Posts tonen met het label Esnoga. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Esnoga. Alle posts tonen

Pelikanen overal (deel 3)

Klik hier voor deel 1 en hier voor deel 2

Hoe was deze vergissing tot stand gekomen? J.S. da Silva Rosa was van mening dat van afgesleten koperplaten gedrukte ketoeboth-formulieren verwarring hadden gesticht tussen feniks en pelikaan: “de vlammen, die onduidelijk zijn afgedrukt, geleken zeer veel op jonge vogels en zoo kan dan (daar een jongen-voedende Feniks natuurlijk niet bestaanbaar is) het Pelikaan-symbool in de plaats zijn gekomen.” Ook Sigmund Seeligmann (1873-1940), de oprichter van het Genootschap voor de Joodsche Wetenschap in Nederland, was overtuigd van een vergissing, die volgens hem te maken had met de pelikaan met jongen die voorkwam in de in houtsnede uitgevoerde titelversiering van een drietal uitgaven van Menasseh ben Israël, o.a. een choemasj (Pentateuch) uit 1631. “Later heeft men dezen pelikaan voor den denkbeeldigen phoenix gehouden, de houtresten en de asch voor de jongen of omgekeerd,” aldus Seeligmann. Maar het oorspronkelijk, het juiste symbool van de Portugezen was de feniks. “Uitgesloten is het, dat in dien tijd een Joodsche Gemeenschap, die de Katholieke gedachtensfeer juist wilde verlaten, een zuiver roomsch symbool zou hebben gekozen.”

Het lijkt me dat hier wel wat op valt af te dingen. De pelikaan stond later, in de woorden van A.J. Mendes da Costa, symbool voor “de zorg der Gemeente voor hare leden.” Dat is conform de algemene, niet-direct-Christelijke betekenis. Barmhartigheid en zorgzaamheid zijn daarentegen geen eigenschappen van de feniks, die alleen en enig in zijn soort is, en zich niet voortplant maar vernieuwt. Het zou daarom iemand moeten zijn opgevallen dat de pelikaan een andere vogel is dan de feniks uit het zegel.

Daar staat tegenover dat de vogels, even afgezien van vlammen die zouden zijn veranderd in jonkies, wel iets van elkaar weg hebben. Ik bedoel hier de oude feniks van het zegel en de ketoeboth, niet de nieuwerwetse van Fré Cohen, die fier omhoogkijkt, terwijl een omhoog stralende zon achter zijn kop staat, als een soort halo (wat dan toch weer iets katholieks heeft). De oude feniks heeft zijn kop omlaag gebogen, net als de pelikaan, die dat doet om zichzelf te verwonden. Bovendien is er een conceptuele gelijkenis. De pelikaan verwondt zich, niet om met haar bloed haar jongen te voeden, maar om deze opnieuw tot leven te wekken, zoals het oorspronkelijke verhaal in de Physiologus gaat. Het aspect van barmhartigheid, mededogen, zorgzaamheid of moederliefde dat daarbij voor den dag komt even daargelaten, hebben de pelikaan en de feniks gemeen dat ze allebei verwijzen naar techiat hametim, de wederopstanding der doden. Het jodendom is niet gegrondvest op dogma’s; niettemin is het dertiende en laatste punt op Maimonides’ lijstje van ikkarim (hoofdzaken) het onvoorwaardelijk geloof in de wederopstanding. En in de eerste misjnah van Perek HaChelek, het tiende hoofdstuk van traktaat Sanhedrin, staat dat wie zegt dat de wederopstanding van de doden geen deel uitmaakt van de Torah, geen aandeel zal hebben in de toekomende wereld. Techiat hametim is ook niet iets om per ongeluk te vergeten: joden zeggen elke dag, in elk van de drie dagelijkse gebeden, een lofprijzing die op een totaal van 56 woorden vijfmaal eraan herinnert dat G’d de doden weer tot leven brengt.


De feniks is afgebeeld op de titelpagina van de Primera, Segunda en Tercera parte del Sedur uit 1612, omgeven door een randtekst met de woorden Neve Salom (“Woning van Vrede”, de naam van de synagoge waarvoor de boeken gedrukt waren) en Mi Camocha. Dit laatste is een retorische vraag die onder iets andere redactie ook voorkomt in de zojuist genoemde lofprijzing, de tweede van het Staande of Achttiengebed: Mi chamocha... oemie domeh lach, melech memit oemechajeh...? (“Wie is als U..., wie is U gelijk, Koning die laat sterven en weer tot leven brengt...?”) Toch is naar mijn smaak de feniks niet helemaal toepasselijk als symbool van techiat hametim. Wederopstanding zit, bij wijze van spreken, in de natuur van het beestje, terwijl de wederopleving der doden (daar laat het Achttiengebed geen twijfel over bestaan) een zaak van G’d is en afhangt van Diens barmhartigheid. In dat opzicht voldoet het pelikaansymbool beter, waarin immers sprake is van zowel wederopstanding als barmhartigheid.

