Posts tonen met het label Talmoed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Talmoed. Alle posts tonen

Hebreeuwse laarzen (Hebreeuws leren 4)


De Chofetz Chaim, Jisroëil Meïr Kagan (1838-1935), publiceerde het eerste deel van zijn commentaar op het gedeelte Orach Chaim van Josef Caro’s halachische codex, de Sjoelchan ‘Oroech, in 1884, ongeveer in hetzelfde tijdvak als waarin Mendele Mocher Sefarim en Eliëzer Ben Jehoeda het Hebreeuws een nieuwe impuls gaven. Dit uiteindelijk zes delen beslaande commentaar, de Misjna Beroerah, wordt nog steeds veel geleerd. Na talloze fotomechanische herdrukken (die steeds onduidelijker werden) zijn er vrij recentelijk edities met een nieuw zetsel verschenen. Ik heb zelf een uitgave uit 1992 waarin, ten gerieve van de minder bedrevenen in de rabbijnse taal, nekoedot (puntjes, klinkertekens) zijn toegevoegd en waarin de meeste van talloze afkortingen voluit zijn gespeld. Deze nieuwe edities, wel of niet gepuncteerd, delen een ander extraatje, een notenapparaatje dat de modern Hebreeuwse vertaling geeft waar de Chofetz Chaim in zijn commentaar Jiddische woorden gebruikte. Kennelijk stonden hem de Hebreeuwse woorden voor bijvoorbeeld bril, koffie, thee, tabakspijp en posterijen (nog) niet ter beschikking.
Interessant is een zinnetje dat voorkomt in een paragraaf (Orach Chaim 91:5) over hoe men ordentelijk gekleed moet zijn als men de gebeden zegt (niet met ontbloot hoofd, of blootsvoets, of met alleen sandalen aan, e.d.). De Chofetz Chaim merkt hier op: “[R. Mosje Mintz*] stelde in dat men de synagoge niet betrad in hoge schoenen, d.w.z. stiefl.” De voetnoot vertaalt dit laatste met magafajim, laarzen. Nu kende de Chofetz Chaim naar alle waarschijnlijkheid wel degelijk het woord magafajim, want dat komt voor in de Misjna, zij het maar twee of drie keer. Eén keer is in Sjabbos, hoofdstuk VI, misjna 2: “De man gaat niet naar buiten... in magafajim.” De Talmoed achtte het al nodig om dit woord te vertalen: “Magafajim, Rav zegt [dat zijn] pazmekej” (B.T. Sjabbos 62a). Rasji, op zijn beurt, verduidelijkt: “Infilijot van ijzer in de oorlog” (62a, D.H. pazmekej). Gelukkig hebben we het woordenboek van Jastrow**, dat zowel het oorspronkelijke woord als Ravs vertaling duidt als metalen scheenplaten.
Nu was het voor Eliëzer Ben Jehoeda of wie dan ook het woord van een modern-Hebreeuwse betekenis voorzag niet zo’n grote stap van scheenplaten naar laarzen - maar hij moffelde wel een halachisch onderscheid weg. Volgens de hier geciteerde misjna mag je met scheenplaten aan niet naar buiten, d.w.z. op sjabbos. Ze zijn deel van een wapenrusting (de misjna noemt ze in één adem met een pantser en een helm) en geen normale kledingstukken. Je zou ze daarom niet aanhebben maar dragen, in de zin van optillen en vervoeren, in het publieke domein, hetgeen op sjabbos verboden is. Dat is natuurlijk met laarzen niet het geval. Ik zie hier in mijn woonplaats Beitar Illit geregeld een chossid die op sjabbos niet alleen een sjtreimel op zijn hoofd heeft maar ook hoge laarzen draagt, waardoor hij iets weg heeft van Iwan Rebroff, de bekende Duitse nep-Rus***. Ik ken die man verder niet en weet daarom niet of hij redenen van persoonlijke aard heeft om laarzen te dragen, of misschien een in Beitar Illit verdwaalde Skverer chossid is (Skver is een rustiek, gelaarsd dorpschassidisme, heden ten dage voornamelijk in het plaatsje New Square, NY). Wat betreft het door de Chofetz Chaim geciteerde regeltje om geen laarzen in sjoel te dragen - die Mosje Mintz was natuurlijk wel een jekke!
Sommige andere chassidim hebben op de plaats waar Skverer laarzen dragen kniekousen. Die zou je poezmakot kunnen noemen, een variant van pazmakej die eveneens in het modern Hebreeuws is opgenomen en ook niet langer scheenplaten betekent.

