Posts tonen met het label meningsuiting. Alle posts tonen
Posts tonen met het label meningsuiting. Alle posts tonen

Onbegrip

 

Een collega gaf mij via e-mail de volgende reprimande: ‘Te zeggen dat hij “van het verkeerde geloof” is, is niet echt gepast op de werkvloer.’ Ik had een link gevolgd die hij me had toegestuurd in een eerdere e-mail, naar de webpagina van een zanginstructeur en beoefenaar van evangelische metal of zoiets. (In de oorspronkelijke context was het geven van die link begrijpelijk; het had zelfs nog iets met het werk te maken.) Na raadpleging van deze webpagina had ik mijn collega teruggemaild: ‘Wel even schrikken. Niet echt mijn muziek (power metal) en ook nog van het verkeerde geloof (gojs).’

Leuk bedoeld. Een goede verstaander zou dat toch moeten begrijpen. Ik maak nog wel een toespeling op een bekende mop, die over Moos die lid wil worden van een exclusieve club die normaal gesproken Joden weert. Maar Moos is helemaal geassimileerd, heeft zijn naam officieel laten veranderen in Maurice de la Fontaine, niemand heeft door dat hij Joods is. Tijdens de formaliteiten bij inschrijving in de club vragen ze hem: ‘Religie?’

‘Welnu,’ zegt de la Fontaine, ‘gojs natuurlijk.’

De kenner merkt dat ik hier een knipoog geef naar een andere bekende mop:

‘Ach kijk, daar aan de overkant loopt Maurice de la Fontaine.’

‘Weet u dat die vroeger gewoon Maurits Wasserman heette?’

‘Wat denkt u, meneer, ik kende hem al toen hij nog gewoon Mousje Piesjer was!’

Intertekstualiteit heten zulke toespelingen en knipogen in het voortgezet hoger geouwehoer. 

Om nog even op die werkvloer terug te komen: die bestaat helemaal niet meer sinds de firma waarvoor ik tot voor kort werkte, Innodata Israel, door tegenvallend bedrijfsresultaat en de coronacrisis, gedwongen is geweest om fysiek in te krimpen van een riant kantoor op een prime location tot een inloopkast in onderhuur. Maar online omspant Innodata de wereld, vandaar al die e-mails, de chats, het ge-Skype en het ge-Zoom. Dat heeft als voordeel dat ze je nooit kunnen nazetten. In het verleden was ik er op een echte werkvloer eens bij dat een knecht van een verhuizer erover klaagde dat we de dozen met boeken te zwaar maakten. (Een collega en ik waren bezig de bibliotheek van een overleden particulier in te pakken voor transport naar het veilinghuis waarvoor wij werkten.)

‘Ja jongen, dan had je maar een vak moeten leren,’ merkte mijn collega op tegen de verhuisknecht.

Misschien ontbrak deze door het gesjouw met al die zware dozen de fut om mijn collega met een eind hout achterna te gaan, maar het kan ook zijn dat toen, zo’n dertig jaar geleden, de mensen nog tegen een geintje konden. Waar is de humor gebleven, op heden? In een bekende conférence van Wim Sonneveld vraagt iemand dat de artiest af, overigens al veel langer dan dertig jaar geleden. Nu ik eraan denk, ik had tegen mijn collega ook kunnen zeggen, over die zanginstructeur: ‘Hij zingt aardig. Het komt alleen zo rottig zijn strot uit.’ Uit diezelfde conférence.

Zou mijn collega die toespeling wel begrepen hebben? Of is hij te jong, te veel een provinciaal, kortom niet ondergedompeld in dezelfde intertekstualiteit, om het ook zelf maar eens zo te noemen?

 

 

Bont


Zoals bekend, kun je op het internet alles vinden wat je weten wilt – trouwens, ook alles wat je niet weten wilt. Bij zo’n overvloed zou je graag in de eerste plaats willen weten, welke inlichtingen betrouwbaar zijn. Het internet zit immers vol met beoefenaren van alternatieve wetenschap en andere obscurantisten. Een vriend zegt tegen mij: het blijkt dat koolzaadolie de grootste rotzooi is. Gemaakt van benzine! Had hij zelf gelezen op het internet. Er is dan een voor de hand liggende vraag, en die stel ik hem ook: is deze informatie afkomstig van de website van The New England Journal of Medicine of misschien van een webpagina van Tibetaanse gebedsgenezers?