 

Op de penning die de parnassijns van de Portugees-Israëlitische gemeente in 1786 aan Petronella Moens en Adriana van Overstraten aanboden, stond misericordia, barmhartigheid, expliciet vermeld in een banderol boven de pelikaan. De dichteressen hadden een hervertelling van het verhaal van Esther uit Tanach geschreven, een geschiedenis die voor de Portugese joden nauw verbonden is met Mi chamocha – in dit geval de onder die naam bekende pijoet (liturgische zang) van Jehoeda Halevi (ca. 1075-1141), die volgens de Spaans-Portugese ritus wordt gezegd op Sjabbat Zachor, de sjabbat die voorafgaat aan Poerim. Deze pijoet is eveneens een hervertelling van Esther en dient kennelijk om in de stemming te komen voor Poerim, waarop Esther zoals dit boek is opgenomen in Tanach wordt gelezen. (In de geheel in het Spaans gestelde Primera parte del Sedur wordt de pijoet aangekondigd als Miccamochah de Rebi Yehuda Levi, waarna de vertaling volgt). De aanhef luidt: Mi chamocha – v’ein kamocha – mi domeh lach – v’ein domeh (“Wie is als U? – Niets is als U – Wie is aan U gelijk? – Er is niets aan U gelijk”), een duidelijke echo van de tweede lofprijzing van het Achttiengebed.

 

Zoals bekend, weet Esther de door Haman voorgenomen en door koning Achasjveros bezegelde uitroeiing van de joden in het Perzisch-Medische rijk te voorkomen. Met alle respect voor haar durf en zelfopoffering, treedt Esther op als werktuig van G’d, die in deze geschiedenis niet zozeer de (op een haar na, massaal gevallen) doden doet herleven, als wel de levenden doet overleven. Deze verschuiving komt tot uitdrukking in Halevis pijoet, die eindigt met een ander Mi chamocha: Mi chamocha ba-elim Hasjem (“Wie is U gelijk onder de machtigen, Eeuwige!”) Dit andere Mi chamocha is onderdeel van een vers (Ex. 15:11) in het Lied van Mozes aan de Schelfzee (Ex. 15:1-18), waar het een verheugde reactie is op de wijze waarop G’d afrekent met de vijanden van het joodse volk, i.c. de farao en zijn leger, die het achtervolgen na de uittocht uit Egypte. In deze context komt dit specifieke Mi chamocha eveneens drie keer daags voor in onze gebeden. 

Volgens Limor Mintz-Manor is het dit triomfantelijke Mi chamocha waaraan de randtekst van de feniks refereert, vandaar de voor de hand liggende betekenis van de in Amsterdam als het ware uit de as van de brandstapels van de Inquisitie herrezen Spaans-Portugees-joodse gemeenschap. De bij de Schelfzee voltooide verlossing uit Egypte is een levende, een levend gehouden herinnering, waarmee gelijksoortige gebeurtenissen vergeleken worden. Jehoeda Halevi eindigt zijn weergave van hoe de joden in het Perzische rijk de overhand krijgen met een parafrase van het Lied aan de Schelfzee. Limor Mintz-Manor citeert een aantal individuele marranen die de toevlucht die zij in Amsterdam vonden en de mogelijkheid om daar opnieuw een Portugees-Israëlitische gemeenschap op te bouwen, in geschrifte uitdrukten als een uittocht uit Egypte. Ik ben zelf meer geneigd te zeggen dat het Mi camocha uit de randtekst van de feniks een citaat is uit (of, in ieder geval, eveneens refereert aan) de tweede lofprijzing van het Achttiengebed, die zo nadrukkelijk wederopstanding tot onderwerp heeft, de specialiteit van het fabeldier.

