Posts tonen met het label Oostelijke Eilanden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oostelijke Eilanden. Alle posts tonen

Lichaamsgeur


Lichaamsgeur is een heikel onderwerp. Dat blijkt alleen al uit de mop waarin A tegen B zegt (Moos tegen Bram, de meester tegen Jantje, Van Gogh tegen Gauguin, Nasser tegen Arafat, enz.; diverse ensceneringen zijn mogelijk):
“Zeg, heb jij een scheet gelaten?”
“Ja natuurlijk! Dacht je soms dat ik altijd zo stonk?”

Mijn vader heeft me wel eens verteld dat hij op de lagere school, tegen zijn zin, naast een jongetje moest zitten dat ze Poepie noemden, omdat hij zo stonk. Ik had ook een klasgenootje met lichaamsgeur, ondanks ons wekelijkse, klassikale bezoek aan het aan mijn lagere school belendende Gemeentelijk Badhuis. Dat hadden we wel eens onderling besproken (hij verspreidde ‘een muffe lucht’, hadden we geconcludeerd), maar we noemden hem geen Poepie of iets in die trant, want a) hij was een aardige gozer die b) goed kon vechten.
In een apocrief verhaal spreekt een onderwijzer de ouders aan over de lichaamsgeur van een leerling, als hij deze van school stuurt met een briefje waarin als reden staat ‘dat hij stinkt’. Het jongetje verschijnt prompt terug op school, met een briefje van zijn moeder. Daarin staat: “Alsdat Jantje niet is om aan te ruiken maar om aan te leren.”

Lichaamsgeur is niet altijd onaangenaam. Kinderen in de zuigelingen- of peuterleeftijd zijn dikwijls lekker om aan te ruiken. Ik haast me hier te zeggen dat ik het over mijn eigen kinderen en kleinkinderen heb en dat het ruiken – aan hun hoofdjes – in het voorbijgaan geschiedt, als je ze voor praktische doeleinden – om ze in de kinderstoel te zetten, naar bed te brengen, e.d. – toch hebt opgetild. Toen mijn jongste dochter Tsippie een peuter was, waren mijn vrouw en ik een keer om een of andere reden onder schooltijd op bezoek op Rosj Pina, de school die mijn andere drie dochters toen bezochten. In de gang kwamen we Renée Frank tegen, de lerares joodse vakken. Ik had Tsippie op mijn arm en Renée maakte de opmerking, of Tsippie nu ook naar school kwam. Ik antwoordde: “Deze is nog om aan te ruiken, niet om aan te leren.” Omdat ik haar bovenstaande inleiding niet had verstrekt, geloof ik dat Renée me niet helemaal begreep.

Aan het internet ontleen ik dat bovenstaande anekdote over Carry van Bruggen wordt verteld (waarin zij niet stonk, maar het eerste briefje schreef), hetgeen in 1975 op papier verscheen in Jeroen Brouwers’ Zachtjes knetteren de letteren. Ik had het verhaal echter al eerder gehoord. En dat boek, moet ik toegeven, heb ik nooit gelezen.


Taalverwerving

De lagere school die ik tussen 1961 en 1967 bezocht, de Parelschool te Amsterdam, had een talenpracticum. Dat zou nu geen opzienbarend nieuws zijn, maar de officiële ingebruikneming ervan, verricht door mr. Diepenhorst, minister van Onderwijs en Wetenschap in het kabinet Cals, haalde eind 1965 de krant.