Om de waarde van aangeboden informatie te bepalen, moet je weten uit welke bron deze afkomstig is. Het kost soms nog heel wat muisklikken of vette vingers op je beeldscherm voordat je het antwoord op die vraag gevonden hebt. Ik wil hier een hulpmiddel aanbieden waarmee je in één oogopslag kunt zien waarmee je te maken hebt: kijk nog voor je een letter leest in hoeveel kleuren de tekst van een webpagina is gesteld.

Nu moet ik toegeven dat ik op het gebied van presentatie nogal conservatief ben. Wat je te zeggen hebt, zie ik graag in hele zinnen waarvan de inhoud voor zichzelf spreekt; de beste typografie is daarbij de typografie waarvan je niets merkt. Om dit na te streven moet je beginnen met het hanteren van één lettertype, bij voorkeur een rustige schreefletter, in één puntgrootte. Verder dien je het neerschrijven van losse woorden en zinsdelen in hoofdletters, en a fortiori (cursief is toegestaan) hele zinnen en paragrafen, achterwege te laten, net als het gebruik van uitroeptekens, zeker dubbele en driedubbele. Vanzelfsprekend staat je tekst in zwart op een lichte, onopvallende ondergrond. (Ik heb ooit een sollicitatiebrief getikt op kanariegeel papier. Je moet toch iets doen om op te vallen, bij zoveel sollicitanten. Verder had ik elke S vervangen door een F, wat me wel aardig leek, want het betrof hier een vacature voor een corrector. Bij nader inzien had ik iets moeten verzinnen om gunstig op te vallen.) Niet iedereen denkt daar zo over: soms zie je een betoog op een webpagina in letters van diverse grootte, vol met uitroeptekens en onderstrepingen, in drie, vier, vijf of nog meer felle kleuren tegen een staalkaart van steunkleuren. Ik lees dan niet verder, want je hebt dan vast en zeker te maken met iemand die door aliens is ontvoerd naar Atlantis om daar door een raampje in de Bermudadriehoek te horen dat ze diep onder de piramiden nog het oorspronkelijke Hebreeuws van de Tuin van Eden spreken.

In de tijd dat je nog afhankelijk was van drukpers of stencilmachine om je tegendraadse mening, fundamentele maar onbegrepen ontdekking, of simpelweg de waarheid zoals die werkelijk is (maar strijdig met de Heersende Belangen) te verspreiden, was het gebruik van al die kleuren misschien technisch mogelijk – maar niet in de praktijk, tenzij je bereid was er met een doos kleurpotloden eens goed voor te gaan zitten. Tekstverwerkingsprogramma’s stellen je echter heden in staat wat je schrijft weer te geven in vele tientallen kleuren, desnoods elk woord of zelfs elke letter in een andere kleur. Het resultaat hoef je niet te drukken, dat zet in je in zijn geheel op het web. Deze mogelijkheid om je bont te uiten is betrekkelijk nieuw en kennelijk voor sommigen onweerstaanbaar. De drang om het te doen is echter al ouder, getuige deze foto uit 1974, voorstellende een met de hand geschilderde menukaart aan de buitenmuur van een restaurant in het Engelse kustplaatsje Polperro.



Hoe weet ik nu zo zeker dat een webpagina in allerlei kleuren het werk van een halvegare of een nar is? Ik weet dat eigenlijk helemaal niet zeker. Het is niet meer dan een indruk van iemand die niet eens zoveel tijd verdoet met websurfen. Misschien is het wel een idee-fixe, ingegeven door mijn conservatisme op het gebied van het uiterlijk van het gedrukte woord. Bovendien heeft zich, tijdens het zoeken naar bonte voorbeelden op het internet, een andere indruk bij mij gevestigd. Ik vond daarvan veel minder dan ik dacht te zullen doen. Het lijkt er daarom op dat ook in de kringen van halvegaren de beschaving steeds meer terrein wint, althans in typografisch opzicht. Nu nog op het gebied van werkelijkheidszin. 


