Posts tonen met het label sjoel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sjoel. Alle posts tonen

Bouwactiviteit (3)

Je vindt ze her en der over de wereld, maar nu is er ook één in aanbouw in mijn eigen woonplaats, Beitar Illit: een replica van het pand huisnummer 770 aan de Eastern Parkway te Brooklyn, New York. Dat is niet zomaar een adres, maar het gebouw, voorheen een medische kliniek en aangekocht door Chabad in 1940, waar de laatste Rebbe, R. Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994), kantoor hield.

Viznitzer sjoel, Beitar Illit

Het nabouwen van belangrijke panden, althans het zich laten inspireren door de kenmerkende architectuur daarvan, komt vaker voor. In Beitar Illit alleen al hebben twee groeperingen, de Bojaner en de Viznitzer chassidim, sjoels laten neerzetten naar model van hun gebouw, thans verwoest, in hun plaats van herkomst in Oost-Europa. De hoofdsynagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (2000) is afgekeken van de sjoel in Belz in de Oekraïne (1843), maar dan opgeblazen tot mastodontische afmetingen. Als je komt aanrijden op Jeruzalem over autoweg no. 1 zie je hem al van verre – nu ik daaraan denk, schiet me de titel van een Nederlandse carnavalskraker in gedachten, een lied van wijlen Herman Brood: Maak van je scheet geen donderslag. Het is niet louter iets chassidisch, als je tenminste de Londense Bevis Marks synagoge (1701) beschouwt als een jonger broertje van de Amsterdamse Esnoga (1675). Buiten het Jodendom komt het verschijnsel ook voor: de dorpskerk van het Brabantse Oudenbosch is een samengestelde kopie van de St. Pieter en de St. Jan-in-Lateranen in Rome, op kleinere schaal, terwijl er ergens in Afrika een replica of afgeleide van de St. Pieter staat die groter is – nog groter – dan de echte in Rome. En ook de heidenen, om ze zo maar even te noemen, kunnen er wat van: in de Volksrepubliek China, waar ze weten wat namaak is, zijn de laatste jaren hele stadswijken verrezen in de trant van o.a. Amsterdam, Venetië en Parijs – de laatste inclusief een kopie van de Eiffeltoren.

Aan de foto’s te oordelen die ik heb gezien van Eastern Parkway 770 en van een aantal replica’s daarvan, zijn die laatste niet allemaal even nauwkeurig. Ze zijn wel allemaal uitgevoerd in de roodbruine baksteen die kenmerkend is voor het oorspronkelijke gebouw en ze vertonen ook allemaal de puntgevels die de drie traveeën bekronen waarin dat is verdeeld. De middelste travee van Eastern Parkway 770 is smaller dan de twee aan weerszijden en springt iets terug, een detail dat niet tot alle replica’s is doorgedrongen. De driezijdige erker boven de voordeur is een opvallend detail dat je in op één na alle replica’s terugvindt, maar dat geldt weer niet voor de oorspronkelijke raamindeling.

Het pand in Beitar Illit is nog lang niet klaar, maar je kunt nu al zien dat alleen de voorgevel iets krijgt van Eastern Parkway 770. De zijgevels zijn gewoon, conform de plaatselijke bouwverordening, bekleed met Jeruzalemsteen, hetgeen zich uitstrekt tot het onderstuk van de voorgevel. Daarboven moet die roodbruine baksteen komen. De drie puntgevels zitten al op hun plaats, evenals de erker, zij het niet in een terugspringende travee; de voorgevel is volkomen vlak. Het gebouw krijgt zo te zien twee verdiepingen (in Brooklyn drie) en ook andere ramen.


'770', Beitar Illit 

Zo hebben de meeste replica’s wel iets te weinig (een verdieping, de juiste ramen – of de voordeur, zoals de ‘770’ van Gayley Ave., Los Angeles) of te veel (de andere replica in Los Angeles, aan Pico Blvd., heeft negen puntgevels). Soms zijn de juiste proporties zoek: de nummers 770 van Buenos Aires, Sao Paulo en Milaan zijn buitengewoon smal, alsof ze zijn samengeperst als de balg van een accordeon. Aan het ene eind van de schaal van nauwkeurigheid staat het gebouw in Kirjat Ata, bij Haifa, een vage herinnering aan roodbruine baksteen en puntgevels, waarbij de erker kennelijk in een gat in het geheugen verdwenen is; aan het andere eind de replica in Kfar Chabad, eveneens in Israël, die 1:1 is, het resultaat van nauwkeurige metingen in Brooklyn, en waar niet alleen de buitenkant maar ook het interieur van Eastern Parkway 770 gereproduceerd is.

 

Volgelingen van Chabad hebben één of meerdere portretten van R. Menachem Mendel Schneersohn aan de wand hangen. Zo kun je je voorstellen dat sommigen ook gaarne een aandenken aan Eastern Parkway 770 willen hebben. Als je in Londen woont kun je daartoe koek en gebak van Parkway Pattiserie eten, een koosjere banketbakker die niet toevallig zo heet. Je kunt thuis een foto van het gebouw ophangen. Ik zie in sjoel ook wel eens lieden met een afbeelding van ‘770’ geborduurd op de zak van hun tallith of van hun tefillin. Speciaalzaken voor synagogaal meubilair en stoffering kunnen dergelijk borduursel ook leveren voor een Torahmantel of een parochet. Een stap verder is een aron hakodesj, een ‘arke der wet’, in de vorm van ‘770’. Maar een heel gebouw is toch iets anders, zou je zeggen, alleen al omdat het zo’n dure grap is. Toch schijnt het ook hierbij wel degelijk om een tastbare herinnering aan de Rebbe te gaan. Dat was althans wat een kennis, een aanhanger van Chabad, erover zei. Of er een diepere, esoterische betekenis aan die replica’s zat, was hem niet bekend. Kijk, zei hij zo ongeveer, je kunt (vanwege het tweede gebod) geen standbeelden oprichten van de Rebbe, maar je kunt wel her en der een ‘770’ neerzetten.