* 15e eeuw
** Marcus Jastrow, A Dictionary of the Targumim, the Talmud Babli and Yerushalmi, and the Midrashic Literature. Dit woordenboek, oorspronkelijk gepubliceerd in 1903, is ook vele malen fotomechanisch herdrukt.
*** Rebroff stond ook als Tevje op de planken; hij had ook een nep-Jood op zijn repertoire.



Ivan Rebroff

Vissen in de Sambation (deel 2)


Op grond van het voorgaande dacht u misschien dat de Sambation door het noordwesten van Syrië stroomt, maar recenter onderzoek dan dat van W.M. Thomson in 1840 heeft uitgewezen dat de rivier zich in Afrika bevindt. Volgens Rabbi Chinedu Nwabunwanne, “de meest vooraanstaande Afrikaans-Joodse historicus” (Wikipedia s.v. “Sambation” – intussen is die pagina gewijzigd en is de rabbijn zijn naam verdwenen), is het de rivier de Benue, die in Kameroen ontspringt en vervolgens westwaarts door Nigeria stroomt om bij de plaats Lokoja uit te monden in de Niger. Sambation komt van Sambatyooan, aldus de rabbijn, hetgeen een samentrekking is van Samba en Tyooan, de namen van twee steden aan de rivier, de ene in de deelstaat Adamawa en de ander in de deelstaat Benue.

Op zich hoeft het niet te verbazen dat Rabbi Akiva zich van een gegeven uit Afrika zou bedienen om zijn opponent Q.T. Rufus van repliek te dienen. Elders in traktaat Sanhedrin (4b, zie ook Menachous 34b) wijst Rabbi Akiva erop dat de op het hoofd gedragen tefilin (“En gij zult ze binden tot een teeken op uwe hand en zij zullen tot voorhoofdsband zijn tusschen uwe oogen,” aldus Deut. 6:8 in de vertaling van Onderwijzer) precies vier fragmenten uit de Torah bevatten, omdat het woord toutofous, Onderwijzers voorhoofdsband, een samentrekking is van tout, het woord voor twee in de plaats Caspi, en fous, “twee in Afriki”. En Rabbi Akiva kon het weten, want hij was bereisd en, naar eigen zeggen, ook in Afrika geweest (“toen ik naar Afrika ging...,” traktaat Rousj HoSjonoh 26a).

Nu is het zo dat de Sambation in Talmoed en Midrasj ook om een andere reden bekend is. Het is de rivier aan gene zijde waarvan zich de Tien Verloren Stammen van Israël zouden bevinden. “R. Berechiah en R. Chelbo [zeiden] in de naam van R. Sjmoeëil bar Nachman: naar drie ballingsoorden werd Israël verbannen, [voor] één [deel] naar de overzijde van de rivier de Sanbation, één naar Daphni van Antiochië, en op één daalde de wolk neder en bedekte hen” (Talmoed Jeroesjalmi, Sanhedrin 53b, X,5). In Bereisjis Rabbah (LXXIII,6) staat het wat simpeler: “De tien stammen werden verbannen naar de overzijde van de rivier de Sambation.” Tenslotte citeert de Babylonische Talmoed (Sanhedrin 94a) de mening van Mar Zoetra, dat de Assyrische koning Sancherib de Tien Stammen naar Afrika verbande. Kortom, het klopt allemaal precies, zeker als je in aanmerking neemt dat er heden ten dage in Nigeria tienduizenden etnische Igbo’s zijn die een vorm van jodendom belijden. Volgens Rabbi Chinedu Nwabunwanne, die dit onderwerp “meer dan vijftien jaar” bestudeerd heeft (Wikipedia s.v. “History of the Jews in Nigeria” – ook deze pagina is intussen gewijzigd), zijn deze Nigeriaanse joden afstammelingen “van de volgende zes Israëlitische stammen: Juda, Dan, Naftali, Gad, Asjer en Zebulon.”