Ik was daarbij, want ik behoorde tot de leerlingen die de werking van het practicum aan de minister en de andere genodigden moesten demonstreren. Ik volgde na de opening nog zo'n anderhalf jaar lessen in het talenpracticum, tot ik van school af ging. De middelbare school waar ik vervolgens heen ging had er geen en ik kwam pas in 1974 weer met een talenpracticum in aanraking toen ik een cursus Italiaans volgde aan de Universiteit van Amsterdam. Dat talenpracticum, behorend aan de Faculteit der Letteren, was een wonder van techniek vergeleken met dat van de Parelschool: iedere cabine had een eigen, door jezelf te bedienen bandrecorder, terwijl je via koptelefoon en microfoon met de docent in verbinding stond. Op de Parelschool was het simpeler. Nu kon je mij en mijn klasgenoten beter geen eigen bandrecorder toevertrouwen, maar dat was niet de reden. De kosten waren zo laag mogelijk gehouden. In de krant stond indertijd dat de ouders van de leerlingen die zelf hadden opgebracht. Ik sluit niet uit dat het energieke hoofd van de Parelschool, J.R. de Groot, de ouders inderdaad zo gek had gekregen, maar het is ook mogelijk dat hij ergens een subsidie had geregeld. In ieder geval had een aantal ouders, waaronder mijn vader, in de avonduren de cabines in elkaar getimmerd en van bedrading voorzien, onder gebruikmaking van bestaand schoolmeubilair. De technische uitrusting was minimaal: één centrale bandrecorder, bediend door de leerkracht, gaf een signaal aan alle koptelefoons. Er waren geen microfoons in de cabines. Wel was er een diaprojector.

Het was dus een armeluistalenpracticum, maar tegelijkertijd een luxe waarover geen enkele andere lagere school beschikte, en dat terwijl het leren van een vreemde taal niet eens op het rooster van het openbaar lagere onderwijs stond. Wel werd er op de Parelschool, net als op andere lagere scholen, al sinds jaren twee keer per week na vieren een uurtje Franse lesgegeven aan een paar kinderen waarvan de ouders dat wilden, georganiseerd door de Stichting V.O.C.O.F. (Volksonderwijs Commissie voor Onderricht in het Frans). Ook het nieuwe talenpracticum diende voor het geven van Frans, eveneens buiten de normale schooltijd. Ik nam deel aan beide extracurriculaire activiteiten om deze taal machtig te worden. Nu stonden die methodisch haaks op elkaar. De lessen van de V.O.C.O.F., onder leiding van een francofiele schooljuffrouw die een klasgenoot de naam “de artistieke sjagerijn” had gegeven, kwamen gewoon uit een lesboek en behelsden het leren van woordjes en grammaticale vormen. Het lesmateriaal en de lesmethode in het talenpracticum waren daarentegen afkomstig van een Belg (wiens naam ik ben vergeten) die zich op het standpunt stelde dat je een vreemde taal niet door in het hoofd stampen leert, maar het best zoals elk kind leert praten: door imitatie van wat het hoort. Volgens zijn theorie zouden we eenvoudig Frans leren door het simpelweg herhaaldelijk nazeggen van zinnetjes die we over onze koptelefoons hoorden. Die zinnetjes vormden samen een verhaaltje. Dat mocht niet vertaald worden; we moesten de strekking opmaken uit de dia's die bij het beluisteren en nazeggen van de band vertoond werden. Voor de zekerheid was dat verhaaltje uiterst simpel gehouden: een gezin, vader, moeder, dochter, zoon, maakt zich 's morgens op om vanuit de voorstad waar ze wonen naar Parijs te gaan, voor school en werk. Behalve dia's van situaties (een wekker die afgaat naast het hoofd van zoontje e.d.) waren er ook plaatjes van dingen als vaders aktentas, zodat we erachter konden komen wat de klank laservjette toch betekende. Ik maak op uit de krant (De Waarheid van 13 november 1965) dat de Belg bij de opening van het talenpracticum zijn systeem heeft verduidelijkt (ik kan me zijn aanwezigheid bij de plechtigheid inderdaad vaag herinneren). “Het hindert niet,” tekende de krant uit zijn mond op, “als ze de woorden niet begrijpen. Het voordeel hiervan is dat de kinderen geleerd wordt in de vreemde taal te denken.”