Mijn kennis vertelde me tevens dat de allereerste replica, die in Kfar Chabad, voltooid in 1986, bedoeld was voor de Rebbe om in te wonen, als met het aanbreken van de ge’oela, de verlossing, ook hij eindelijk naar Israël zou komen. Vandaar al die nauwkeurige maten die de bouwer van het pand in Kfar Chabad, M.M. Gorelick, heeft genomen in Brooklyn, behalve, naar ik heb gelezen, nu juist die van de vertrekken van de Rebbe. Ik vermoed dat Eastern Parkway 770 meer was – en is – dan voor de Rebbe zijn vertrouwde omgeving en voor zijn chassidim het vertrouwde decor van zijn optreden. Diegenen van zijn aanhangers die menen dat de Rebbe de messias had kunnen zijn, had moeten zijn en misschien ook wel is, laten niet na erop te wijzen dat de gematria (getalswaarde) van de woorden beit masjiach (het huis van de messias) uitgerekend 770 is. Het gebouw met dat huisnummer is als het ware het wijdere stoffelijk omhulsel van de Rebbe – een stoffelijk omhulsel dat bovendien nog bestaat en, zoals kunsthistorici dat vroeger noemden, ‘technisch reproduceerbaar’ is. De vraag naar een eventuele esoterische betekenis van replica’s van ‘770’ staat wat mij betreft nog open.

Intussen worden het er steeds meer. Toen in 2005 de kunstenaars Andrea Robbins en Max Becher voor hun project 770 de toen bestaande replica’s fotografeerden, waren dat er elf. Nu zijn het er zeker 21, inclusief die in Beitar Illit die, zoals gezegd, nog niet af is, en misschien wel meer. Het verzadigingspunt is nog niet bereikt, lijkt me; de aanhangers van Chabad schijnen niet genoeg van ‘770’ te kunnen krijgen.


interessante link:
(prachtfoto's van alle anno 2005 bestaande exemplaren van '770')

1:1 replica van '770' in Kfar Chabad


Bouwactiviteit (2)

Hoewel in Israël verordeningen er zijn om te ontduiken, omzeilen en negeren, pralen verreweg de meeste gevels, zijmuren en achtergevels in Beitar Illit met natuursteen. Dat geldt niet voor de uit lichte materialen geprefabriceerde, tijdelijke, verplaatsbare behuizingen (al zitten er doorgaans geen wielen onder, tot onderscheid van echte stacaravans) van wat meestal sjoels zijn (elke club mannen, op welke grondslag dan ook, heeft hier zijn eigen bedoeninkje). Maar ook daarvan zijn er weer een aantal die voorzien zijn van een natuurstenen exterieur, omdat de eigenaren kennelijk het idee van welstand waarop de oorspronkelijke verordening is gebaseerd onderschrijven. Tijdelijk en verplaatsbaar moet je in deze gevallen niet letterlijk nemen.

Er is echter een gebouw in Beitar Illit dat in het oog springt, om niet te zeggen, zich opdringt, met zijn kale, grijze betonnen muren waarop de naden van de bekisting duidelijk zichtbaar zijn, en waar de geroeste uiteinden van de bewapening uitsteken. Kun je het, als je die esthetische voorkeur bent toegedaan, nog meer brutalistisch wensen? Het gaat hier om de synagoge van de Zviller chassidim (oorspronkelijk afkomstig uit de Oekraïense plaats Novohrad-Volynskyi, die om een of andere in het Jiddisch Zvil heet). Is deze synagoge een architectonisch statement, een bewuste keuze voor een andere, contrasterende esthetiek, een poging om Ronald Storrs 95 jaar oude bouwverordening ter discussie te stellen, zoals dat heet? Neen, niets van dit alles – nadat het exoskelet was gestort, was het geld om het gebouw verder af te werken gewoon op.

Nu behoren onvoltooide bouwwerken tot het normale straatbeeld, niet alleen in Beitar Illit, maar ook elders in Israël. Het zijn projecten die men alsnog slechts ten dele heeft kunnen financieren, maar waarvan de bouwheren in de optimistische verwachting leven een deel van de rest, en dan nog eens een deel van de rest, bij elkaar te kunnen sjnorren. “G’d heeft een hoop geld,” placht de voorzitter van Ohel Torah, de “Amerikaanse” sjoel in Beitar Illit, te zeggen. En hij had gelijk, want na zo’n tien, twaalf jaar is Ohel Torah tot in vele details voltooid. De bouw van de sjoel van de Zviller chassidim echter is begonnen in 1999, in hetzelfde jaar nog gestaakt, en daarna niet meer hervat. Toch hebben de Zviller chassidim de hoop niet opgegeven, althans, het bouwwerk niet achtergelaten. Binnen in de holle, tochtige, lekkende ruimte hebben ze van lichte materialen een tijdelijk, verplaatsbaar onderkomen laten neerzetten. 