Wederopstanding – niet hier en niet nu, maar ooit – in plaats van een dreiging te boven komen of zelfs het vieren van een triomf past beter bij het pelikaansymbool. De pelikaan die haar jongen doodt en vervolgens met haar eigen bloed weer tot leven wekt, belichaamt de tragiek van de na 1492 in Spanje en Portugal achtergebleven, onder dwang gedoopte joden, die als “Nieuwe Christenen” onder argwanend toezicht van de Inquisitie staan. Stiekem vasthouden aan het jodendom kon, als het uitkwam, iemand gemakkelijk zijn leven kosten, maar er was ook de belofte van techiat hametim voor diegenen die het, ondanks alles, toch niet de rug toekeerden en hun hoop vestigden op G’ds barmhartigheid. Kortom, de moederpelikaan stelt het ondergrondse Spaanse en Portugese jodendom voor, de kleintjes zijn de “Nieuwe Christenen”.

 Nu zult u zich misschien afvragen: hoe kom je dáár nu bij, dat die pelikaan dit moet verbeelden? Toegegeven, het is puur speculatie, maar wel speculatie binnen zekere grenzen. In Secrecy and Deceit, The religion of the Crypto-Jews (Philadelphia, 1996) wijst David Gitlitz erop, dat de Spaanse en Portugese “Nieuwe Christenen” al na één generatie hun greep op het jodendom verloren hadden. Kennis van het Hebreeuws vervloog, evenals die van de halacha (de joods-wettelijk verplichte gang van zaken); de gebeden raakten door geheime, mondelinge overlevering hun vaste vorm kwijt. Daarvoor in de plaats gaven de “Nieuwe Christenen” een noodgedwongen persoonlijke inhoud aan wat ze meenden dat joods was die, als het zo uitkwam, een Rooms-katholieke vorm kon hebben. Ik stel me voor dat net zo’n beeldje van de pelikaan met haar jongen als hetgeen dat nu in Amsterdam boven de spiegel in de ma’amad hangt, ooit vroeger bij iemand thuis in Portugal heeft gehangen. De Inquisitie kon daar onmogelijk bezwaar tegen hebben, maar het betekende iets anders dan zij dachten.

Bovendien wordt de hier gegeven interpretatie niet gehinderd door een andere, vaststaande betekenis van het symbool binnen de Portugees-Israëlitische gemeente. Secretaris A.J. Mendes da Costa, hierboven geciteerd, herhaalde slechts de algemeen beschaafde betekenis van het dier, als zodanig al bekend uit 17e-eeuwse embleemboeken, en met een gemakkelijk te negeren Christelijk kantje. Veelzeggend is een ingezonden brief van een zekere B.S.O. in het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 6 februari 1874. De briefschrijver deelt mede dat hij graag te weten zou willen komen, via het NIW, wanneer en “met welk oogmerk” het wapen met de pelikaan door “onze gemeente ‘Talmoed Thora’” is gekozen. Nog veelzeggender misschien is dat een antwoord, althans in de kolommen van het NIW, uitblijft. 


Rest de vraag of Joseph Mendes da Costa inderdaad de maker is van het pelikaanreliëf boven het poortje naar de Snoge in de Muiderstraat. In het maandblad Amstelodamum van juni 1936 beweert A.M. Vaz Dias dat dit inderdaad het geval is. Het poortje dateert uit de tweede helft van de 19e eeuw en het “daarop afgebeelde pelikaan-embleem is een jeugdwerk van den vermaarden beeldhouwer dr. J. Mendes da Costa.” Jaap Meijer neemt in 1948 deze toeschrijving over in een van zijn artikelen in de serie “Het verdwenen ghetto” in het NIW, en sindsdien is deze geperpetueerd in tal van artikelen waarin de naam van de beeldhouwer valt. Daar staat tegenover dat een bericht uit januari 1915, door het NIW overgenomen uit het Algemeen Handelsblad, weliswaar op gezag van A.J. Mendes da Costa vermeldt dat “het wapen boven den ingang... daar eerst enige tientallen jaren geleden is aangebracht”, maar de toeschrijving aan Joseph Mendes da Costa achterwege laat. Zou hij misschien pas later het beeldhouwwerk op zijn conto gekregen hebben, nadat hij zoveel echte Roomse pelikanen had gehakt?

 Hier bereiken wij de grens van wat iemand die nabij Jeruzalem woont en af en toe, niet ongelijk Jacob Israël de Haan, met zijn gedachten bij Amsterdam verwijlt, online kan achterhalen. Om het antwoord te vinden op de vraag wie de sculptuur in de Muiderstraat gemaakt heeft, zou iemand zich in persoon naar het Stadsarchief moeten begeven, waar ook de uitgebreide archieven van de Portugees-Israëlitische gemeente zijn ondergebracht. Als je daar dan toch bent, zou je ook eens kunnen kijken of er iets te vinden is over die pelikaan boven de spiegel in de ma’amad. Waar komt die vogel vandaan en wanneer is ze in de ma’amad terecht gekomen? Had iemand het beeldje misschien meegenomen uit Portugal?