 

Hiermee lijkt het raadsel van de Tien Verloren Stammen voor de helft opgelost. Helaas zijn er enige bijkomstigheden. In de eerste plaats zijn er veel meer kandidaten voor de Verloren Stammen. Deze zouden thans voortleven in de gedaante van o.a. de Denen, de Engelsen, de Amerikaanse indianen, de Japanners, de Friezen, de Maori’s, de inwoners van Wales en de Pathanen in Afghanistan. Het belijden van één of andere, al dan niet sterk verwaterde vorm van jodendom, zoals de Igbo’s of de Benei Menasje in India, is geen vereiste om een Verloren Stam te zijn, zoals uit bovenstaand lijstje blijkt. De Japanners en de mensen in Wales hebben geen benul, maar geleerden met een fijne neus voor Verloren Stammen hebben eigenaardig veel Hebreeuwse woorden terug weten te vinden in het Japans en het Wels. De ware identiteit van de Friezen is vastgesteld door de Nederlandse astrologe drs. Helene Koppejan-van Woelderen, terwijl je niet doorgeleerd hoeft te hebben om te begrijpen dat de Denen afstammen van de stam Dan. Niettemin zouden de Japanners, Friezen, Denen enz. tevergeefs aanspraak maken op toelating tot de staat Israël onder de Wet op de Terugkeer. Een zekere James Edward Oniolo, een zich als jood identificerende Igbo, heeft er in 1994 nog over geprocedeerd, maar het Israëlische Hooggerechtshof wees zijn verzoek af (NIW, 23-12-1994). Ik weet niet of het Hooggerechtshof in haar oordeel meewoog of de Tien Verloren Stammen om als zodanig erkend te worden van achter de Sambation vandaan dienen te komen en zo ja, of het aannemelijk is om de Benue als deze rivier aan te merken. Hoe dan ook, het moet vastgesteld worden dat uitgerekend de Benue niet zo’n goede kaart heeft.

Etymologie van plaatsnamen is, zoals bekend, een uitermate soepel instrument in de handen van amateurhistorici, waarmee deze bijvoorbeeld kunnen bewijzen dat Homerus’ Odyssee zich in feite in de provincie Zeeland afgespeeld heeft. Vlissingen is immers afgeleid van Ulysses, de Latijnse naam van Odysseus, en Zierikzee dankt haar naam aan de tovenares Circe. Rabbi Chinedu Nwabunwanne maakt eveneens gebruik van dit instrument door Samba en Tyooan aan elkaar te klinken tot een naam die bijna hetzelfde is als Sambation. Mijn wisselgeld tel ik nooit na, maar als ik voor het eerst plaatsnamen hoor, wil ik ze ook zelf op de kaart zien liggen. De Benue zie ik duidelijk stromen, bij wijze van spreken, zowel in de Grote Bosatlas (46e druk, 1968) en de al veel nauwkeuriger Spectrum Wereldatlas (4e druk, 1978), als bij Google Earth en Yahoo Maps, die beide akelig dicht bij de door Jorge Luis Borges beschreven wetenschappelijke nauwkeurigheid in de cartografie (1:1) komen. Vlissingen en Zierikzee bestaan – zo niet de steden Samba en Tyooan, althans ze zijn beide onvindbaar op de kaart (er is wel een dorp genaamd Samba in het Westen van Nigeria, dicht bij de grens met Benin). En dan is er nog iets. Bij Wikipedia (s.v. “Benue river”) vind ik dat de Benue in de zomer over bijna de gehele lengte bevaarbaar is. Onbevaarbaarheid is daarentegen juist een kenmerk van de Sambation, en niet alleen omdat deze elke sjabbos droogvalt en je dan vast komt zitten met je roeiboot of je rijnaak.

 

Vissen in de Sambation (deel 1)

Wie verre reizen doet kan veel verhalen. En als je niet zo’n verteller bent, kun je nog altijd leuke lijstjes maken: landen waar je bent geweest, steden die je hebt bezocht, rivieren, zeeën en meren waarin je hebt gezwommen, wonderen der natuur die je hebt aanschouwd. Buiten dit kader valt uiteraard een lijstje van imaginaire plaatsen, om de simpele reden dat je er niet geweest kunt zijn. Gedreven reizigers hebben zich daar overigens niet door laten weerhouden. Al in de 13e eeuw ondernam de Spaanse mysticus Abraham Abulafia (c. 1240-c. 1291) een reis naar Eretz Jisroël om van daaruit de rivier de Sambation te vinden. In 1541 waren Gonzalo Pizarro en Francisco de Orellana slechts de eersten die op zoek gingen naar El Dorado. En er is altijd wel ergens iemand bezig om naar de verzonken resten van Atlantis te dreggen, al is het maar in overdrachtelijke zin.