Bouwactiviteit

Als ik vanachter mijn schrijftafel naar buiten kijk op de heuvels van Judea, dan wordt mijn blikveld beperkt door de dikke muur waarin het raamkozijn is gevat. Ik kijk schuin aan tegen 40 cm natuursteen, minus kozijn (ik ben net opgestaan om dat te meten). In Jeruzalem, hier niet ver vandaan, is in de bouw het gebruik van deze, hier in de omgeving gewonnen kalksteen (even jeroesjalmit in het Hebreeuws, Jeruzalemsteen) al sinds 1918 verplicht, sinds Ronald Storrs, de Britse gouverneur van Jeruzalem e.o. zulks verordende. Ook in mijn woonplaats Beitar Illit is deze verordening van kracht. Je vraagt je af hoe het komt dat er nog heuvels in Judea over zijn, met de verwoede bouwactiviteit in dit land, en met zulke dikke muren. Het antwoord is gelegen in het gehalte aan nep in de plaatselijke architectuur.

In mijn huis, opgeleverd in 2000, is het gehalte aan nep, wat betreft de buitenmuur, ongeveer 80%. De muren van mijn huis zijn opgetrokken, deels uit beton, deels uit blokkim, grote, holle betonnen bouwelementen. Het aanzien van natuursteen is het resultaat van de tegen deze muren aangeplakte, rechthoekige stukken kalksteen van slechts 5 cm dik – dikker dan fineer op goedkope meubelen, maar niet dik genoeg om zelfstandig omhoog te blijven staan. (Overigens heb ik bij verbouwingen hier in Beitar Illit wel gezien dat de bouwvakkers eerst een paar rijen van deze natuurstenen platen op elkaar zetten, om daar vervolgens, van binnenuit, de betonblokken tegen aan te metselen).

Het was Ronald Storrs om de welstand begonnen. De plaatselijke kalksteen kleurt immers zo mooi bij zonsop- en zonsondergang – Jeroesjalajim sjel zahav, Jeruzalem van goud, zoals Naomi Shemer het bezong. Het gebruik van deze steen sluit ook aan bij de oude, nog bestaande architectuur, wat niet het geval zou zijn met grijs beton waarin je de sporen van de bekisting nog ziet, of constructies van zwart staal en blauw glas. 

Bovendien geeft de combinatie van beton en aangeplakte natuursteen een creatieve vrijheid die een architect bij werkelijk traditionele bouw niet zou hebben. Een interessant voorbeeld daarvan staat hier bij mij in de straat, de synagoge die behoort tot de jesjieva van rabbijn Chaim Ackerman (officieel Beit Hamidrash Yona Menachem z.l. Rennert, overeenkomstig de wens van de grootste geldgever). De architect heeft voor de ingang van deze synagoge van een traditionele boogvorm – inclusief sluitsteen – gebruik willen maken, maar tegelijkertijd een brede glazen pui in de gevel willen zetten, die binnen en buiten op uitnodigende wijze verbindt. Het resultaat is een monumentale omega op twee poten. Ik heb een aantal mensen op deze ingangspartij gewezen – en ze allemaal uit moeten leggen, waarom de zaak in elkaar zou lazeren als het een echte boog zou zijn geweest, en niet één van beton met ertegen aangeplakte natuursteen. Dat was natuurlijk geen representatieve steekproef onder de bevolking van Beitar Illit, die eenduidig iets zegt over de receptie, zoals het heet, van deze kunstgreep. Nochtans heb ik de indruk dat de architect ermee wegkomt. 


 

Het getal 316

Houtsnede op de titelpagina van Der gantz Jüdisch glaub

Gematria is een goed ding, maar het kan wel tegen je gebruikt worden. Zo stelde in 1530 de Duitse theoloog Anton Margherita (1492-1542) vast dat de getalswaarde van de zinsnede l’hevel w’rik in onze gebeden (“... want zij [de volkeren] buigen voor ijdelheid en leegte...”) dezelfde is als de getalswaarde van Jesjoe’a, Hebreeuws voor Jezus. Margherita publiceerde deze vondst in een boek getiteld Der gantz Jüdisch glaub (Het gehele joodse geloof), dat ten doel had de joden, door uit te leggen wat ze nu eigenlijk geloofden en praktiseerden, in een kwaad daglicht te stellen. Margheritas gezag in deze materie berustte op het feit dat hij zelf een gesjmadde jood was.


Het gebed waar het hier om gaat is Aleinoe (Ngoleinoe op zijn Hollands) lesjabeiach (Op ons [berust de plicht] om te prijzen). Als u alleen de Hoge Feestdagen houdt, kent u het van moesaf op Rosj Hasjanah en Jom Kippoer, de oorspronkelijke plaats voordat het in de Middeleeuwen aan het slot van alle dagelijkse gebeden werd geplaatst. Dat de zojuist geciteerde zinsnede niet zo bekend klinkt, komt omdat deze, door censuur en zelfcensuur, uit de Asjkenazische siddoeriem verdwenen is. De traditionele melodie die in Amsterdam gezongen wordt is toegesneden op de gezuiverde versie; de oorspronkelijke tekst van Aleinoe kan er niet op gezongen worden. In Königsberg (Oost-Pruisen, thans Rusland) nam de overheid gedurende de 18e eeuw geen enkel risico en stelde een, door de joodse gemeenschap gesalarieerde, Christen-beambte aan om tijdens sjoeldiensten te waken over het uitspreken van de juiste, gecensureerde tekst, een ambt dat tot 1778 voortbestond.
Nu klopt Margheritas gematria niet helemaal: Jesjoe’a = 386 en l’hevel w’rik = 383. Dit was hem uiteraard niet ontgaan, maar geen nood. Omdat de joden de Drieëenheid niet erkennen, verminderen zij Jesjoe’a met 3, zodat het toch uitkomt. Bovendien, stelt Margherita, w’rik alleen heeft een getalswaarde van 316, hetgeen weer overkomt met Jesoe (joed-sin-wav), hetgeen een Hebreeuwse variant van Jezus’ naam zou zijn. Op deze redenering is wel een en ander aan te merken, maar daar staat tegenover dat bewijsvoering niet zo ter zake doet bij stellingen die antisemieten welgevallig zijn. Trouwens, op dit punt in het gebed spuwen de joden in afschuw op de grond, laat Margherita niet na te vermelden, dus hoeveel bewijs verlangt een Christenmens nog meer?