(foto: Doriann Kransberg, Stadsarchief)

Pelikanen overal (deel 2)

Lees eerst deel 1

Het is niet alleen de sculptuur in de Muiderstraat die een wenkbrauw doet rijzen. De Portugees-Israëlitische gemeente heeft in de 19e en 20e eeuw gedurende geruime tijd een wapen gevoerd met daarin de pelikaan. Van dit wapen is sprake bij de viering van het tweehonderdjarig bestaan van de Esnoga (Portugees-Israëlitische Synagoge, meer familiair: Snoge) in 1875, getuige een verslag daarvan in de krant: “Boven de fraaie cederhouten kast, die tot bewaarplaats strekt voor de wetsrollen, verhief zich een prachtige fluweelen tropee, met de wapens der kerk (een pelikaan met zijne jongen), en die van Nederland en van Amsterdam.” Ter gelegenheid van dit jubileum werd ook een gedenkpenning geslagen, in zilver, brons en tin, die het wapen met de pelikaan afbeeldt.

Vijftig jaar later, bij het volgende grote jubileum, maakte een vergulde pelikaan deel uit van de bloemenpracht op het voorplein van de Esnoga. In hetzelfde jaar 1925, uiteraard met het oog op het jubileum, kreeg de ma’amad, de kerkeraadskamer in de bijgebouwen van de Esnoga, een opknapbeurt. Jacob de Casseres, die een meubelzaak had in Beverwijk, leverde nieuwe stoelen, “waarvan één het rijk gebeeldhouwde wapen der Gemeente” droeg, aldus het Nieuw Israëlietisch Weekblad van 31 juli 1925.

Plantage Franschelaan

In deze periode valt het pelikaanreliëf in de Muiderstraat, alsmede een soortgelijk reliëf boven een poortje behorend tot het in 1916 door Harry Elte (1880-gedeporteerd) gebouwde Portugees-Israëlitische Ziekenhuis in de Plantage Franschelaan (thans H. Polaklaan; het reliëf is later geïncorporeerd in een nieuw, tegen het voormalige ziekenhuis aangebouwd perceel). Er zijn ook andere voorbeelden uit die tijd, zoals een geborduurde Torah-mantel uit 1881, een lithografie naar een tekening van D.S. Sealtiël uit 1922, en een prentbriefkaart gedrukt n.a.v. het jubileum in 1925. Wie goed zoekt zal nog wel meer Portugese pelikanen vinden. Het (voor zover ik weet) laatste gebruik van het wapen dateert uit 1927, als de Nederlands- en Portugees-Israëlitische kerkgenootschappen te Amsterdam burgemeester Willem de Vlugt een bureau-ministre, een proeve van fraai gedecoreerd schrijnwerk met de wapens van Amsterdam, het Rijk, en de twee joodse gemeentes, ten geschenke geven voor diens in dat jaar in gebruik genomen ambtswoning.


bureau-ministre (foto: Coert Krabbe)

Het gebruik van de pelikaan met haar jongen als embleem dateert echter al van vóór 1875. Volgens A.J. Mendes da Costa (1870-1943) kwam de pelikaan al voor in de 18e eeuw, zij het niet vóór 1743. Hij had, kennelijk in zijn functie als secretaris van de Portugees-Israëlitische gemeente, een stempelafdruk met het dier gezien op een geschrift uit dat jaar. Mogelijkerwijs dateren twee vleesloodjes met de beeltenis van de pelikaan uit de 18e eeuw. Vinder Pieter de Beuk trof ze aan, naar eigen zeggen, in 18e-eeuwse stortlagen op Wittenburg (een van de Amsterdamse Oostelijke Eilanden, niet ver van de Esnoga).

Vleesloodjes (foto: Pieter de Beuk)

Misschien is ook het beeldhouwwerkje boven de barokke spiegel in de ma’amad, waarop rabbijn Hans Rodrigues Pereira z.l. me attent maakte, uit die tijd. Er is in ieder geval een gouden penning met de datum 1786, door de parnassijns van Esnoga als dankbetuiging overhandigd aan Petronella Moens en Adriana van Overstraten. Beide dichteressen hadden hun berijmde hervertelling van het Poerimverhaal, Esther, in Vier Boeken (Haarlem, 1786), opgedragen aan de parnassijns van zowel de Portugese als de Hoogduitse Joodse naties.