De Sambation komt één keer voor in de Babylonische Talmoed (traktaat Sanhedrin 65b), waar een discussie is geboekstaafd tussen de Romeinse potentaat Turnus Rufus en Rabbi Akiva, die ongeveer in het jaar 130 moet hebben plaatsgevonden. De Romein vraagt Rabbi Akiva, hoe je nu eigenlijk weet dat het uitgerekend vandaag sjabbos is. Rabbi Akiva voert daarop drie nogal vreemde bewijzen aan, waarvan de eerste de Sambation is. “De rivier de Sambation bewijst het,” staat er. Punt. Het commentaar van Rasji in de marge licht ons echter in, conform (op één detail na) de langere versie van deze discussie in de midrasj (Bereisjis Rabbah XI, 5), dat de Sambation alle dagen van de week stroomt, maar op sjabbos stilligt.
Nu is het de vraag, net als met andere verhalende, niet-wetskundige passages in de Talmoed, hoe je Rabbi Akivas opmerking over de Sambation moet opvatten. Als je het strikt letterlijk neemt, dringt de kwestie zich op, hoe precies de Sambation was. Hield de rivier rekening met de wekelijkse verschillen in het tijdstip waarop sjabbos in- en uitging? Als de rivier een teken was dat je sjabbos moest houden, merkte de minderbroeder en christen-hebraïst Pietro Galatino (1460-1540) schamper op, dan hoefde dat zeker niet meer, heden ten dage, nu de rivier verdwenen was. Galatino’s sarcasme laat een zwak punt zien in Rabbi Akivas bewijsvoering. Waarom antwoordde hij Turnus Rufus niet, dat het uitgerekend vandaag sjabbos was, omdat het precies een week geleden ook sjabbos was, en precies een week daarvóór ook, en zo helemaal terug tot het vierde van de Tien Geboden (Ex. 20:8-11)? Of dat er in de woestijn geen manna was nedergedaald op sjabbos, maar op vrijdag een dubbele portie (Ex. 16:22-26)? En als je de passage niet letterlijk neemt, moet je eigenlijk een geleerde zijn om er iets zinnigs over te zeggen. Ik probeer het toch.
Rabbi Akiva antwoordde den zot naar zijn dwaasheid, is mijn vermoeden. Waarom één dag per week anders zou moeten zijn, daar snapten Romeinen niets van, evenmin als van een niet-antropomorfe, zintuiglijk onwaarneembare god. Maar misschien snapte Turnus Rufus het wel, als je erop wees, dat je iets als sjabbos ook in de natuur kon waarnemen. Rabbi Akiva wreef hem als het ware onder de neus wat zijn eigen Plinius de Oude (23-79) in zijn Naturalis Historia had opgetekend: “In Iudaea rivus sabbatis omnibus siccatur (In Judea is er een rivier die op elke sjabbos droog is).”
De context van deze mededeling is een kort hoofdstuk over wonderbaarlijke watermassa’s: voorspellende en bestraffende rivieren, wateren waar niets in zinkt, en waar alles in zinkt. Eén van de plaatsen die hij noemt, het Lacus Avernus (Lago Averno), een kratermeer in Campania, bestaat wel degelijk, tot op de dag van vandaag. Dat zelfs afgevallen boombladeren in het water van dit meer zouden zinken, of dat vogels die er overheen vliegen dood neervallen, is echter onjuist, hetgeen te denken geeft over de verder weg, in Afrika, Medië en India gelegen watermassa’s, waarvan Plinius het bestaan had opgetekend op gezag van schrijvers die ze ook niet zelf hadden gezien, alsmede deze rivier in Judea die er, zoals Galatino terecht constateerde, heden ten dage niet meer is. Daar staat tegenover dat je in de Dode Zee (die Plinius niet noemt) wel degelijk veel gemakkelijker blijft drijven dan in het zoete water van het Meer van Tiberias. Ook bestaan er werkelijk periodieke bronnen die met vaste intervallen nat en droog zijn. Plinius’ tijdgenoot Flavius Josephus (37-100) vermeldt de Sambation eveneens, in zijn Joodse oorlog (VII, 5, 1), met dit verschil dat de rivier gedurende zes dagen droog staat en enkel juist op de zevende dag stroomt. “[M]en noemt hem de Sabbatikon, welke naam is ontleend aan de heilige zevende dag der Joden”. Niet alleen noemt Josephus de rivier bij naam, maar vertelt ook waar deze ongeveer gevonden kan worden. Dat is weliswaar niet in Judea, maar daar ook weer niet zó ver vandaan: ten N. van Berytus, het huidige Beiroet, tussen de plaatsen Arcea en Raphanea.
