vijand. Hij richtte een banket aan. Hij zei tegen zijn bediende, ga Kamtza uitnodigen. Deze ging en nodigde Bar Kamtza uit.” Je kunt je afvragen of het huishoudelijk personeel op de hoogte was van de animositeit tussen hun werkgever, die verder anoniem blijft, en Bar Kamtza. Maar zelfs als dat het geval was, was de bediende er misschien niet op uit om een streek te leveren, en was het meer een kwestie van passieve agressiviteit waarvan hij zich nauwelijks bewust was - in ieder geval was het fundament voor grotere fouten gelegd.

Bij binnenkomst bij zijn eigen banket ziet de gastheer Bar Kamtza zitten en voegt deze toe zich te verwijderen. Bar Kamtza vraagt hem te mogen blijven en biedt aan om voor zijn couvert te betalen, hetgeen als een verzoenend gebaar opgevat kan worden. Het helpt hem niet. Nadat hij nog aanbiedt om de helft van de kosten van het banket te dragen (wellicht nog steeds een verzoenend gebaar) en vervolgens het hele banket te betalen (hetgeen in mijn oren niet langer verzoenend, maar uitdagend klinkt), belandt hij buiten op de keien.

Bar Kamtza is boos, maar niet eens zozeer op zijn vijand. “Hij zei: de rabbijnen zaten erbij en wezen hem niet terecht; kennelijk vinden zij dit acceptabel.” Hij besluit zijn gram te halen. Hij “ging en zei tegen de keizer [naar je mag aannemen, diens plaatselijke vertegenwoordiger], de Joden zijn tegen u in opstand gekomen.” Vroeger op school heb ik nog geleerd dat historische gebeurtenissen een oorzaak en een aanleiding hebben en dat je die twee niet moet verwarren. De oorzaak van de verwoesting van Jeruzalem inclusief de Tempel, althans de reden die de Romeinen meenden te hebben, was de noodzaak die zij zagen om rebellie in het keizerrijk neer te slaan, i.c. de rebellie die zou escaleren, zoals dat heet, tot de Joodse opstand (66-73). Het is niet mooi om te klikken, en al helemaal niet uit rancune, maar Bar Kamtza vertelde de Romeinen waarschijnlijk niets wat zij nog niet vermoeden of niet voor op hun hoede waren – kortom, niets nieuws. Hij ging echter een stap verder en verschafte hem een aanleiding. “Hij zei, stuur een offerdier en kijk of ze het offeren.” Het was vervolgens Bar Kamtza zelf die het dier meenam naar de Tempel. Onderweg bracht hij het een nietige verwonding toe, die het nochtans voor de Joodse wet (maar niet volgens Romeins gebruik) ongeschikt en dus verboden om te offeren maakte. Bar Kamtzas bedoeling lijkt duidelijk: het weigeren van het offer zou een klap in het gelaat van de keizer zijn - een duidelijke casus belli.

 

In het licht van de verdere gebeurtenissen was Bar Kamtzas wraak buiten elke proportie en alleen te vergelijken met het besluit van Haman om alle Joden in het Perzische keizerrijk om te brengen omdat hij er één niet aardig vond. Maar verwachtte Bar Kamtza werkelijk dat door zijn toedoen Jeruzalem tot een ruïne gereduceerd zou worden? Er was immers een uitweg: “De rabbijnen waren van mening dat het [dier, ondanks het gebrek, toch] geofferd moest worden om de vrede met de overheersers te bewaren.” Je zou denken, daar had Bar Kamtza ook zelf op kunnen komen. Zoiets was weliswaar in strijd met de strikte halacha en geen standpunt dat de rabbijnen lichtvaardig innamen, maar het was, zo blijkt uit hun besluit, in principe mogelijk. Toch vermoed ik dat Bar Kamtza in grote mate onbesuisd te werk ging, want het lijkt me sterk dat hij rekening hield met de andere uitweg die nog open was, nadat één van de vergaderende rabbijnen de eerste had weten te sluiten.