Er is van joodse zijde wel geprobeerd om Margherita en degenen die van de 16e tot en met de 18e eeuw in de Duits sprekende landen zijn beschuldigingen herhaalden (o.a. de apostaten Ernst Ferdinand Hess, Dietrich Schwab en Samuel Friedrich Brenz, de Christen-hebraïsten Johannes Buxtorf, Johann Christoph Wagenseil en Johann Andreas Eisenmenger) tegen te spreken. Er was zelfs een weerwoord dat al ruim honderd jaar ouder was dan Margheritas beschuldigingen, te vinden in R. Jom Tov Lippman Muehlhausens Sefer Nitzachon (ca 1400), waarin deze een zekere Peter, een mesjommed die voorheen Pesach heette, sprekend opvoerde met het verwijt dat w’rik en Jesoe dezelfde gematria hadden (Margherita kwam dus niet echt met een originele vondst). Sefer Nitzachon bestond alleen in manuscript, maar in druk vond R. Jom Tov Lippman navolging in het boek Jüdischer Theriak (Joods tegengif, 1615) van R. Solomon Zwi uit Aufhausen, gericht tegen Brenz’ Jüdischer abgestreifter Schlangenbalg (Joodse afgestroopte slangenhuid, 1614), R. Menasseh ben Israëls Vindiciae Judaeorum (1656) en naderhand, in de tweede helft van de 18e eeuw, Moses Mendelssohns Zufällige Gedanken... über das Gebet ‘Alenu’. Deze apologeten brachten naar voren, dat Aleinoe reeds uit de tijd van Jehosjoea bin Noen stamde, of uit de tijd van Ezra, maar toch zeker van vóór het begin van de gewone jaartelling. Bovendien was de gewraakte passage waar l’hevel w’rik voorkomt een citaat uit Jesaja 30:7, resp. 45:20, uit een context die het gebrek aan vertrouwen in G’d, resp. de afgodendienst der volkeren tot onderwerp heeft. In Aleinoe kwam verder de zinsnede oemosjav jekaro basjamajim mima’al voor (“[die] de zetel van Zijn Majesteit in de hemel daarboven heeft”, in de vertaling van Dasberg), waarin het woord jekaro (Majesteit) eveneens een getalswaarde van 316 heeft - alsof Josjke zich, volgens het Joodse geloof, in de hemel daarboven zou bevinden! Kortom, wat betreft het getal 316 was de joodse gemeenschap zich van geen kwaad bewust.
De Christen-hebraïst Johann Christoph Wagenseil (1633-1705) was niet onder de indruk van dit verweer. De ouderdom van Aleinoe achtte hij onbewezen. Verder wees hij fijntjes op een andere redactie, waarin oemosjav jekaro is vervangen door het getalsmatig neutrale w’chise chevodo, met ongeveer dezelfde betekenis.
Inderdaad hebben een aantal 16e en 17e-eeuwse siddoeriem (die je online kunt raadplegen op de internetpagina’s van de Joodse Nationale en Universiteitsbibliotheek in Jeruzalem) deze redactie. Maar het is een goede joodse eigenschap om dan l’chaf zechoet te zijn, welwillend te oordelen (Pirkei Avot 1:6). Als we willen, kunnen we de wijziging van oemasjav jekaro in w’chise chevodo opvatten als teken dat Peter v/h Pesach, Margherita e.a. ons eerst op de gevoeligheid van woorden met de getalswaarde 316 attent hebben gemaakt. Overigens hebben niet alle Asjkenazische siddoeriem uit de aangeduide periode de gewijzigde tekst. Voorts is heden ten dage deze alleen nog als voetnoot terug te vinden in een enkele uitgave van de siddoer (bijvoorbeeld Feldheims Hirsch Siddur en de Siddoer Vilna), hetgeen erop wijst dat het getal 316 ons eigenlijk onverschillig laat.