Via een voetnoot in een Engelse vertaling van Bereisjis Rabbah (Midrash Rabbah, Vol. I, Londen³, 1961, vertaald door H. Freedman) kwam ik terecht bij Adolphe Neubauers La Géographie du Talmud (Parijs, 1868) dat op zijn beurt in een voetnoot verwees naar Edward Robinsons Physical Geography of the Holy Land (Londen, 1865), dat me weer doorstuurde naar een artikel getiteld On the Sabbatic River, in The American Journal of Science and Arts (2nd series, Vol. II, No. 6 - Nov., 1846, p. 305-310), van de hand van William McClure Thomson (1806-1894). Thomson, een Amerikaanse missionaris die jarenlang in het Midden-Oosten verbleef, zocht en vond in 1840 de Sambation, dankzij het feit dat hij een scherpe voorstelling had van waar hij naar op zoek was: een periodieke bron, ten N. van Beiroet, halverwege tussen de plaatsen Arcea en Raphanea, welke Thomson wist te identificeren met Arqa in wat nu het Noorden van Libanon is, en Rafniye, enkele tientallen kilometers daar vandaan, over de grens in Syrië. Thomson trof inderdaad zo’n bron aan in de buurt van twee nabij elkaar gelegen, tamelijke bekende Syrische locaties, de kruisvaardersburcht Krak des Chevaliers (Qalaat el Hosn in modern Arabisch) en het oude Grieks-orthodoxe klooster van de H. Joris (Mar Jirjis). Deze bron, plaatselijk bekend als Fououar ed-Deir, bleek een zijarm te voeden van de “grote zuiderlijke rivier” (Nahr al-Kabir al Janoub), nu de natuurlijke grens tussen Syrië en Libanon. (Ik hanteer bij al deze plaatsnamen de spelling waaronder ze teruggevonden kunnen worden op Wikipedia, GeoHack, Google Maps, e.d.; Thomson heeft het over Kulâat Hûssn, Mar Jirjius, Nhr el Kebir, Fauwar ed Deir).
Dit moest Josephus’ rivier zijn, al werd Thomson geconfronteerd met het probleem dat de bron telkens na twee en niet na zes droge dagen begon te lopen. Na enige speculatie over wat er fysiek in het terrein veranderd zou kunnen zijn in de loop der eeuwen om deze discrepantie te verklaren, was zijn conclusie niettemin dat in Josephus’ tijd de bron waarschijnlijk hetzelfde ritme als tegenwoordig vertoonde. “[T]he proverbial love of the ancients for the marvelous, and a desire to conform this natural phenomenon to the Jewish division of time, will sufficiently account for the statements of these great historians,” d.w.z. Josephus en Plinius (p. 310). Thomson had op enige afstand van het klooster bovendien een sjeik ontmoet. “The Shiekh was not only acquainted with the fountain, which he called Nebā el Fûār, but immediately gave to the stream itself the name of Nhr Sebty, or seventh day river. And he insisted that it ran only once every seven days, although I knew to the contrary. But [...] he made it a moslem, declaring that it flowed only on Friday” (p. 310).
Het stond voor Thomson buiten kijf dat Plinius en Josephus het over dezelfde stroom hadden. Hij deed verder geen moeite om de verschillen in aard en locatie in hun beschrijvingen glad te strijken, maar dat had hij bijvoorbeeld op de volgende wijze kunnen doen. Laten we aannemen dat Plinius het nieuwtje van de Sambation van Josephus had. Dat is niet onmogelijk, want de Joodse oorlog was al een paar jaar voltooid en in roulatie toen Plinius, wiens laatste werk de Naturalis Historia was, in 79 bij de uitbarsting van de Vesuvius om het leven kwam. Stel dat Plinius de door Josephus opgegeven locatie niet had meegekregen, maar zich wel wist te herinneren dat het iets met rustdag van de Joden te maken had. Joden woonden toen nog in Judea; die rivier moest daar dan eveneens zijn. Daarnaast stelde Plinius Josephus’ rapport op logische gronden bij: Joden rusten op sjabbos, de rivier dus ook, i.p.v. de hele week droog te liggen en uitgerekend op sjabbos te stromen. En dat ook Rabbi Akiva dezelfde wonderbaarlijke en, als we afgaan op Thomson, toch weer niet zo wonderbaarlijke en evenmin imaginaire bron bedoelde is af te leiden uit het feit dat hij de naam Sambation gebruikt, praktisch dezelfde naam als Sabbatikon in Josephus’ oorspronkelijke Griekse tekst, enige verhaspeling in acht genomen. (Toegegeven, ik zeg dit op grond van het Grieks dat ik op school geleerd heb, laatstelijk in 1974, en van wat ik in de tekst van de Talmoed zo nu en dan aan Griekse leenwoorden meen te herkennen. Hier gelden uiteraard taalkundige regels die een studie op zich zijn. Wat verhaspelen van Latijn betreft, al dan niet moedwillig: Turnus Rufus is eigenlijk Quintus Tineius Rufus, geboren rond 90 en uit zicht verdwenen in 131).  
Abraham Abulafia heeft de Sambation niet gevonden. Toch bevond hij zich aan de goede kant van de Middellandse Zee, en al kwam hij niet verder dan Acco, hij had wel de goede richting gekozen. Niettemin, al zou Abulafia de Fououar ed-Deir gevonden hebben en de daaruit ontspringende zijarm van de Nahr al-Kabir, dan zou dat niet de Sambation zijn geweest die hij zocht. Abulafia had dan ook een geheel andere voorstelling van de rivier voor ogen, waaraan de werkelijkheid niet kon beantwoorden.