“Rabbi Zecharia ben Avkoelos,” gaat de Talmoed verder, “zei tot hen: dan zal men zeggen dat dieren met een gebrek op het altaar gebracht kunnen worden.” Het was door de kracht van dit argument, en het gezag dat R. Zecharia had, dat het offer dat Bar Kamtza namens de keizer wilde brengen, inderdaad geweigerd werd. De rabbijnen waren zich bewust van de ernst van de situatie die nu was ontstaan. Maar er was nog een uitweg. “Ze opperden om hem te doden, opdat hij het niet zou gaan vertellen [aan de Romeinen]. R. Zecharia zei tot hen: dan zal men zeggen dat men voor het aanbrengen van een gebrek ter dood gebracht wordt.” Opnieuw had R. Zecharia het overwicht, met alle gevolgen van dien, want daardoor kon Bar Kamtzas plan in ongewijzigde vorm doorgang vinden. De Talmoed steekt dan ook de beschuldigende vinger niet langer uit naar Bar Kamtza, maar naar R. Zecharia. “Rabbi Jochanan zei, door de bescheidenheid van R. Zecharia ben Avkoelos is ons huis verwoest, ons heiligdom afgebrand en zijn wij verdreven uit ons land.” Het was zijn bescheidenheid die funest was: R. Zecharia voelde zich te gering om een hora’ah sja’ah te treffen, een tijdelijke, door de omstandigheden noodzakelijke, beslissing die tegen de halacha inging.

 

In het geval van Bar Kamtza is het aspect van “haat om niet” duidelijk. Om zijn gram te halen op de gastheer van het banket en op de daar aanwezige rabbijnen die, naar zijn mening, diens kant hadden gekozen, was hij in zijn onbesuisdheid bereid om talloze anderen, waaronder mensen die er niets mee te maken hadden en mensen die hij niet eens kende, tot slachtoffer te maken. Zijn plan zou echter niet zijn doorgegaan zonder tussenkomst van R. Zecharia ben Avkoelos. In diens geval is er eveneens sprake van ongegronde haat van de medemens, zij het indirect. Rabban Jochanan ben Zakkai had vijf leerlingen, zo staat er in Pirkei Avot (II, 13), aan wie hij de vraag voorlegde, welke goede eigenschap een mens het meest zou moeten hebben. Naar Rabban Jochanan’s smaak gaf zijn leerling R. El’azar ben ‘Arach het beste antwoord: een goed hart. Iemand met een goed hart maakt zich niet snel schuldig aan haat om niet. Nu was het antwoord van R. El’azar ben ‘Arach het beste omdat de antwoorden van de vier andere leerlingen erin vervat waren. Eén daarvan was dat van R. Sjimon ben Natanel: dat je let op de gevolgen van je handelen. Dit laatste - en daarmee een belangrijk onderdeel van een goed hart - ontbrak bij R. Zecharia.

 

Zelfs toen de Romeinen beleg hadden geslagen rond Jeruzalem, was er nog ruimte om diplomatiek te manoeuvreren, en niet te vergeten: tijd. Er was genoeg voedsel en brandstof om het maar liefst 21 jaar uit te houden, vertelt de Talmoed. Helaas maakten in de belegerde stad birjonim de dienst uit, extremisten die de Romeinen wilden bevechten. “De rabbijnen zeiden tegen hen, sta ons toe naar buiten te gaan en vrede met ze [de Romeinen] te sluiten.” De birjonim lieten dat niet toe, waarop de rabbijnen voorspelden dat de strijd met de Romeinen niet succesvol zou zijn. Om toch hun zin te krijgen “staken zij de opslagplaatsen van tarwe en gerst in brand en ontstond er een hongersnood.”

Je kunt nu, na Bar Kamtza en R. Zecharia ben Avkoelos, ook de birjonim de schuld kunnen geven van de verwoesting van de tweede Tempel. Zij sneden de diplomatie de pas af en maakten de verovering van de stad onvermijdelijk. Hun optreden was echter de makeh bepatisj (de laatste klap met de hamer die het karwei voltooit). Het treurige van de geschiedenis zoals deze is opgetekend op deze bladzijden van het traktaat Gittin is het falen van alle dramatis personae, inclusief de rabbijnen. Hadden zij bij het banket niet moeten bemiddelen of althans de verwijdering van Bar Kamtza in zulke banen moeten leiden, dat deze minder beschamend was? Waarom gingen zij akkoord met de halachische beslissingen van R. Zecharia ben Avkoelos? De enige uitzondering is de al eerdergenoemde Rabban Jochanan ben Zakkai, die ook in het verhaal voorkomt. Deze zorgde ervoor, zijn familierelatie met de leider de birjonim, Abba Sikra, uitbuitend, om uit het belegerde Jeruzalem te ontkomen. De stad en de Tempel kon hij niet meer redden, maar door te schipperen met de Romeinen was hij in staat toestemming te krijgen om het hoogste rabbinale orgaan, het grote Sanhedrin, naar het plaatsje Javneh te verplaatsen en daarmee het Jodendom zoals wij het nu nog kennen te redden.