Geachte redactie


In 1985 vatte ik het plan op om de ingezonden brief tot een literair subgenre te verheffen. Zo’n ingezonden brief moest geen miniatuuressay worden. Het ontvouwen van argumentatie nam al gauw te veel woorden in beslag; redactioneel ingekorte brieven maakten geen deel uit van mijn plan. Mijn ingezonden brieven zouden kort moeten zijn, maar opvallen door hun rake formulering en door de flair waarmee ze datgene waarop ik reageerde onderuit zouden halen. Mijn voorbeeld waren de korte cursiefjes die je toen op de voorpagina van de krant aantrof, zoals dat van Stoker in de Volkskrant. Het subgenre bestond eigenlijk al, maar mijn plan was om het te verplaatsen naar de rubriek ingezonden stukken. Ik verwachtte, met enige oefening, net zo geestig te zullen zijn.

Dat was de theorie. In de praktijk kwam er weinig van terecht. Ik schreef een paar ingezonden brieven naar de Volkskrant, het ochtendblad dat we toen lazen, o.a. over het pausbezoek aan Nederland (moest daar ja dan nee een delegatie van de Nederlandse Joodse gemeenschap ter verwelkoming bij aanwezig zijn; ik had daar een mening over), maar ik bleek niet in staat om consistent op allerlei zaken te reageren, althans niet op wijze die voldeed aan de theorie. Het was bovendien een pijler van mijn plan dat elk ingezonden stuk daadwerkelijk in krant, weekblad en omroepgids geplaatst zou worden. Zo zat de journalistieke wereld echter niet in elkaar – met als gevolg dat uitgerekend wat ik zelf mijn meest geslaagde ingezonden brief vond niet in de Volkskrant terecht kwam.

Afgezien daarvan was het ook in ander opzicht niet zo’n goed idee. Het vereiste dat ik veelvuldig ingezonden brieven zou moeten schrijven, die noodzakelijkerwijs telkens alleen maar een reactie zouden zijn op wat ik in de krant las, in plaats van wat ik spontaan zelf te melden had. Ik zag eigenlijk een grote, te grote overeenkomst tussen mijzelf en de habitués die er al waren in allerlei rubrieken van ingezonden brieven. Dat waren meestal betweters en querulanten. En dan was het me nog ontgaan dat iemand reeds haar naam had gevestigd en als het ware de ingezonden brief als genre belichaamde: Henriëtte Boas. Toen het Nieuw Israëlitisch Weekblad 120 jaar bestond, nodigde de redactie haar uit om niet een artikel, maar een ingezonden brief bij te dragen aan het jubileumnummer. Ze tikte de redactie met kerende post – en met omhaal van woorden – hierover op de vingers; precies wat het NIW wilde, naar ik aanneem. Het gaat echter niet aan om mw. Boas een querulant te noemen. En wat betreft haar soms wat pedante toon: die had ze misschien overgehouden van het geven van onderwijs in de klassieke talen – Latijns en Griek, zoals we bij ons thuis zeggen. Bovendien, de mortuis nil nisi bene.

In 1985 ging zo’n ingezonden stuk nog op de post, zodat portokosten en de gang door de regen naar de brievenbus een boze of kritische krantenlezer nog konden ontmoedigen. Nu hoef je niet eens een e-mail te sturen; je kunt in je browser, op de webpagina van de betreffende krant, meteen je ei kwijt. Redactioneel inkorten is er niet meer bij; zolang je binnen de perken van de wet en van de welvoeglijkheid blijft, heb je bij wijze van spreken oneindig de ruimte. Ik kijk wel eens wat er zoal onder een bericht of een opiniestuk hangt. De heffe des volks (althans, afgaand op toon, inhoud en spelling van de reacties) draagt naar hartelust bij. Het enthousiasme is helemaal groot bij berichten en artikelen over Israël, vooral als die oorlogshandelingen betreffen, koosjer slachten en de besnijdenis. Een tot literair subgenre verheven ingezonden stuk zou in deze technologisch veranderde context al helemaal niet tot zijn recht komen. Dat wil niet zeggen dat ik er nooit meer een schrijf, al is dat hoogst zelden (een stuk of drie, vier in de laatste tien jaar). Mijn laatste ingezonden stuk is vrij recent, van 24 juli 2014, toen Operation Protective Edge aan de gang was. Ik hing het niet onder een internetartikel maar stuurde het als bijdrage aan de rubriek Opinie & Debat van de Volkskrant, zodat het aan redactionele beoordeling onderworpen was – en geweigerd kon worden, wat ook gebeurde. Geen nood: het staat nu op dit weblog.