Maar hoe zit het met dat spuwen? Dat er op dit punt in Aleinoe op de grond werd gespuwd, blijkt alleen al uit een Jiddische zegswijze. Er koemt tzoem ojssjpehen (hij komt bij het spuwen) betekent dat iemand ergens laat, zoals Aleinoe zich aan het slot van de gebeden bevindt, komt aanzetten. In zijn boek Rabinische Ceremonialgebraüche (Breslau, 1837) wijdt Moses Brück, een pionier van de Reformbeweging in Oostenrijk-Hongarije, een kort hoofdstuk aan het fenomeen (Vom Ausspucken beim Schluszgebete Alenu). Hij keurt het gebruik af als “tadelhaft”, “lächerlich” en “barbarisch”, en wijst erop dat er geen halachische grond voor te vinden is, “niet bij de Rema [R. Mosje Isserlis (1520-1572)] en niet bij de overige acharonim [latere geleerden]”. Integendeel, de rabbijnen zijn er mordicus tegen. Brück citeert hier de Sjeloh hakadosj, R. Jesaja Horowitz (1565-1630), die het een verkeerde gewoonte van “enkele individuen uit het grauw” noemt.
Moses Brück brengt echter niet de Taz (Turei Zahav, R. David Segal, 1586-1667), die zijdelings een opmerking over ons onderwerp maakt, als hij verbod op het spuwen op een wond bespreekt, voorafgaand aan het citeren van een Bijbelvers: “ [...] daarom moet men geen vergelijking maken met [het spuwen van] diegenen die de gewoonte hebben te spuwen voorafgaand aan w’anachnoe kor’im [“en wij buigen”, de volgende passage in Aleinoe], omdat iedereen weet dat daar het spuwen tot verachting van de afgoden van de afgodendienaren is, en het de eer des Hemels is die men daarbij in herinnering brengt.” Net zoals R. Solomon Zwi en R. Menasseh ben Israël op de vóór-Christelijke oorsprong en betekenis van de passage l’hevel w’rik wijzen, brengt de Taz het spuwen in verband met de afkeer van heidense afgodendienst. Kennelijk is hij niet bevreesd, ongelijk de Sjeloh hakadosj, dat er risjes van komt omdat de Christenen het abusievelijk op zichzelf betrekken. Overigens laat de Taz in het midden of het spuwen l’hevel w’rik begeleidt of dat deze zin wordt weggelaten. De hedendaagse Siddoer Vilna (1994), die zich voor de regels voor Aleinoe op o.a. de Taz betrekt, laat echter in dezen geen twijfel bestaan: “Men heeft de gewoonte om te spuwen op het moment dat men w’hem misjtachawim l’hevel w’rik zegt.”

De Siddoer Vilna, onder redactie van R. Jisroel Meir Hirsch, is het gebedenboek van de radicaal-orthodoxe Neturei Karta. Of zij werkelijk op de grond spuwen in hun sjoels, zou ik niet kunnen zeggen. Ik heb wel gezien hoe chassidiem van de Lubavitcher rebbe, in het minjan voor alle gezindten waar ik door de week naar toe ga, niet echt stiekem, maar toch onopvallend, vanachter de hand, tijdens Aleinoe een kloddertje spuug laten vallen dat ze vervolgens met de schoenzool uitpoetsen op de vloertegels. Dat is geen particulier initiatief; het is een minhag die o.a. wordt genoemd in Sefer HaMinhagim, The Book of Chabad-Lubavitch Customs (vertaling Uri Kaploun, New York, 1994). De reden om te spuwen die hier wordt gegeven is dat men geen profijt wil hebben van het speeksel dat zich heeft opgehoopt in de mond tijdens het uitspreken van het zinnetje over de afgodendienst der volkeren (p. 35). Deze volkeren buigen zich overigens, volgens de redactie van de gebeden in de siddoer van Chabad (waar de gewraakte zin wel in staat, althans, ten dele), niet l’hevel w’rik maar l’hevel w’larik, slechts één letter maar dertig punten meer, zodat de gematria helemaal niets meer met Josjke te maken heeft.

Het lijkt erop dat de antichristelijke intenties die Aleinoe zou hebben alleen bestonden in de boosaardige fantasie van Anton Margherita en al die andere apostaten die voor wat voor reden dan ook hun vroegere geloofsgenoten in diskrediet wilden brengen. Dat is echter niet helemaal waar. De boosaardigheid van Margherita c.s. staat buiten kijf - maar in de siddoer van R. Solomon ben Samson uit Worms (11e eeuw) is de volgende aantekening te vinden bij de woorden l’hevel w’rik: “Een verwijzing naar Jesoe, die de volkeren later in dwaling zouden volgen [R. Solomon is eveneens overtuigd van de antieke oorsprong van Aleinoe]. W’rik is de gematria van Jesoe.” Het is echter de vraag hoeveel gewicht je aan deze woorden moet toekennen. Bij mijn weten is de siddoer van R. Solomon pas in 1971 gepubliceerd, op grond van drie handschriften in Budapest, München en Oxford, die niet eens alle drie deze passage hebben.
In verreweg de meeste gedrukte Ashkenazische siddoeriem, vanaf de 16e tot ver in de 20e eeuw, zou de passage met l’hevel w’rik verdwijnen. Of daarmee alle connotaties van deze woorden uit de joodse geest gebannen zouden zijn, is nog maar de vraag. Wat hadden degenen die zich druk maakten over Aleinoe eigenlijk verwacht, met de manier waarop de joden bejegend werden in de landen van Europa - voor zover ze daaruit niet verdreven waren, indien niet gedwongen bekeerd (Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal)? In Aleinoe prijzen wij G’d, “die ons niet als de volken van andere landen gemaakt heeft, ons niet met de andere geslachten op aarde gelijkgesteld heeft, ons deel niet als het hunne, ons lot niet als van het gros van hen” (in de vertaling van Dasberg). Wie in en na de Middeleeuwen deze woorden zei, kwamen niet in de eerste plaats hindoes, boeddhisten of heidense afgodendienaren in gedachten. Aleinoe is echter veel meer dan het afgeven op een ander geloof; het is de dagelijkse bekrachtiging van het geloof in die ene G’d die, hoewel je dat afgaande op hun benarde lot in deze wereld niet zou zeggen, de joden heeft uitverkoren om Hem te dienen. Apostaten als Margherita waren erop uit zich te verbeteren, zo niet in materiële zin (meestal een teleurstelling, volgens historica Elisheva Carlebach: bekering leverde vaak niet meer dan een bedelvergunning op), dan wel in metafysische zin. Aleinoe ontkende niet alleen het succes, maar zelfs de mogelijkheid van dit laatste. Daarom zat uitgerekend dit gebed ze zo dwars.