Hierop lijkt mij niets aan te merken, althans puur in theorie. In ieder geval toonde hoofdonderwijzer J.R. de Groot “zich een overtuigd en enthousiast voorstander van deze methode,” nog steeds volgens De Waarheid. Ik heb zelf zo mijn bedenkingen. In ieder geval heb ik nooit in het Frans leren denken. Hoeveel kennis van het Frans ik aan anderhalf jaar les in dit talenpracticum heb overgehouden, is moeilijk te zeggen, omdat ik het ook op de andere manier leerde (en daarmee doorging op de middelbare school). Maar volgens mij kwamen we op het talenpracticum van de Parelschool niet verder dan klanknabootsing, waarvan de nauwkeurigheid nergens aan werd getoetst en die ook nog werd gehinderd door het Amsterdamse onvermogen om bijvoorbeeld een stemhebbende z of een klare aa te zeggen.

Nu zou niemand daar verder ooit iets van gemerkt hebben, een enkele journalist daargelaten (“Typisch was wel, dat na zeven maanden talenpracticum, waarbij dus de kinderen van meet af Frans horen spreken, de ferventste Mokumers toch hun Frans nog spreken met een echt Amsterdams accent,” aldus De Waarheid van 22 november 1967). Maar toen (ik zat inmiddels in de zesde klas) kwam er een Franse delegatie op bezoek, waaraan J.R. de Groot gaarne zijn talenpracticum wilde tonen. Ten gerieve van deze delegatie moesten wij een deel van het verhaaltje (het gezin stapt in de auto, waarbij zich een of andere verwikkeling voordeed) uitbeelden in een toneelstukje voor twee meisjes, twee jongens (waarvan ik er één was) en vier stoeltjes (de auto). We zeiden de hele dialoog die we al zo vaak over onze koptelefoons gehoord hadden (en nog extra om het tafereeltje in te studeren). En als je de tekst erbij zou hebben gehad, zou je misschien gezegd hebben, dat komt nog aardig in de richting. Helaas hadden die Fransen, zover ik weet, de tekst niet bij de hand (en Fransen zijn in het algemeen niet zo toeschietelijk of vlot van begrip als een vreemdeling hun taal probeert te spreken, al is dat wellicht een idée reçue). Ik weet niet of ze iets hebben laten merken aan de heer de Groot. Maar als ik eraan terugdenk, vind ik ons optreden (al kun je kinderen die slechts de wensen van een hoofdonderwijzer ten uitvoer leggen niets kwalijk nemen) toch wel tamelijk gênant.

 


J.R. de Groot bedient zelf de diaprojector 

Aantekening over de geraadpleegde bronnen:

Die oude kranten hebben mijn ouders niet bewaard. Ze lazen trouwens Het Parool. De oude jaargangen van De Waarheid maken deel uit van de gedigitaliseerde krantencollectie van de Koninklijke Bibliotheek (waarin Het Parool ontbreekt), tegenwoordig te raadplegen via Delpher.