Toch vind ik het nog steeds jammer van die ene brief, eveneens aan de Volkskrant. Ik kreeg een briefje terug met de mededeling, als ik het mij goed herinner, dat alle argumenten in de onderhavige kwestie al aan de orde geweest waren en dat de discussie gesloten was. Ik prefereer echter de uitleg dat de betreffende redacteur de portee was ontgaan. In die tijd had ik geen personal computer, laat staan een weblog. Maar ik had die ingezonden brief wel opgeslagen in het geheugen, althans een doorslag gemaakt en na al die jaren onthouden waar ik die had gelaten. Daarom alsnog:



 

Pro-Palestijns advies

Het is misschien te veel gevraagd. Maar toch – eenieder die werkelijk pro-Palestijns is zou morgen moeten meelopen in een demonstratieve optocht onder de leuze: “Laat het Israëlische leger het karwei zo snel mogelijk afmaken.” 

Ik begrijp dat hier enige verduidelijking nodig is. Het karwei van het Israëlische leger is niet het plegen van genocide. Ik ben niet beter voorgelicht dan ieder ander, maar het schijnt me toe dat het leger daartoe Gaza beter van buitenaf had kunnen platschieten en -bombarderen, in plaats van de infanterie naar binnen te sturen. Het doel is in werkelijkheid het uitschakelen en ontwapenen van Hamas en andere terreurorganisaties.

Iemand die voor de Palestijnen in Gaza is, zet zich ervoor in, of is in ieder geval de wens toegedaan, dat dezen deel van leven hebben, dat ze kunnen gaan en staan waar ze willen, dat ze gezond en veilig zijn, dat ze economische voorspoed hebben, dat ze zich vrij kunnen ontplooien en ontwikkelen, en in het algemeen vrijheid kennen. Wat zou pro-Palestijns anders kunnen betekenen? Dat de Palestijnen in Gaza dat allemaal niet hebben is deels zeker de schuld van Israël. Maar wie de kranten leest, zou toch moeten weten dat vrijheid (d.w.z. de democratische vrijheden waar men in Nederland zo aan gewend is) bij Hamas, een organisatie die niet van tegenspraak is gediend, niet in goede handen is. Hetzelfde geldt voor veiligheid. Nu zijn al die honderden doden in de Gazastrook weliswaar geveld door Israëlische wapens – maar het ontstaan van de huidige oorlogssituatie is wel degelijk op het conto van Hamas te schrijven. Dat oorlog willen voeren met Israël slecht is voor de economie van Gaza, spreekt uiteraard vanzelf.

Ik vermoed dat Hamas zich gesterkt voelt door alle pro-Gaza betogingen overal ter wereld, vooral als deze gepaard gaan met sterke anti-Israëlische en antisemitische uitingen. Voor alle gewone Palestijnenmensen in Gaza is het echter beter dat Hamas zich zo snel mogelijk overgeeft, waarna de organisatie ontmanteld kan worden. 

Ik weet dat het veel gevraagd is. Maar denk er eens over na, voor u opnieuw meedoet aan een demonstratie waar de meute “Hamas Hamas alle Joden aan het gas” scandeert, of het niet beter is om in plaats daarvan Israël en het Israëlische leger demonstratief te ondersteunen. De kans bestaat dat een aantal van de mensen met wie u gisteren, eergisteren of vorige week nog tegen Israël demonstreerde, u nu uitscheldt en bedreigt, of zelfs projectielen naar u gooit of u in elkaar slaat. Dan maakt u dat ook eens mee; zie het als een leerzame ervaring. Vooruit, zelfs al hebt u nog zo’n hekel aan Joden – doe het voor de Palestijnen! 

28 juli 2014, tijdens Operation Protective Edge

 

Schelden op Geert Wilders (lofzang op de vrijheid van meningsuiting)

Bestaat er een radioprogramma, krantenrubriek of weblog louter gewijd aan de onheuse bejegening van het Tweede Kamerlid Geert Wilders? Joop.nl gaat weliswaar dikwijls tekeer tegen Wilders en de PVV, maar baseert zich daarbij over het algemeen op feiten en argumenten. Dat lijkt te veel op debat en te weinig op schelden om zichzelfs willen.