We weten niet hoe de tandwielen van het grotere geheel in elkaar grijpen, en niemand – laat u niets wijs maken – is heden ten dage profeet. Toch zouden we op de gevolgen van ons handelen moeten letten, bij voorkeur met een goed hart. Aan de geschiedenis van de verwoesting van de tweede Tempel gaat in Gittin een motto vooraf, een citaat uit Spreuken (28:14): “Gelukzalig is de mens die voortdurend vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.” Rasjie becommentarieert ter plaatse (Gittin 55b, s.v. mefached), dat deze persoon zich zorgen maakt om de uitkomst van zijn of haar handelen, opdat dit geen catastrofale gevolgen heeft.

 




"Ik hef naar de bergen mijn ogen op" (Ps. 121)




Heden ten dage is het mogelijk om als toerist de Tempelberg in Jeruzalem te bezoeken, althans de Islamitische heiligdommen die daar nu staan. Als je Jood bent is dat misschien onverstandig “ maar ook verboden bij de Joodse wet, in je eigen belang: als je de plaats waar de Tempel stond betreedt in de staat van toemah, spirituele onreinheid, waarin wij allen nu verkeren, riskeer je karet, “uitroeiing”.
Het is dan ook verbazend dat het uitgerekend een Jood was, Sir Moses Montefiore, die op 26 juli 1855 als één van de eerste niet-Moslims dit terrein betrad, nadat zulks eeuwenlang eveneens verboden was bij, l’havdil, de islamitische wet, op straffe des doods.

Sir Moses was toen al in de zeventig en liet zich tijdens zijn bezoek aan Jeruzalem bij voorkeur per draagkoets verplaatsen, een feit dat ter zijn verdediging aangevoerd kon worden. Hij werd immers ook in een draagkoets de Tempelberg opgedragen, zodat hij in feite deze niet zelf betrad. Ada Goodrich Freer, een Britse dame die begin 20e eeuw in Jeruzalem woonde, vertelt een soortgelijk verhaal in haar boek Inner Jerusalem (1904). Een stel Arabische kinderen was tijdens hun spel boven op de Tempelberg in een diepe regenput gevallen. “Een Jood uit de buurt bood aan om de lichaampjes te zoeken, op voorwaarde dat hij naar de regenput werd gedragen, zodat hij geen heilige grond hoefde te betreden.” Deze geschiedenis, die Mrs. Goodrich overigens louter van horen zeggen had, doet weer denken aan een geval dat in 1837 gebeurd moet zijn. De klok op de Tempelberg, op dat moment stevig in Mohammedaanse handen, was kapot; de beschikbare klokkenmaker was echter een ongelovige uit Europa. De imam wist raad: de klokkenmaker werd op de schouders van een moslim naar zijn karwei gedragen, opdat zijn voeten de grond niet zouden raken.