Enkele voetnoten:

Sefer Nitzachon: De Christelijke theoloog Theodor Hackspann bezorgde een editie van twijfelachtige kwaliteit, gedrukt in het judenreine Neurenberg in 1644, ten gerieve van Christen-polemisten.

vertaling van Dasberg: Siach Jitschak (...), De geordende gebeden voor het gehele jaar, Nederlandse vertaling door Jitschak Dasberg, Amsterdam, 1986, p. 73.

Wagenseil: J. Chr. Wagenseil, Benachrichtigung (...) worinnen (...) IV. Bericht von dem Jüdischen Gebeth Alenu, Leipzig, 1705

R. Solomon ben Samson: M. Hershler, Siddur of R. Solomon ben Samson of Garmaise, including the Siddur of the Haside Ashkenaz, Jeruzalem, 1971, p. 124-125 (Hebreews).

Elisheva Carlebach: E. Carlebach, Divided Souls, Converts from Judaism in Germany, 1500-1750, New Haven/London, 2001

Nuttige links:
http://sammlungen.ub.uni-frankfurt.de/judaica/nav/index/all
http://www.jnul.huji.ac.il/eng/digibook.html
http://hebrewbooks.org/

Liturgische dispositie



De één voelt zich onzeker in een vreemd café, een ander iemand breekt het zweet uit in een leesbibliotheek, en een derde is niet op zijn gemak in een joodse synagoge. Het lijkt wel of het hier allemaal habitués zijn! Iedereen schijnt elkaar te kennen en te weten hoe het hier toegaat en wat ze hier doen.

Nu kun je je door voorbereiding in zekere mate wapenen tegen een dergelijke situatie. In het geval van sjoelbezoek kun je thuis van tevoren Baderech lezen, al tientallen jaren in de handel en nog steeds niet uitverkocht. Het boekje bevat een aantal toepasselijke hoofdstukken, waarin rabbijn Ies Vorst uitlegt wat er nu eigenlijk gebeurt in zo’n sjoel – tenminste, als ik me dat goed herinner, want ik ben mijn exemplaar al een tijdje kwijt.

Geen nood, want ik ben zelf een habitué in sjoel, net als de rest van de mannelijke bevolking van het vrome stadje Beitar Illit in de heuvels van Judea. Maar omdat ik hier al sinds het eind van de vorige eeuw woon, weet ik niet meer zo goed, hoe het ook alweer precies toeging in sjoel in Amsterdam. Daarom had ik mijn hoop gevestigd op rabbijn Jehoeda Brillemans Minhagee Amsterdam, waarvan iemand mij een exemplaar van de Nederlandse vertaling (2007) cadeau had gedaan.

Nu blijkt bij lezing van Minhagee Amsterdam al snel dat het geen antropologische studie is, waaraan nauwkeurige observatie ten grondslag heeft gelegen. Zo zou men niet over “onnodige zaken” spreken in sjoel. Ik heb het nog even geverifieerd bij een andere Hollander in Beitar Illit, maar ook volgens hem was dat helemaal niet de minhag in Amsterdam. Ik herinner me wel dat in een bepaalde sjoel de gabbe met vlakke hand op de bima placht te slaan, als de conversatie het lajnen van de haftara begon te overstemmen. Dát was de minhag!

Minhagee Amsterdam is meer een studie naar de wijze waarop gabba’iem, parnassijns en rabbijnen wensten dat men zich gedroeg in sjoel. En juist omdat het daar in de praktijk soms niet zo van kwam, vind je allerlei interessante nieuwtjes in het boek. Ik heb bijvoorbeeld nooit geweten dat “niemand... zonder toestemming van de parnasiem tussen de Aron hakodesj en de bima [mag] staan”. Dat is een eigenaardige bepaling, als je bedenkt dat er in de Asjkenazische sjoels hier in Beitar Illit en waarschijnlijk ook elders in Israël, vrijwel altijd banken en tafels tussen Aron hakodesj en bima staan, en de occupeerders daarvan tijdens Borchoe, Sjemone ‘Esre, kaddisj en ’Alenoe vanzelf tussen beide in komen te staan. Maar in Amsterdam en elders in Nederland staan en stonden er geen banken op die plaats. Als ik het mij goed herinner, staat er niets – behalve soms, zoals in de Jacob Obrechtstraat en de Lekstraat, een soort bijzettafeltje.

En dan is er nog iets: aan weerszijden van deze lege ruimte tussen Aron hakodesj en bima staan de banken dikwijls een kwartslag gedraaid, en zitten de occupeerders niet met het gezicht in de richting van Jeruzalem, maar – althans de voorste rijen aan weerszijden – met het gezicht naar elkaar toe. Dat verklaart meteen het bestaan van de lege ruimte: anders zit je elkaar zo van dichtbij aan te kijken.

Nu heeft een dergelijke opstelling van het meubilair wel degelijk een functie, althans een effect: een statig verloop van de kleine processie die het sefer Torah van de Aron hakodesj naar de bima, en na het lajnen en hagbe weer terugbrengt, onder het gezang van de gemeente (l’cho Hasjeim hagedoeloh enz., resp. houdou ngal eretz w’sjomojiem enz.). Als zodanig lijkt het wel of er sprake is van wat architectuur- en kerkhistorici een bankenplan noemen – wat heet: een liturgische dispositie! – zeker in vergelijking met het in beginsel informele karakter van de joodse eredienst (je kunt overal minje maken, desnoods buiten op de stoep, als het er maar niet stinkt). De lege ruimte tussen Aron hakodesj en bima is als het ware een soort van een toneel, waar een onbevoegde zich niet zomaar mag ophouden, laat staan met een ander mag staan smoezen, al valt dit laatste onder een ander verbod. 