Nu heb ik persoonlijk geen geschil met Geert Wilders. Ik weet slechts van hem uit de kranten, en niet eens de echte, maar die op het Internet. Partijpolitieke strijdvragen noch ’s lands belang raken mij zozeer, omdat ik ver van Nederland woon. En ik zou juist blij moeten zijn dat Wilders zich vierkant achter Israël opstelt. Maar het gaat om het principe.
De PVV, de naam zegt het al, pleit voor vrijheid, daarbij inbegrepen de vrijheid om te zeggen wat je wilt, zonder je te bekommeren om wat politiek correct is, conform beleefde omgangsvormen of beledigend voor de Profeet. Ik heb zelf met twee woorden leren spreken, zelfs tegen wildvreemden, maar ik vind dat Wilders groot gelijk heeft. Als Wilders het heeft over “shariasocialisten” of over de “Partij van de Arabieren” die wat hem betreft “de boom in” kan, om maar een voorbeeld te noemen, vat ik dat op als een uitnodiging. Niet om hetzelfde te doen, overigens: schelden op links is bij Wilders, zijn voetvolk en zijn stemvee in goede handen, daar heb ik niets aan te voegen. Bovendien heb ik, hoewel ik niet alleen op sjabbos, maar ook door de week in sjoel te vinden ben, gevoelsmatig en op grond van traditie, een band met de linkse kerk. Maar schelden – daar ben ik vóór. Vandaar: schelden op Wilders.

Schelden in de betekenis van uitschelden (“Ella Vogelaar is knettergek”) vind ik wat beperkt. De onheuse bejegening van Geert Wilders zou op zijn minst uitgebreid moeten worden met hoon, smaad en verdachtmaking. Maar in plaats van ons in definities te verdiepen, kunnen we beter naar enkele voorbeelden kijken. Laten we beginnen met smalen.

Zowel Ahmed Aboutaleb als Nebahat Albayrek spreken heel wat beter Nederlands dan Wilders met zijn malle Limburgse accent, maar die hebben dan ook doorgeleerd.

Twitter is het perfecte medium voor Wilders. Met maar 140 tekens tot je beschikking raak je niet zo gauw in een anakoloet verstrikt en voor bespiegeling en argumentatie is helemaal geen ruimte. Wilders’ onvermogen daartoe valt dan ook niet op.

Wilders wordt dikwijls gefotografeerd maar staat zelden alleen op een foto. Ik heb soms moeite om te onderscheiden of die groepsfoto’s Wilders en zijn gorilla’s afbeelden, of Wilders met leden van zijn Kamerfractie, waar tenslotte een aantal kaalgeschoren bullen als Eric Lucassen deel van uitmaken. Zou hij de fractie daarom een “knokploeg” noemen? Of is dat vanwege het feit dat de handjes van nogal wat fractieleden tamelijk los zitten?


Wilders voor fascist uitmaken is niet alleen onjuist maar ook een weinig creatieve manier van uitschelden. Maar misschien kan het zó:

Dat niemand lid van de PVV kan worden, daarmee doet Wilders zijn aanhang feitelijk een plezier. Dat lidmaatschap kan je naderhand, als het Nederlandse volk weer bij zijn positieven is, in ieder geval niet nagedragen worden, wanneer je voor een zuiveringscommissie of voor de ereraad van je beroepsgroep moet verschijnen.


Het volgende is een voorbeeld van insinuatie.

De kogel in zijn Pim Fortuyn zijn hoofd kwam van links? De kogelregen in Noorwegen kwam anders van rechts. Daarbij kun je aantekenen dat de PvdA noch GroenLinks uit geradicaliseerde dierenactivistische veganisten bestaan. Daar staat tegenover dat je in plaats van de pakweg 1500 pagina’s van Breiviks manifest net zo goed het veel dunnere (374 pp.) boekje kunt lezen van Martin Bosma, Wilders’ kwade genius. Daar staat ongeveer hetzelfde in. Nog dunner (132 pp.) is uiteraard Wilders zijn eigen boekje, Kies voor vrijheid, maar zelfs die luttele bladzijden zullen wel door Bosma geschreven zijn. Maar die is dan ook doctorandus. Daar blijkt trouwens uit dat Wilders persoonlijk niets tegen doctorandussen heeft; hij heeft ze zelfs onder zijn beste vrienden!


Van insinuatie is het kleine stap naar verdachtmaking, en vandaar niet ver naar laster.

Na de moord op Pim Fortuyn ontstond er in Nederland een sfeer van intimidatie waarin een kritische of anderszins ongepaste opmerking over de overledene bijna zo riskant werd als belediging van de Profeet in de hoofdstraat van Mekka. Zo’n opmerking viel onder demoniseren, een vaag begrip en daarom juist zo bruikbaar om aan te tonen dat de kogel van links kwam. Het begrip demoniseren werd het beginkapitaal van Wilders en de PVV.