De laatste anekdote is wellicht net zo dubieus als de voorafgaande, maar het is wel overeenkomstig de feiten dat er in die tijd geen ongelovigen geduld werden op de Haram al”Sjarif (het Nobele Heiligdom), zoals de Arabieren de Tempelberg noemen, sinds de verovering van Jeruzalem door kalief Oemar ibn al”Chattab in het jaar 637. De Rotskoepel, gebouwd tussen 685 en 691, is het oudste, heden ten dage nog bestaande, Islamitische bouwwerk, hetgeen slechts de continuïteit van het Islamitisch bewind over de Tempelberg aanduidt (met een onderbreking tussen 1099 en 1187, toen de Kruisvaarders de baas waren).
Na het definitieve einde van de Kruistochten, met de val van Acco in 1291, veranderde Europees bezoek aan het Heilige Land en Jeruzalem in een vreedzame aangelegenheid, in de vorm van bedevaart naar de voor Christenen belangrijke plaatsen. Maar al in het begin van de 19e eeuw kwamen er ook reislustige Europeanen die, hoewel van Christelijke huize, louter uit nieuwsgierigheid naar Jeruzalem kwamen. De Rotskoepel, een architectonisch juweel (laten we wel wezen), ontsnapte uiteraard niet aan hun aandacht. Er zijn uit die tijd dan ook diverse verhalen over toeristen die, verkleed als moslims, stiekem de Tempelberg en de Rotskoepel bezochten. Dat was een hachelijke onderneming, want de bewaking van de Haram was in handen van een gezelschap van Takroeri, zwarte Soedanezen uit Darfoer, die de knuppel hanteerden op iedereen die er niet thuishoorde. Het gerucht ging zelfs, dat de Takroeri een moslim die zij abusievelijk voor een ongelovige hielden, hadden doodgeslagen. Waar of niet, het was genoeg om de Britse kunstschilder W.H. Bartlett, die tijdens zijn bezoek aan Jeruzalem in 1854 op het punt stond om als vrouw verkleed, achter een gezichtssluier, de Haram op te gaan, van dit voornemen te doen afzien.
Overigens waren de geestelijke autoriteiten van de Haram gevoelig voor wereldlijk gezag, hetgeen een andere Britse kunstenaar, Frederick Catherwood, in staat stelde toegang tot de Haram te krijgen, niet één, maar diverse keren gedurende een periode van zes weken, verkleed als Egyptisch officier. Dat was in 1833, toen korte tijd niet de Turkse sultan, maar de heerser van Egypte, Mohammed Ali, een naar tijd en omstandigheden modern potentaat, de dienst uitmaakte in Eretz Jisraël. Tijdens zijn tweede bezoek (tijdens zijn eerste had hij kennelijk niet de aandacht getrokken) werd Catherwood net omsingeld door een boze menigte, toen de Egyptische gouverneur van Jeruzalem zijn entrée in de Haram maakte en hem ontzette. De gouverneur deelde de aanwezigen een strenge waarschuwing uit, Catherwood (die met hem bevriend was) geen haar te krenken, daar hij deze had “benoemd” om de heiligdommen op te meten ter voorbereiding van hun restauratie.



Het bezoek van Sir Moses aan de Haram op 26 juli 1855 was niet bepaald stiekem. Niet alleen droegen twee man hem naar boven in zijn draagstoel, hij kwam ook vergezeld van zijn echtgenote, Lady Judith, vrienden en personeel, het Britse consuls-echtpaar James en Elizabeth Finn, de Britse viceconsul en diens zuster, meer personeel, de (toen weer Turkse) gouverneur van Jeruzalem, Kiamil Pasja, andere plaatselijke autoriteiten, en natuurlijk nog meer personeel. Er werden tapijten uitgespreid onder de Kettingkoepel, zodat het gezelschap kon uitrusten en van het uitzicht genieten. En indien de Takroeri de ongelovigen toen nog niet in de gaten hadden, merkten zij het gezelschap wel op, toen dit bij vertrek geschenken aan hen uitdeelde. Maar ze lieten het ongemoeid.
Deze opmerkelijke wijziging in de houding tegenover vreemd bezoek was te danken aan de Hertog van Brabant en aan de Krimoorlog (1854-1856). Zoals de geestelijken van de Haram bogen voor wereldlijke heersers, waren de Turken gevoelig voor de wensen van vertegenwoordigers van hun bondgenoten tegen de Russen, en zelfs van die van neutrale mogendheden. De Hertog van Brabant, die later berucht zou worden als koning Leopold II der Belgen, had zichzelf uitgenodigd op de Tempelberg; de Turk kon niet weigeren, want de Hertogin was een Habsburg, geparenteerd aan de Oostenrijkse keizerlijke familie, en de Donaumonarchie had nog geen partij gekozen. Toen de Hertog en Hertogin en hun gevolg zich op 7 april 1855 aandienden, hadden ze toestemming van de Sultan in eigen persoon.
De Britse consul, James Finn, noteerde in zijn consulair dagboek onder 7 april: “Consul & alle andere Consuls & vele Reizigers gingen de Grote Moskee [d.w.z. de Rotskoepel] & de Aksa binnen, te zamen met de Hertog & Hertogin van Brabant.” De Haram onderging die dag een ware invasie van ongelovigen, die van de op dat moment unieke gelegenheid gebruik maakten. Kiamil Pasja had voor de zekerheid de Takroeri laten opsluiten en bewaken door Turkse troepen, de bajonet op het geweer. Op 1 juli volgde een tweede Europees bezoek, dat van aartshertog Ferdinand Maximilian (naderhand kortstondig en tot zijn chagrijn Keizer van Mexico) – ook al een Habsburg. Daarna was het Sir Moses’ beurt.