Maakt het nu allemaal iets uit? Hier staan de banken zó en ergens anders staan ze zó, en wat dan nog? Inderdaad – maar voor mijzelf is er toch een praktisch onderscheid. In mijn woonplaats Beitar Illit ben ik lid van de “Duitse” sjoel, die zich houdt aan de noesach van Frankfort aan de Main, volgens kenners de meest oorspronkelijke Asjkenazische ritus. Van vreemde (luriaanse, chassidische, e.d.) smetten vrij, zal ik maar zeggen. Nu heb ik het eens nagekeken, en het blijkt dat zowel in de sjoel van de Israelitische Religionsgesellschaft in Frankfort (de gemeente van rabbijn S.R. Hirsch), als in die van de opvolger daarvan, Kehillas Adass Jeschurun in Washington Heights, New York, er gewoon rijen banken tussen Aron hakodesj en bima staan, allemaal met de neus naar voren. Hetzelfde geldt voor de sjoel van de oorspronkelijke gemeente, waarvan de Religionsgesellschaft was afgescheurd. En zo staan ook de banken in mijn Duitse sjoel, die overigens de sjoel van een Litvisje jongensschool is die we voor sjabbos en jomtov huren.

Maar ik heb ook een afbeelding van een uit 1855 daterende tekening gevonden, van de “oude”, allang niet meer bestaande sjoel in de Judengasse in Frankfort, waarop de banken ook een kwartslag gedraaid zijn en aan de zijden staan. Ik weet niet of ik dit nu aan de andere leden van de Duitse sjoel moet vertellen. Het is momenteel al zo, dat vrijdagmiddag de ’amoed van naast de Aron hakodesj tot ervoor versleept wordt, de eigenlijke plaats volgens de oorspronkelijke minhag. Toegegeven, een kleine verbouwing, maar waar het, wat mij betreft, wel bij mag blijven. 



Kort nadat ik bovenstaande had geschreven, belde de eerdergenoemde Hollander met de mededeling dat rav Just was overleden en dat hij diezelfde avond op Har HaZetim begraven zou worden. De lewaje was ’s ochtends vroeg al begonnen op het traject Amsterdam-Schiphol, de avond daarvoor voorafgegaan door een herdenkingsdienst in de sjoel in de J. Obrechtstraat. Ik zag daar later beelden van op YouTube. Interessant genoeg bleek de lege ruimte in deze sjoel nog een functie te hebben, al wordt deze zelden benut: tijdens de hespedim stond de kist met het stoffelijke overschot van de rav er opgesteld. Vervolgens was er rondom de baar ampel bewegingsruimte voor de zeven hakafot.

(2010)

 


Reve in Israel

Laat een puinbak onder je raam zetten en wees verder niet sentimenteel.
Dat had ik indertijd een vriend aangeraden. Maar toen we zelf op alijah gingen, konden we van heel wat rommel moeilijk afscheid nemen. Andere dingen gingen echter zonder pardon de deur uit, waaronder alle boeken van Gerard Reve die we in ons bezit hadden.
Alijah betekent zoiets als bestijging, beklimming, maar dan niet in de zin die Reve daaraan gegeven zou hebben. Alijah is een opgang in letterlijke betekenis, bijvoorbeeld als je een alijah krijgt in sjoel. Wie wordt ópgeroepen voor de Torah dient zich te vervoegen aan de bimah, de enigszins schuine tafel waarop de Torah ligt opengerold. Deze bimah nu staat vaak op een podium, twee, drie treedjes van de grond. Het is een totum-pro-parte, want genoemde tafel heet nog steeds bimah (letterlijk: podium, verhoging) wanneer deze gewoon op de grond staat, zoals in de vele armeluissjoeltjes hier in Israël, met plastic tuinstoelen als meubilair, maar ook zoals in de CIZ-sjoel, sjoel Amstelveen en die van het Cheider.

Ook alijah in de betekenis van emigratie naar Israël is een tocht omhoog, want Israël, leert de Talmoed, ligt het hoogst van alle landen. Dit kan men het best uitleggen aan iemand die “Nepal” sputtert door een sinaasappel te nemen, bij voorkeur een navelsinaasappel, die te draaien totdat de navel bovenop ligt en te zeggen: “Kijk, dit is Israël.” Het gaat hier trouwens niet om aardrijkskundige feitjes, maar om spirituele waarheden. Alijah dient een spiritueel stijgen te zijn, sjteigen in jiddisjkeit. Serieuze christenen, l’havdil, noemen zoiets, vreemd genoeg, verdieping van het geloof. In ieder geval, in dit proces was geen plaats voor de boeken van Gerard Reve, die tenslotte een toffelemoon was. En van de in Reves boeken tot in detail beschreven zeden en gewoonten, wat zouden onze kinderen, alle vier keurige Cheider-meisjes, daar wel niet van denken, als ze zich eenmaal zouden gaan verdiepen in de Nederlandse literatuur?