(wordt vervolgd)

Haat om niet


Op Tisja b’Av, de belangrijkste van de joodse treurdagen, vasten wij om de verwoesting van de eerste en de tweede Tempel in Jeruzalem. Behalve het vasten zijn er nog enkele onthoudingen, waaronder die van het leren van Torah. Je mag je wel verdiepen in zaken die passen bij de stemming van de dag, zoals Klaagliederen en het boek Job, alsmede een beperkt gedeelte van het traktaat Gittin van de Babylonische Talmoed, te weten folio 55b-57a. Op deze bladzijden staat hoe het, in het geval van de tweede Tempel, zover gekomen is.

Het is eigenlijk de schuld van een zekere Bar Kamtza, lezen wij, die, kennelijk onwelkom, eruit wordt gesmeten bij een banket en vervolgens om verhaal te halen, de Romeinse heersers wijs maakt dat de Joden in opstand zijn gekomen. De Romeinen slaan daarop beleg rond Jeruzalem, met als gevolg dat in het jaar 70 de Tempel andermaal wordt verwoest. Zo samengevat is het niet eens zulk opzienbarend nieuws. Verraders en andere slechte Joden zijn helaas een vast verschijnsel in onze geschiedenis. Geen wonder dat die Bar Kamtza niet welkom was!

Als je Bar Kamtza de schuld van alles geeft, is dat echter in strijd met de mededeling elders in de Talmoed (traktaat Joma 9b), dat de verwoesting van de tweede Tempel te wijten is aan sinat chinam. “Haat om niet” is de letterlijke vertaling, d.w.z. ongegronde haat. Op zich zegt deze term niet zoveel; daarom keren we voor een nadere verklaring terug naar Gittin 55b-57a.

 

“Om Kamtza en Bar Kamtza werd Jeruzalem verwoest,” begint de Talmoed ter plaatse. Nu komt Kamtza in het verdere verhaal niet voor, al wordt zijn naam nog tweemaal genoemd, als opmaat voor de eerste misstap van een reeks. “Er was een man die Kamtza tot vriend had, maar Bar Kamtza tot vijand. Hij richtte een banket aan. Hij zei tegen zijn bediende, ga Kamtza uitnodigen. Deze ging en nodigde Bar Kamtza uit.” Je kunt je afvragen of het huishoudelijk personeel op de hoogte was van de animositeit tussen hun werkgever, die verder anoniem blijft, en Bar Kamtza. Maar zelfs als dat het geval was, was de bediende er misschien niet op uit om een streek te leveren, en was het meer een kwestie van passieve agressiviteit waarvan hij zich nauwelijks bewust was - in ieder geval was het fundament voor grotere fouten gelegd.

Bij binnenkomst bij zijn eigen banket ziet de gastheer Bar Kamtza zitten en voegt deze toe zich te verwijderen. Bar Kamtza vraagt hem te mogen blijven en biedt aan om voor zijn couvert te betalen, hetgeen als een verzoenend gebaar opgevat kan worden. Het helpt hem niet. Nadat hij nog aanbiedt om de helft van de kosten van het banket te dragen (wellicht nog steeds een verzoenend gebaar) en vervolgens het hele banket te betalen (hetgeen in mijn oren niet langer verzoenend, maar uitdagend klinkt), belandt hij buiten op de keien.