De Parelschool


Water


De stad Amsterdam ramt zich op de borst om haar vele grachten en meer dan duizend bruggen, maar naar schatting de meeste Amsterdammers wonen in straten en op pleinen (al is er meestal wel water in de buurt). Zelf heb ik gedurende een gedeelte van mijn jeugd, tussen 1955 en 1971, het voorrecht genoten om aan het water te wonen, op de Wittenburgergracht aan de Nieuwe Vaart. Daarna heb ik nog een tijdje ik in het suburbane Amsterdam-Nieuwendam aan een siersloot gewoond, waarvan ik nooit de naam geweten heb. Mogelijkerwijs had deze watermassa een functie in de afwatering van het gebied, maar het was geen waterweg. Er voer nooit een boot. 's Winters werd er wel geschaatst, maar in kleine rondjes – je kon nergens heen schaatsen. Op de Nieuwe Vaart werd nooit geschaatst, zelfs niet in de legendarisch strenge winter van 1963. Waarschijnlijk was het water hoe dan ook te diep om goed te bevriezen (er werd regelmatig gebaggerd), maar de vaart werd ook bevaarbaar gehouden. Toen halverwege de 19e eeuw het Oosterdok werd ingericht als haven, maakte de Nieuwe Vaart daar ook deel van uit. Maar toen ik heel klein was – of misschien nog vóór mijn geboorte – werd de kade langs de vaart vervangen door een schuine wallekant en werden de rails voor de goederentreinen opgebroken om plaats te maken voor een brede asfaltweg. Echte havenactiviteit was er niet meer, maar tijdens mijn jeugd was er niettemin regelmatig waterverkeer: sleepbootjes trokken dekschuiten, er voer een vuilnisschuit, er werd geroeid – niet in slanke wedstrijdboten, maar in sloepen (de roeiers waren leerlingen van de Zeevaartschool op de Prins Hendrikkade). Op de werf van Kromhout werd nog gewerkt, en aan de andere kant van de sluis lag een zeeschip afgemeerd, als het niet buitengaats was om kabels te leggen (het had daarvoor een speciale constructie op de boeg). Dát is water voor de deur! De Nieuwe Vaart bood een schouwspel waarvan ook geur (een zilte zweem) en klank (bijvoorbeeld het gepruttel van motorbootjes met de uitlaat net onder de waterlijn) deel uitmaakten. Al was het niets sensationeels, er gebeurde tenminste iets, zulks in tegenstelling tot het stilstaande water in Amsterdam-Nieuwendam. Niettemin is er daar in de jaren zeventig één keer iets gebeurd, een ernstig incident: een jongeman uit het flatgebouw tegenover ons, aan de andere kant van de siersloot, probeerde zichzelf, ten einde raad, op een avond erin te verdrinken. Het werd hem tijdig verhinderd – waarbij het waarschijnlijk hielp dat die rotsloot voor het beoogde doel gewoon te ondiep was.

Draaiknoppen en schakelaars

Naast ons op de Wittenburgergracht was het bedrijf van Schele Jaring gevestigd. Je moest een stoep op en kwam dan in een winkel met allerhande rommel. In het etalageraam hing een lichtbak met de tekst “Willem koopt alles”. (Het verlenen van een bijnaam als Schele aan een slechtziend en daarom brildragend iemand die eigenlijk Willem heette, was een normaal verschijnsel op Wittenburg. Er woonde daar ook een Kromme Boorschaaf, al heb ik nooit geweten wie dat was en waarom dat zijn bijnaam was. Bijnamen waren niet alleen gereserveerd voor personen. In de Eerste Wittenburgerdwarsstraat woonde een opmerkelijk hoge concentratie van leden van de familie Jaring; op de hoek was zelfs een Café Jaring. De hele dwarsstraat werd daarom de Jaringsteeg genoemd.)

Schele Jaring woonde op hetzelfde adres. Het huiskamerraam bevond zich naast zijn etalage, boven de ingang naar een kelder die ook tot het bedrijf behoorde. Uit deze kelder, vlak naast de portiek van ons huis, nam ooit Schele Jaring zijn zoon Cor een noodsprong om te verhoeden dat een kinderwagen waar even niet op werd gelet, van het trottoir de weg op rolde. Dat was in 1955, en in die kinderwagen lag ik.