De Hertog van Brabant had zich opgedrongen; Sir Moses betrad de Tempelberg op uitnodiging van Kiamil Pasja. Deze uitnodiging was stellig diplomatiek. De Pasja had nog maar onlangs met eigen ogen gezien, hoe graag Europeanen de Haram wilden bezoeken. Het was daarom een uitgekozen manier om de belangrijke Britse gast eer te bewijzen (Engeland was Turkijes belangrijkste bondgenoot).
Wat vond Sir Moses zelf van deze uitnodiging? Het was een unieke gelegenheid: wie kon zich de laatste Jood herinneren die boven op de Tempelberg geweest was? Maar tegelijkertijd was het halachisch verboden om het terrein te betreden. Vreemd genoeg zwijgen de dagboeken van Sir Moses en Lady Judith (waarvan het origineel verdwenen is, maar die nog wel bestaan in de door Dr. Louis Loewe, Montefiores secretaris, geredigeerde en gepubliceerde vorm) over deze gebeurtenis. Je zou toch enige afwegingen voor of tegen het bezoek verwachten, of in ieder geval een aantekening over de indruk die het maakte. Dat Sir Moses Sjier lama’alot (Ps. 121) zei, toen hij het platform van de Rotskoepel werd opgedragen, is slechts bekend uit de Reminiscences die Elizabeth Finn, de echtgenote van de Britse consul, 58 jaar na dato liet optekenen.
Er waren, behalve Dr. Loewe, nog enkele andere Joden in het gezelschap van Montefiore, o.a. het Britse echtpaar Guedella. Mrs. Guedalla noteerde het volgende in haar dagboek, dat in 1890 in druk verscheen: “Het mozaïek is erg mooi. We daalden af naar het ondergrondse gedeelte [van de Rotskoepel]... een grote massa zwart rotsgesteente neemt het midden van de moskee in... Het was een prachtig gezicht dat we nooit zullen vergeten.” Het zou de impressie van een hedendaagse toerist kunnen zijn. Er is ook niet veel verschil tussen de reactie van Mrs. Guedalla en die van Mrs. Finn, maar die was niet Joods, was voornamelijk geïnteresseerd in monumenten van oudheid en kunst, en bezocht de bezienswaardigheden al voor de tweede keer. Daar staat tegenover, dat Mrs. Guedalla waarschijnlijk onder woorden bracht, waarvoor Kiamil Pasja het gezelschap had uitgenodigd. Het lijkt me geen al te wilde veronderstelling, dat Sir Moses zijn reactie binnen de grenzen van de uitnodiging hield.

Sir Moses’ bezoek aan de Tempelberg schoot de rabbijnen echter in het verkeerde keelgat. Althans, er is nog steeds een hardnekkig verhaal, dat er een cherem, een ban, over Sir Moses werd uitgesproken. “Fanatieke Joden keurden Sir Moses’ handelwijze af,” vermeldt Elizabeth Finn, “ze excommuniceerden hem zelfs, en jongetjes gooiden dingen naar zijn [draag]stoel! Niettemin was hij hun trouwe vriend.”
De Britse historicus A. Schischa heeft echter, al in 1985, alle stukjes van de puzzel op hun plaats gelegd en geconcludeerd, dat er van een cherem geen sprake is geweest, althans niet van de kant van toonaangevende rabbijnen. Wel zou iemand in de straatjes van Jeruzalem alarm geblazen hebben op een sjofar en een banvloek hebben uitgesproken, maar deze persoon was een bekend geval.
Waarschijnlijk heeft niemand eraan gedacht om Sir Moses het bezoek aan de Tempelberg op halachische gronden af te raden. Het was namelijk nogal ondenkbaar dat een Jood zich daar zomaar kon begeven, gezien het streng verboden toegang voor niet-Moslims dat toen gold, en waarop nog maar twee keer een uitzondering was gemaakt – voor personen van koninklijken bloede. Achteraf heeft ook geen van de belangrijke rabbijnen in Jeruzalem Sir Moses terecht gewezen. Wel kreeg Dr. Loewe kritiek te verduren van rabbijn Sjmoeël Salant, blijkens een vraaggesprek uit 1887 met de laatste, dat A. Schischa heeft weten op te diepen uit oude jaargangen van een tijdschrift. Dr. Loewe verdedigde zich door te wijzen op een psak (halachische beslissing) van de 12e-eeuwse geleerde R. Avraham ben David uit Posquières (RABad), dat het toegestaan was om de Tempelberg te betreden, waarop R. Salant erop wees, dat Dr. Loewe de psak van de RABad verkeerd had begrepen. Dr. Loewe beweerde daarop dat, zelfs indien Sir Moses geweten had dat er geen beslissing was die het toestond, hij evengoed de Tempelberg had betreden, iets dat R. Salant, die Montefiore goed kende, met stelligheid bestreed. Had Dr. Loewe, die behalve Joods geleerde ook een orientalist was en, naar je mag aannemen, grote belangstelling voor de Islamitische bezienswaardigheden had, hier eigenlijk voor zichzelf gesproken, – of had Sir Moses het hoe dan ook opportuun gevonden de uitnodiging van Kiamil Pasja te accepteren?