Bar Kamtza is boos, maar niet eens zozeer op zijn vijand. “Hij zei: de rabbijnen zaten erbij en wezen hem niet terecht; kennelijk vinden zij dit acceptabel.” Hij besluit zijn gram te halen. Hij “ging en zei tegen de keizer [naar je mag aannemen, diens plaatselijke vertegenwoordiger], de Joden zijn tegen u in opstand gekomen.” Vroeger op school heb ik nog geleerd dat historische gebeurtenissen een oorzaak en een aanleiding hebben en dat je die twee niet moet verwarren. De oorzaak van de verwoesting van Jeruzalem inclusief de Tempel, althans de reden die de Romeinen meenden te hebben, was de noodzaak die zij zagen om rebellie in het keizerrijk neer te slaan, i.c. de rebellie die zou escaleren, zoals dat heet, tot de Joodse opstand (66-73). Het is niet mooi om te klikken, en al helemaal niet uit rancune, maar Bar Kamtza vertelde de Romeinen waarschijnlijk niets wat zij nog niet vermoeden of niet voor op hun hoede waren – kortom, niets nieuws. Hij ging echter een stap verder en verschafte hem een aanleiding. “Hij zei, stuur een offerdier en kijk of ze het offeren.” Het was vervolgens Bar Kamtza zelf die het dier meenam naar de Tempel. Onderweg bracht hij het een nietige verwonding toe, die het nochtans voor de Joodse wet (maar niet volgens Romeins gebruik) ongeschikt en dus verboden om te offeren maakte. Bar Kamtzas bedoeling lijkt duidelijk: het weigeren van het offer zou een klap in het gelaat van de keizer zijn - een duidelijke casus belli.

 

In het licht van de verdere gebeurtenissen was Bar Kamtzas wraak buiten elke proportie en alleen te vergelijken met het besluit van Haman om alle Joden in het Perzische keizerrijk om te brengen omdat hij er één niet aardig vond. Maar verwachtte Bar Kamtza werkelijk dat door zijn toedoen Jeruzalem tot een ruïne gereduceerd zou worden? Er was immers een uitweg: “De rabbijnen waren van mening dat het [dier, ondanks het gebrek, toch] geofferd moest worden om de vrede met de overheersers te bewaren.” Je zou denken, daar had Bar Kamtza ook zelf op kunnen komen. Zoiets was weliswaar in strijd met de strikte halacha en geen standpunt dat de rabbijnen lichtvaardig innamen, maar het was, zo blijkt uit hun besluit, in principe mogelijk. Toch vermoed ik dat Bar Kamtza in grote mate onbesuisd te werk ging, want het lijkt me sterk dat hij rekening hield met de andere uitweg die nog open was, nadat één van de vergaderende rabbijnen de eerste had weten te sluiten.

“Rabbi Zecharia ben Avkoelos,” gaat de Talmoed verder, “zei tot hen: dan zal men zeggen dat dieren met een gebrek op het altaar gebracht kunnen worden.” Het was door de kracht van dit argument, en het gezag dat R. Zecharia had, dat het offer dat Bar Kamtza namens de keizer wilde brengen, inderdaad geweigerd werd. De rabbijnen waren zich bewust van de ernst van de situatie die nu was ontstaan. Maar er was nog een uitweg. “Ze opperden om hem te doden, opdat hij het niet zou gaan vertellen [aan de Romeinen]. R. Zecharia zei tot hen: dan zal men zeggen dat men voor het aanbrengen van een gebrek ter dood gebracht wordt.” Opnieuw had R. Zecharia het overwicht, met alle gevolgen van dien, want daardoor kon Bar Kamtzas plan in ongewijzigde vorm doorgang vinden. De Talmoed steekt dan ook de beschuldigende vinger niet langer uit naar Bar Kamtza, maar naar R. Zecharia. “Rabbi Jochanan zei, door de bescheidenheid van R. Zecharia ben Avkoelos is ons huis verwoest, ons heiligdom afgebrand en zijn wij verdreven uit ons land.” Het was zijn bescheidenheid die funest was: R. Zecharia voelde zich te gering om een hora’ah sja’ah te treffen, een tijdelijke, door de omstandigheden noodzakelijke, beslissing die tegen de halacha inging.