“Willem koopt alles” was één huis van de hoek van de Kleine Wittenburgerstraat. De Kleine Wittenburgerstraat in, eveneens één huis van de hoek, had Jaring nog een etalage. Dit winkelpand had geen ingang vanaf de straat die gebruikt werd, maar was binnendoor, achter de snackbar op de hoek om, verbonden met de vestiging op de gracht. Deze etalage nu, hoewel weinig aantrekkelijk gelegen in de schaduw van de sombere steenmassa van de Oosterkerk, pal aan de overzijde van de smalle straat, kon ik niet passeren zonder even te blijven kijken – en ik kwam er dagelijks langs, op weg naar en van de openbare lagere school. De meeste uitgestalde koopwaar liet me onverschillig, maar er ging een grote fascinatie uit van de elektrische gitaren, waarvan er altijd wel drie of vier in de etalage hingen. Het waren instrumenten van onbestemd fabricaat, weliswaar geïnspireerd op de planken van de Amerikaanse firma Fender, maar waarvan de makers zich veel meer vrijheden hadden gepermitteerd inzake futuristische contouren en in het aanbrengen van ruime hoeveelheden draaiknoppen en schakelaars. De werking van een elektrische gitaar was mij toen niet bekend, maar ik had een vaag besef dat, net als bij andere elektrische apparaten die met aanmerkelijk minder inspanning te hanteren waren dan hun niet-elektrische tegenhangers (koffiemolen, scheerapparaat, e.d.), het bespelen van een elektrische gitaar zo niet automatisch, dan toch wel gemakkelijk zou gaan, en met een imponerend resultaat. Mijn eerste pogingen op de akoestische gitaar van mijn vader waren teleurstellend geweest, en ik was intussen overgeschakeld op ukelele. Dat was lang voordat de ukelele hip werd (als dat tenminste ooit gebeurd is). De ukelele behoorde toen in ieder geval tot de wereld van Mary Buijsman en de Kilima Hawaiians, en niet die van de Beatles en de Rolling Stones, of dichterbij, de Outsiders en de Mokum Beat Five. Op 5 mei 1965 was ik getuige van een optreden van de Mokum Beat Five, ter gelegenheid van een toen georganiseerde “Bevrijdingskermis” op de Wittenburgergracht. Hun podium was bescheiden (drie aan elkaar geschoven keukentafels), maar ze bespeelden wel elektrische gitaren.

Grote jongens, zo groot dat ik ze niet eens kende, volgden de lokroep van de beat, en verwisselden accordeon voor elektrische gitaar, maar omdat niet iedereen succesvol was, kwamen die gitaren met regelmaat terecht bij Willem, die immers alles kocht.

Cor Jaring werd in de jaren zestig een beroemd fotograaf. Op zijn webpagina vind ik drie foto’s waarop hij zijn vader heeft afgebeeld, één op straat vóór zijn etalage op de Wittenburgergracht, één bij zijn kelderdeur, en de derde, om de hoek, bij zijn andere etalage. Op laatstgenoemde foto is wat koopwaar herkenbaar die ik mijzelf niet kon herinneren (een paar platenspelers, een scheerapparaat, een schrijfmachine). Dat er drie accordeons in de etalage staan is niet meer dan logisch. Het van Schele Jaring daarvoor ontvangen geld zal hebben bijgedragen aan de aanschaf van elektrische gitaren. En daarvan zijn, op de achtergrond in de foto, drie exemplaren te zien. Cors foto is niet duidelijk genoeg om te beweren: precies zoals ik mij herinner. Ik weet trouwens niet precies wat ik me herinner, en al helemaal niet sinds ik diverse webpagina’s heb bezocht, gewijd aan cheesy guitars (“kitscherige gitaren”, zoals één webpagina heet) uit de jaren zestig. Er zijn daar een hoop van gemaakt, de fraaiste exemplaren afkomstig uit Italiaanse fabrieken die, zo leer ik, dikwijls voordien accordeons hadden gemaakt.

 

Nuttige link: http://www.corjaring.nl/ Toen ik 20 was, kocht ik een Telecaster, met maar twee knoppen en één schakelaar; hij is thans nog in gebruik!