Sir Moses was in 1855 voor zaken naar Jeruzalem gekomen. Hij wilde land kopen, een ziekenhuis bouwen en een meisjesschool openen. Hij had ook een ferman van de Sultan op zak, die hem toestond de Hurva synagoge te herbouwen. Al deze zaken vereisten Kiamil Pasja’s medewerking. Het aanvaarden van diens uitnodiging was meer dan niet onbeleefd willen zijn, iets dat consul James Finn niet ontging. “Sir Moses had wijs gehandeld en in het werkelijke belang van zijn volk, hier en elders,” tekende hij later op, “als de gerespecteerde vertegenwoordiger en publieke weldoener van zijn natie...” Kiamil Pasja’s uitnodiging was “een buitengewoon groot compliment, dat pas zeer recent voor het eerst gemaakt was, aan het adres van vorstelijke personen.” Het bezoek aan de Tempelberg verleende Sir Moses, als het ware, meer diplomatiek gewicht.
Maar wat Finn nog het meest beviel, was het feit dat de ontvanger van dit eerbetoon een Brits onderdaan was.


Geraadpleegde literatuur:

W.H. Bartlett, Jerusalem Revisited, London 1855
Arnold Blumberg (ed.), A View from Jerusalem, 1849-1858. The Consular Diary of James and Elizabeth Finn, Rutherford 1980
Amos Elon, Jerusalem, City of Mirrors, London 1996
Elizabeth Finn, Reminiscences, London 1929
James Finn, Stirring Times or Records from Jerusalem Consular Chronicles of 1853 to 1856, London 1878
Martin Gilbert, Jerusalem, Rebirth of a City, New York 1985
Ada Goodrich Freer, Inner Jerusalem, London 1904
Jemima Guedella, Diary of a Tour to Jerusalem and Alexandria in 1855, with Sir Moses and Lady Montefiore, London 1890
Louis Loewe (ed.), Diaries of Sir Moses and Lady Montefiore, Chicago 1890
A. Schischa, “The Saga of 1855: A Study in Depth”, in Sonia Lipman & V.D. Lipman (ed.), The Century of Moses Montefiore, Oxford 1985


Bij een ieder aan de muur


Bij Sefardiërs hangen R. Ovadja Josef, Rav Kadoori, de Baba Sali en de Ben Isj Chai aan de muur. Bij Litvaks zijn het o.a. de Chofetz Chaim en Rav Sjach. Het portret van de laatste Rebbe kijkt bij Lubavitchers op tafel; andere chassidim hebben hun eigen rebbes, groot en klein. Dit zijn de hoofdzaken. Er is uiteraard, voor wie dat wil, een grotere keus aan portretten van rabbijnen, tzaddikim en rosjei jesjiva. In Jeruzalem is er zelfs een speciaalzaak voor dit soort wandversiering.