 

In het geval van Bar Kamtza is het aspect van “haat om niet” duidelijk. Om zijn gram te halen op de gastheer van het banket en op de daar aanwezige rabbijnen die, naar zijn mening, diens kant hadden gekozen, was hij in zijn onbesuisdheid bereid om talloze anderen, waaronder mensen die er niets mee te maken hadden en mensen die hij niet eens kende, tot slachtoffer te maken. Zijn plan zou echter niet zijn doorgegaan zonder tussenkomst van R. Zecharia ben Avkoelos. In diens geval is er eveneens sprake van ongegronde haat van de medemens, zij het indirect. Rabban Jochanan ben Zakkai had vijf leerlingen, zo staat er in Pirkei Avot (II, 13), aan wie hij de vraag voorlegde, welke goede eigenschap een mens het meest zou moeten hebben. Naar Rabban Jochanan’s smaak gaf zijn leerling R. El’azar ben ‘Arach het beste antwoord: een goed hart. Iemand met een goed hart maakt zich niet snel schuldig aan haat om niet. Nu was het antwoord van R. El’azar ben ‘Arach het beste omdat de antwoorden van de vier andere leerlingen erin vervat waren. Eén daarvan was dat van R. Sjimon ben Natanel: dat je let op de gevolgen van je handelen. Dit laatste - en daarmee een belangrijk onderdeel van een goed hart - ontbrak bij R. Zecharia.

 

Zelfs toen de Romeinen beleg hadden geslagen rond Jeruzalem, was er nog ruimte om diplomatiek te manoeuvreren, en niet te vergeten: tijd. Er was genoeg voedsel en brandstof om het maar liefst 21 jaar uit te houden, vertelt de Talmoed. Helaas maakten in de belegerde stad birjonim de dienst uit, extremisten die de Romeinen wilden bevechten. “De rabbijnen zeiden tegen hen, sta ons toe naar buiten te gaan en vrede met ze [de Romeinen] te sluiten.” De birjonim lieten dat niet toe, waarop de rabbijnen voorspelden dat de strijd met de Romeinen niet succesvol zou zijn. Om toch hun zin te krijgen “staken zij de opslagplaatsen van tarwe en gerst in brand en ontstond er een hongersnood.”

Je kunt nu, na Bar Kamtza en R. Zecharia ben Avkoelos, ook de birjonim de schuld kunnen geven van de verwoesting van de tweede Tempel. Zij sneden de diplomatie de pas af en maakten de verovering van de stad onvermijdelijk. Hun optreden was echter de makeh bepatisj (de laatste klap met de hamer die het karwei voltooit). Het treurige van de geschiedenis zoals deze is opgetekend op deze bladzijden van het traktaat Gittin is het falen van alle dramatis personae, inclusief de rabbijnen. Hadden zij bij het banket niet moeten bemiddelen of althans de verwijdering van Bar Kamtza in zulke banen moeten leiden, dat deze minder beschamend was? Waarom gingen zij akkoord met de halachische beslissingen van R. Zecharia ben Avkoelos? De enige uitzondering is de al eerdergenoemde Rabban Jochanan ben Zakkai, die ook in het verhaal voorkomt. Deze zorgde ervoor, zijn familierelatie met de leider de birjonim, Abba Sikra, uitbuitend, om uit het belegerde Jeruzalem te ontkomen. De stad en de Tempel kon hij niet meer redden, maar door te schipperen met de Romeinen was hij in staat toestemming te krijgen om het hoogste rabbinale orgaan, het grote Sanhedrin, naar het plaatsje Javneh te verplaatsen en daarmee het Jodendom zoals wij het nu nog kennen te redden.

We weten niet hoe de tandwielen van het grotere geheel in elkaar grijpen, en niemand – laat u niets wijs maken – is heden ten dage profeet. Toch zouden we op de gevolgen van ons handelen moeten letten, bij voorkeur met een goed hart. Aan de geschiedenis van de verwoesting van de tweede Tempel gaat in Gittin een motto vooraf, een citaat uit Spreuken (28:14): “Gelukzalig is de mens die voortdurend vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.” Rasjie becommentarieert ter plaatse (Gittin 55b, s.v. mefached), dat deze persoon zich zorgen maakt om de uitkomst van zijn of haar handelen, opdat dit geen catastrofale gevolgen heeft.