Maar kwam die kogel wel van links? Op het eerste gezicht wel. Maar dat de Rotterdamse ruigpoot werd vermoord door een opgefokte linkse eenling die meende daarmee de maatschappij te kunnen verbeteren, was te simpel voor een deel van diens aanhang. Er was minimaal sprake van een second gun, want er stak natuurlijk een complot achter de moord. Wie die samenzweerders zouden moeten zijn, daar kom je niet zomaar achter. Maar je kunt wel kijken naar wie er baat had bij het voortijdig verscheiden van de populaire politicus. En dan moet je het volgende vaststellen: hij is nu de gebraden haan, maar als Fortuyn nog had geleefd, hadden we dan wel zo vaak en zo nadrukkelijk van Geert Wilders gehoord? In de volksmennerij is er slechts plaats voor één met de grootste bek (daar zou Rita Verdonk intussen achter moeten zijn). Het moge voor vriend en vijand (van allebei) duidelijk zijn dat de rancuneuze provinciaal Wilders niet in de schaduw had kunnen staan van de beschaafde en intellectuele relnicht.


Ik heb even met het idee gespeeld om zelf een weblog onder de titel “Schelden op Wilders” te beginnen, maar om twee redenen zie ik daar toch van af. Woonachtig in Israël ben ik niet goed genoeg op de hoogte van wat er in Nederland gebeurt. Ik ondervind het niet aan den lijve, hoor ook geen Nederlandse radio, zie geen Nederlandse televisie, en neem geen deel aan het dagelijks gesprek. Schelden op Wilders uit principe, om het schelden zelf, wordt misschien allang gedaan, scherper, onheuser, en waarschijnlijk – hopelijk – leuker, maar ik weet er niet van. Bovendien volg ik het Nederlandse nieuws uit nieuwsgierigheid, maar niet uit betrokkenheid. En die betrokkenheid heb je nodig als je je hart erin wilt leggen.

Ik ben uiteraard wel betrokken bij Israël. Ik heb zo mijn bedenkingen over Wilders’ zogenaamde pro-Israëlische standpunt. De staat Israël is niet uitgeroepen met het doel de Islam een halt toe te roepen of om de Arabieren te dwarsbomen. Als het Israëlische leger periodiek islamisten omverschiet, is dat uit noodzaak, niet uit principe. Het is echter deze “aanpak” die Wilders interessant vindt en waar hij achter staat.
In ieder geval staan Wilders en de PVV niet vierkant achter de Joden, zoals laatst wel gebleken is toen Wilders en zijn voltallige fractie in de Tweede Kamer, op één na, voor het initiatiefwetsvoorstel tot verbod op onbedwelmde rituele slacht stemden. Dit verbod is een schijnoverwinning op de Islam. De islamitische slacht wordt er nauwelijks door belemmerd; koosjere slacht, daarentegen, is onder dit verbod onmogelijk. PVV-Kamerlid en dierenvriend Dion Graus ging nog een stap verder door ervoor te pleiten om eveneens de invoer van koosjer vlees te verbieden, daarmee de orthodoxe Nederlandse Jood voor de keus stellend om aan het smokkelen te slaan, vegetarisch of treife te eten, of om te verdwijnen. Hier is een dierenliefde werkzaam waar alles, met inbegrip van mensen, voor moet wijken. Ik zie, qua mentaliteit, niet zoveel verschil tussen Dion Graus en een dierenactivist als, zeg, Volkert van der Graaf.
Hoe zou Gidi Markuszower hebben gestemd, die oorspronkelijk op de vijfde plaats van de kieslijst van de PVV stond? Hij moest zich terugtrekken als kandidaat, nadat de AIVD had gewaarschuwd dat hij mogelijk een “risico voor de integriteit van Nederland” vormde – ausgerechnet datgene waarom de Groep Wilders indertijd moties van wantrouwen indiende bij het aantreden van Aboutaleb en Albayrak als staatssecretaris (alleen lag er toen geen waarschuwing van de AIVD). Goed, Markuszower trok zich terug, maar wat had hij eigenlijk bij de PVV te zoeken? Even geborneerde gojiem?
Dit brengt ons tot de laatste belediging. Ze zeggen altijd dat de Joden het intelligentste volk zijn. Nou, dat klopt. En Gidi Markuszower is de uitzondering die de regel bevestigt.