Mijn ontmoeting met Johan Cruyff

Wij waren na schooltijd aan het voetballen in de speeltuin op Kattenburg, twee klasgenoten en ik, en nog een paar jongetjes. Geen van allen hebben wij later furore gemaakt in de voetbalsport, en dat moet toen al in ons spel te zien zijn geweest. Niettemin trokken wij de belangstelling van een jongeman die wij verder niet kenden. Na een tijdje vroeg hij of hij mee mocht doen. Dat mocht. Het bleek meteen dat hij heel goed kon voetballen. Hij stelde voor om het in zijn eentje tegen de rest van ons op te nemen. Wij waren geen partij voor hem, wat we niet gedacht hadden, want als je een jaar of negen, tien bent, heb je er geen benul van hoe klein je nog bent. Zodra hij balbezit had, pingelde hij om ons heen en schoot de bal tussen de op de grond gelegde jassen door. Hij koos daarbij niet de kortste weg, maar slalomde telkens voor de lol een paar keer extra om ons heen.

Nadat hij zo een poosje zijn kunsten had laten zien, vertelde hij dat hij moest gaan. Wij liepen met hem mee om zijn auto te bekijken. Het was een uitermate blitse, lage sportwagen, die aan de andere kant van de muur van de speeltuin langs de stoeprand stond geparkeerd. De jongeman nam afscheid met de mededeling gauw nog eens terug te komen, gaf gas en verdween links af de hoek om en uit zicht.

Hij had ons niet verteld hoe hij heette. Zou het soms die nieuwe speler van Ajax geweest zijn, opperde één van ons. Dat moest eigenlijk wel. Als je er even over nadacht, klopte het precies. Iemand die zo goed kon voetballen, moest wel prof zijn. Beroepsvoetballers, zeker full profs, verdienden ontzettend veel geld, en daarvan kochten ze dan sportwagens. De naam die viel had ik wel eens gehoord. Kruiver. Piet Kruiver, zo heette hij, nu wist ik het weer.

Niet lang daarna zag ik op de televisie dat het niet Johan Cruyff geweest was (en ook niet Piet Kruiver). Trouwens, het kon ook niet, want Cruyff was toen pas zeventien jaar en mocht nog niet eens in een sportwagen rijden.

Maar wie was het wel en (al stond ik toen niet bij die vraag stil) wat wilde hij van ons?

(2005)

 


Aan de oevers van de Kattenburgervaart

Mijn jeugd speelde zich voor een belangrijk deel af aan de oevers van de Kattenburgervaart. Aan de ene kant daarvan, op Kattenburg, had je de speeltuin, kleuterschool De Geranium, en daarachter het pleintje met de basketbalpalen. Basketbal heb ik er nooit zien spelen, maar het asfalt ervan leende zich goed voor tollen en rolschaatsen, zij het veel minder als ondergrond voor het stoken van vuur. Om die plekken moest je daarna ook heen schaatsen.

Het houten bruggetje over bevond zich het Wittenburgerhoofd met het gemeentelijk badhuis, een eigenaardig rond gebouw met een achtkantige bovenverdieping met ramen en een torentje voor de schoorstenen op het eveneens achtkantige dak. Naast het badhuis, op de hoek van de Ravenstraat, was de Parelschool, die toen gevestigd was in een solide, eind 19e-eeuws schoolgebouw, waarvan de hoge, ruime lokalen nog berekend waren op klassen van minstens 48 leerlingen.

Ik was een leerling van de Parelschool en ook een regelmatig bezoeker van het badhuis, samen met de rest van mijn klas. De schoolleiding vond het dienstig als de kinderen van de Eilanden, waar haast geen enkel huis een badkamer bezat, in ieder geval eens per week met een waterstraal in aanraking kwamen. Voor ons was het telkens weer een uitje, met attracties als het gooien met natte washandjes en het slaan met handdoeken op elkaars blote rug. Er was ook een badmeester die ons probeerde te koeioneren en die af en toe een bedenkelijke mop had.