De meeste portretten zijn goedgelijkende foto’s, maar je hebt ook, laten we zeggen, artistieke bewerkingen. Een mooi voorbeeld is dat van vijf van de zes rebbes van Lubavitch, die we ten voeten uit zien, terwijl ze samen door een sjtetl wandelen, met de eerste, de Alter Rebbe, in het midden.
Waarom hangen die rabbijnen bij mensen aan de muur? We doen niet aan heiligenverering (tenminste, laten we het hopen). Vermoedelijk willen wij ons laten inspireren door de geleerdheid en de fijne karaktertrekken van de afgebeelde personen. Om voor mezelf te spreken: bij ons thuis heb ik indertijd een paar portretten opgehangen (een vriendelijk lachende R. Sjlomo Zalman Auerbach, een narrig kijkende Steipler Gaon, een door mijn dochter Miriam in potlood uitgevoerd portret van R. Elchonon Wasserman, Rabbiner Hirsch) met het oogmerk, de kinderen een zeker ontzag voor onze wijzen bij te brengen. (Helaas heb ik dat ontzag verbaal meteen weer ondergraven door te schamperen over de gulle lach van R. Eliasjiv).

Wij leven in een tijd van grote proliferatie van afbeeldingen. Vroeger, toen dat veel minder het geval was, had je echter ook al portretten van rabbijnen. Ik weet niet welk rabbijnenportret als het vroegste beschouwd moet worden, maar je hebt ze al in het midden van de 17e eeuw (bijvoorbeeld Salomon Italias kopergravure van R. Menasse ben Israël, Aernout Nagtegaals mezzotint van R. Isaac Aboab da Fonseca). In de 19e eeuw, voorafgaand aan de uitvinding van de fotografie, is het een normaal verschijnsel, met name lithografische portretten. Om maar een voorbeeld te noemen: van de Rotterdamse opperrabbijn Emanuel Löwenstam, die slechts 38 jaar werd, bestaan twee portretten (M.H. Gans geeft er één in zijn Memorboek, p. 439, de ander hier), één meer dan zijn veel bekendere grootvader Arjeh Leib, de auteur van de responsenverzameling Pnei Arjeh (Memorboek, p. 230). Het is trouwens dit boek, en niet een eigen pennevrucht, die kleinzoon Emanuel vasthoudt in het hier afgebeelde portret.


Van Emanuel Löwenstams oudere tijdgenoot R. Seckel Wormser (ca 1770-1847) bestaan zelfs drie portretten. Hoewel hij nimmer is vergeten, staat de persoon van Seckel Wormser tegenwoordig zeer in de belangstelling. Zijn graf in het Duitse Michelstadt (Hessen) trekt internationaal bezoekers, die daar komen om kaarsjes aan te steken, te leren, te oren, tehillim te zeggen en kvitlach (briefjes met dringende beden) op zijn graf achter te laten. Aan foto’s op het Internet te oordelen, zijn het uitgerekend geen jekkes, maar vooral chassidim van diverse snit die op Michelstadt convergeren. Dat is niet zo verwonderlijk, want Seckel Wormser was zelf meer dan chassidisch angehaucht: hij was een talmid van R. Nosson Adler en bovendien genoot hij faam als Ba’al Sjeim (Meester van de Naam). Als hij tijdens zijn leven genezing van lichamelijke en geestelijke kwalen kon bewerkstelligen door zijn esoterische kennis van de Heilige Naam, dan is het niet al te krankzinnig om te veronderstellen dat kvitlach ook nu nog zin hebben.
Daarnaast is er onlangs ook een wetenschappelijke, kritische biografie van Seckel Wormser verschenen (Karl Erich Grözinger, Der Ba’al Schem von Michelstadt. Ein deutsch-jüdisches Heiligenleben zwischen Legende und Wirklichkeit, Frankfurt am Main, 2010). Het is een beetje een droog boek, dat niettemin in de ban zou zijn gedaan als R. Eliasjiv en de andere gedolei hador ervan zouden weten. Grözinger wijst namelijk op een opmerkelijk contrast in Wormsers persoon. Hoewel deze tot aan zijn dood een praktijk als Ba’al Sjeim dreef, had hij tevens een geprononceerde belangstelling voor de Duitse filosofie en de moderne wetenschap van zijn tijd. Bovendien bestudeerde - en citeerde - Wormser het werk van Moses Mendelssohn - heden ten dage volstrekt anathema in ultraorthodoxe kring. Het ligt een beetje eraan aan wie je het vraagt, maar Mendelssohn is één van de personen aan wie al onze sof te wijten is (u dacht misschien aan Hitler, maar neen, u bent abuis).
Veertig jaar geleden kreeg Seckel Wormser nog geen halve kolom in de Encyclopaedia Judaica, al was het lemma geschreven door niemand minder dan Gershom Scholem. Dit lemma is echter nog steeds interessant, niet vanwege de karige informatie die het bevat, maar omdat het de, bij mijn weten, enige gepubliceerde afbeelding geeft van het derde portret van Seckel Wormser. De andere twee zijn lithografieën, nummer één als jongeman, nummer twee op gevorderde leeftijd. Het derde portret is een olieverfschilderij dat zich, volgens de encyclopedie, in de verzameling van Arthur A. Kahn te Kaapstad bevindt. Het is maar een klein plaatje, vermoedelijk niet eens van het hele schilderij, maar je kunt zien dat het dezelfde vent is, in leeftijd het dichtst bij de tweede litho, maar voor de rest daarvan verschillend.