Het zijn nog steeds keurige meisjes, nu ruim zeven jaar na onze alijah. Ze spreken nog steeds Nederlands, vrijwel uitsluitend met ons, hun ouders. Onder elkaar spreken ze een wisselend mengsel van Nederlands, Engels en Hebreeuws; met anderen Engels of Hebreeuws. Ze lezen vrome, joodse boeken met een opheffende boodschap, maar ook gojse, althans seculiere boeken in het Engels of het Hebreeuws, maar slechts zelden een boek in het Nederlands, en al helemaal geen Nederlandse literatuur. Nu hebben we ook niet zoveel keus. Samen met de boeken van Reve zijn er heel wat andere de deur uit gegaan. Er komt ook nauwelijks iets bij. Je ziet hier eenvoudigweg geen Nederlandse boeken die je door hun omslag of pakkende flaptekst tot aanschaf zouden kunnen verleiden. Ook in de tweedehandsboekenzaken (waarvan er hier trouwens veel minder zijn dan in Nederland, hoewel er grote hoeveelheden boeken onder de mensen zijn) worden geen Nederlandse boeken aangeboden. Wie zou ze moeten kopen? Een paar jaar geleden heb ik niettemin een stel Nederlandse boeken verworven, waaronder drie van Karel van het Reve, een cadeau van een vriend die ze in Jeruzalem bij het vuilnisvat had gevonden. Het is het lot, mag je aannemen, van de meeste Nederlandse boeken die ooit mee naar Israël zijn gekomen, op het moment dat ze loskomen, zoals dat heet. En zo gaat het niet alleen met Nederlandse boeken. Ook de bibliotheek van oom Zwi, verre familie van mijn vrouw die in 1935 uit Duitsland was gekomen en in 1995 overleed, ging voor een groot deel met de vuilnisman mee.
Als mijn dochters toch nog behoefte krijgen aan Nederlandse literatuur, kan ik ze niet veel meer bieden dan het verzamelde werk van Elsschot in één band, de verhalen van Nescio, de drie Karels van het Reve, twee bundels met krantenstukjes van Jacob Israël de Haan over dit land, een boek van Leon de Winter dat zich hier afspeelt, en nog wat kleingoed. En de briefwisseling van Gerard Reve en Simon Carmiggelt.

Het gaat hier niet om het boek Brieven aan Simon C. uit 1981. Zoals gezegd, we hebben geen boeken van Reve meer. Ik bedoel de brieven zelf, keurig op volgorde in een map, die van Reve aan Carmiggelt én die van Carmiggelt aan Reve. De laatste kwamen ter veiling in 1990, de door Reve geschreven brieven in 1991. Niet dat ik de koper was – chas we-sjalom (G’d beware) dat ik fenomenale bedragen zou uitgeven aan beschreven papier. De brieven van Carmiggelt gingen weg voor fl. 6000 plus 20% opgeld; die van Reve werden opgehouden voor fl. 35.000. (Een enkele handgeschreven brief van Reve deed gemiddeld fl. 100 op de veiling, begin jaren negentig; de inbrenger, een broodschrijver uit een kleine provinciestad, was te gretig en wilde gemiddeld bijna fl. 300). De brieven die ik bezit zijn fotokopieën. Ik was in de gelegenheid zowel de ene als de andere partij brieven te kopiëren, toen ik bij het betreffende veilingbedrijf werkzaam was.
Het oorspronkelijke idee was om een paar fotokopieën te maken, teneinde bij het beschrijven van de brieven voor de catalogus niet telkens de originelen te hoeven beroeren of bloot te stellen aan lekkende pennen en omvallende bekers koffie. Maar omdat de brieven van Carmiggelt, in tegenstelling tot die van Reve, nooit waren uitgegeven en ook wel niet zouden worden, was de verleiding te groot om ze niet allemaal te kopiëren en de kopieën mee naar huis te nemen. Het handschrift van Reve heeft naar mijn mening (maar ik ben daarin geen deskundige) een verneukeratief-zeikerige kwaliteit die goed past bij de inhoud van het geschrevene, en die je mist als je dezelfde brieven in drukletters ziet. Daarom gingen ze ook onder het kopieerapparaat. Ter verdediging van mijzelf wil ik aanvoeren dat ik de fotokopieën wel degelijk heb gebruikt voor het beschrijven van de brieven in de veilingcatalogus. Die van Reve prees ik aan als “stylistically superb”. Nu hoort u het eens van een veilingmedewerker!



Toen we onze spullen inpakten voor de verhuizing naar Israël, zat ik met deze stapel fotokopieën in mijn maag. Ik wilde ze niet mee, om dezelfde reden als de boeken van Reve. Nu had ik alle boeken die ik kwijt wilde, al verkocht via dezelfde boekenveiling, waarvoor ik op dat moment nog werkte. Ik vreesde echter dat ik mijn eigendomsrecht op de fotokopieën, die ik op het fotokopieerapparaat van het bedrijf had gemaakt, niet goed zou kunnen verklaren. Het was ook niet gepast om ze aan te bieden aan een gespecialiseerd antiquaar als bijvoorbeeld Piet van Winden van de firma Aioloz, want het waren tenslotte kopieën van iets dat niet van mij was. En weggooien was in dit geval toch echt zonde.


Papier gaat langer mee dan mensen, zelfs als het gemaakt is van gemalen waaibomenhout waarop zure regen gevallen is, als je het maar zorgvuldig bewaart. Dat doe ik ook met de gefotokopieerde correspondentie tussen Reve en Carmiggelt. Al zijn het niet de echte brieven, het is toch een uniek bezit. Er is waarschijnlijk niemand anders in Israël die zoiets heeft, en zeker niemand bij mij in de straat. Maar hoe zal het in de toekomst gaan? Als, na 120 jaar b’ezras Hashem (met G’ds hulp) onze dochters en andere erven de aangekoekte troep van een mensenleven moeten opruimen, gaat het restant Nederlandse boeken naar het oud vuil. Zo is dat nu eenmaal. En wat voor de boeken geldt, geldt des te meer voor een stapeltje fotokopieën.

(2008)