De meeste schooljaren bracht ik door in een lokaal dat uitzicht bood over de vaart heen op Kattenburg. De sloop daarvan heb ik stap voor stap kunnen volgen. De Parelschool zelf, die in 1962 nog ingrijpend verbouwd en toen weer als nieuw was, ging eind jaren zeventig tegen de vlakte, net als het badhuis.

Tijdens voornoemde verbouwing zat ik in de eerste klas, die zo lang onderdak had gekregen in De Geranium. Aan de straatkant was dit een nogal somber gebouw, maar van binnen was het mooi en licht. Het trappenhuis bevatte een grote wandschildering, die ik als zesjarige nogal raar vond en daarom wel tot de moderne kunst behoord zal hebben. De Geranium was rond 1920 onder architectuur gebouwd, maar eind jaren zestig was de drang bij het gemeentebestuur om op Kattenburg met een schone lei te beginnen zo groot, dat ook dit schoolgebouw, met inbegrip van de wandschildering, verdween.

Daarmee verdween ook het aan de kant van de aangrenzende speeltuin, met witte verf op de zijmuur van De Geranium geschilderde doel. Er stond met grote letters de clubnaam F.I.T. in, maar het hoorde als het ware van de Parelschool, omdat wij de speelkwartieren meestal voetballend in de speeltuin op Kattenburg doorbrachten.

Voetbal speelde een grote rol op de Parelschool. In 1964 werden de zesdeklassers kampioen schoolvoetbal van Amsterdam. Het jaar daarop werd de Parelschool in de finale nipt met 1-0 verslagen. De leraar gymnastiek was in die tijd niemand minder dan Peet Petersen, semiprof bij Ajax en viermaal uitgekomen voor het Nederlands Elftal. Formeel had Petersen niets met de schoolvoetbalelftallen te maken, maar hij moet van invloed geweest zijn op onze ontwikkeling. Ik kan mij namelijk niet herinneren dat wij tijdens zijn gymlessen ooit iets anders deden dan paaltjesvoetbal, waaraan hij zelf dikwijls naar hartelust meedeed.

In een vriendschappelijke interland tegen wereldkampioen Brazilië in het voorjaar van 1963 scoorde Petersen, vlak voor tijd, het enige en winnende doelpunt. Daags daarna werd Petersen bij zijn komst naar school buiten in de Ravenstraat opgewacht door alle leerlingen en leerkrachten, alsmede de voltallige oudercommissie. Het hoofd der school, meester de Groot, overhandigde hem een grote vaas van wit aardewerk, gevuld met bloemen. Petersen, die wist hoe je zulke dingen deed, droeg vervolgens de aardewerkvaas in triomf door de juichende menigte kinderen, alsof het de Gouden Wereldbeker was.

Zelf maakte ik in 1967 deel uit van het schoolelftal dat het op sportpark Drieburg tot de kwartfinale bracht. Wij speelden toen sinds kort in nieuwe, droge shirts. Tijdens eerdere oefenwedstrijden was het de gewoonte geweest om de met zweet doordrenkte shirts van de vijfdeklassers, die de wedstrijd voor ons speelden, aan te trekken. Mijn moeder vond dit haaks staan op het beleid om ons eens per week naar het badhuis te sturen, en zorgde ervoor dat ik een eigen, telkens opnieuw schoon en gestreken shirt had, als enige van het elftal. Zelf trok ik veel liever een nat shirt aan dan dat ik voor kapsoneslijer werd aangezien, maar ze hield me in de gaten. De nieuwe shirts brachten uitkomst.

We verloren de kwartfinale (0-0) na loting. De Parelschool had gedurende de hele wedstrijd een duidelijk overwicht gehad, maar wat we ook probeerden, we konden de bal er niet in krijgen. Ik weet dat Peet Petersen hier niets te verwijten valt. Hij was toen al lang naar NAC vertrokken en we had al geruime tijd een gymleraar die nooit van paaltjesvoetbal had gehoord. Toch was het eigenaardig, hoe vaak we tijdens deze wedstrijd tegen de paal schoten. (2005)