Toen ik voor het tijdschrift Mishpacha met een artikel over Seckel Wormser bezig was - een voetnoot bij diens biografie -, heb ik geprobeerd de verblijfplaats van het schilderij te achterhalen. Ik wilde weten wie het had gemaakt, in wiens opdracht, en met welk doel. Misschien was de eigenaar genegen een goede afbeelding in kleur te verschaffen. Google schoot al meteen te kort; navraag bij ter zake kundigen in Kaapstad leverde niets op. Ook mevrouw Berman, de bejaarde onderbuurvrouw van mijn dochter Miriam hier in Beitar Illit, afkomstig uit Kaapstad en met artistieke belangstelling behept, kon niet helpen. Er is waarschijnlijk wel meer informatie over het schilderij te bemachtigen, alleen niet snel en gemakkelijk (ik heb dit vraagstuk van ondergeschikt belang voorlopig geparkeerd).
Mijn voetnoot verscheen al een tijdje geleden in het vrome Mishpacha; nu is er ook de hele biografie. Alleen is deze geen lectuur voor de bezoekers van het graf van de Ba’al Sjeim van Michelstadt. Die willen een gaaf portret, één dat niet herinnert aan Mendelssohn, Duitse filosofie en wetenschap. Het interessante is echter dat Wormsers brede belangstelling, ver over de rand van de dalet amous sjel halochoh (de vier ellen van de Joodse wet), voor hem geen tegenspraak met zijn strikt orthodoxe levenswijze inhield, althans ik krijg in gene dele die indruk uit Grözingers biografie.
Naast de vier reeds genoemde rabbijnen aan mijn muur was er nog plaats voor een vijfde. Er zat zelfs een spijker. Een schoonzoon die naar een kennelijk nogal misnagdische jesjieva is gegaan, had het portret van de Lubavitcher rebbe (ook een potloodtekening van Miriam) dat daar oorspronkelijk hing, stiekem verwijderd - iets dat we pas na een tijdje in de gaten hadden. Ik heb daar nu het portret van Seckel Wormser, een reproductie van de tweede litho, opgehangen.

Spraakverwarring

Wij zijn thuis Nederlands blijven spreken, deels uit gemakzucht, deels uit noodzaak. De kinderen pikten Hebreeuws snel op; op school hadden ze geen andere keus. Omdat we aansluiting vonden bij de Engelssprekende gemeenschap in Beitar Illit (er wonen hier veel Amerikanen, Britten en Canadezen, benevens enkele Australiërs en Zuidafrikanen), spreken ze ook allemaal goed Engels. Dat heeft gevolgen gehad voor de conversatie thuis: deze geschiedt thans half (en soms helemaal) in het Engels, dikwijls met een scheut Hebreeuwse woorden en begrippen, die zelfs ik begrijp, ook al spreek ik na twaalf jaar nog steeds gebrekkig Hebreeuws. Omgekeerd zit er ook nogal wat Engels (maar vrijwel geen Nederlands) in de kinderen hun Hebreeuws. De echtgenoot van mijn dochter Miriam, Azriël, is geboren in Parijs, maar vanaf zijn zesde hier opgegroeid. Bij zijn moeder thuis in Jeruzalem is de voertaal een combinatie van Hebreeuws en Frans. Ziehier de achtergrond voor de volgende sketch, die plaats vond bij Azriëls moeder (oorspronkelijk in het Hebreeuws). De moeder van Azriël is aan het pannekoeken bakken en vraagt: Miriam, wil crêpes eten? Miriam, een beetje verontwaardigd over zo’n voorstel: Nee, ik wil geen crap!