Het is eigenaardig, maar het lijkt erop dat ze in het verleden bij de Portugees-Israëlitische gemeente, voorheen Kahal Kadosh de Talmud Torah, te Amsterdam, niet precies wisten wat nu eigenlijk hun embleem was. Op het oude zegel van de gemeente (Sello do K.K. de T.T. de Amsterdam, aldus de randtekst) stond althans geen pelikaan, maar een feniks.

Deze feniks kwam al voor op de titelpagina’s van een Amsterdamse, Spaanstalige siddoer (gebedenboek) in drie delen, toepasselijk Primera, Segunda en Tercera parte del sedur getiteld en in 1612 door Yshac Franco alias Francisco Mendes Medeiros gedrukt ten gerieve van Neve Salom, een van de drie kortstondige Amsterdamse snogetjes die in 1639 zouden opgaan in de K.K. de T.T. Het is dezelfde feniks, met gespreide vleugels, onder een stralend zonnetje en te midden van een flinke rookontwikkeling, al is die op het latere zegel met veel minder detail weergegeven.

Maar net als de pelikaan, heeft ook de feniks een Rooms-katholieke betekenis. Volgens de Physiologus is de herrijzenis uit de as, een proces dat drie dagen in beslag neemt, een symbool van de wederopstanding van Jezus, die ook drie dagen geduurd zou hebben. Een afbeelding van de feniks, uitgevoerd in mozaïek, is bijvoorbeeld te vinden in de Amsterdamse St. Nicolaaskerk aan de Prins Hendrikkade, en wel op een prominente plaats: aan de voorzijde van het uit 1889 daterende hoogaltaar, zij aan zij met nota bene een mozaïek van de bloedvoedende pelikaan. Daar staat tegenover dat het fabeldier al voorkomt in Tanach, onder de naam chol en als symbool van een lang leven (Job 29:18). De wedergeboorte van de vogel uit zijn eigen stoffelijk overschot is bovendien op zichzelf een sterk beeld met brede toepassing. De feniks zou het oorspronkelijke embleem van de Portugese joden zijn geweest, aldus J.S. da Silva Rosa (1886-gedeporteerd), bibliothecaris van de bibliotheek Ets HaimLivraria Montezinos. “Het symbool van den Phoenix: de Joodsche Gemeenschap, die na haar ondergang in Spanje en Portugal op Amsterdams gezegenden bodem als het ware uit haar asch is herrezen, spreekt veel duidelijker dan het Katholieke symbool der Pelikaan.” Verder herinnerden vuur, rook en as de Portugezen die naar Amsterdam kwamen om openlijk hun jodendom te belijden aan de vervolging waaraan zij ontsnapt waren. Inzake het embleem op de titelpagina van de Segunda parte del Sedur merkt de webpagina van de bibliotheek Ets Haim op dat dit een feniks is “die uit de as van de brandstapels van de inquisitie oprijst.”

De feniks is als embleem slechts langzaam verdwenen, gegeven het feit dat voor een periode van bijna honderd jaar, ingaande met het jaar 1738, de gemeente voor het uitschrijven van ketoeboth (huwelijkscontracten) vellen papier en perkament gebruikte met d.m.v. kopergravure voorgedrukte randversiering, waarvan een medaillon met de feniks deel uitmaakte. Ook na de periode tussen 1875 en 1927, waarin de pelikaan zich zo duidelijk manifesteerde, is de feniks niet verdwenen. In de jaren 1930 en 1931 verscheen er voor korte tijd een orgaan van de Portugees-Israëlitische gemeente, uitgerekend onder de titel De Phoenix (met een gestileerd embleem van Fré Cohen).

Volgens de Israëlische historica Limor Mintz-Manor, die een geleerd artikel over de Portugese feniks heeft geschreven, is deze vogel, en niet de pelikaan, het huidige symbool van het kerkgenootschap. Nu betekent dat niet dat er heden ten dage een vlag met de feniks op de Snoge staat te wapperen, maar er zijn wel nieuwe voorbeelden van het gebruik van de feniks te vinden. Toen de gemeente bij het driehonderdjarig bestaan van de Snoge in 1975 een kleed voor de ma’amad ten geschenke kreeg, was dit gedecoreerd met de feniks. En ook het gemeenteblaadje dat sinds 2001 verschijnt, heet opnieuw De Phoenix. Het is alsof er iets is rechtgezet. Volgens sommige ter zake kundigen zou immers het hele gebruik van de pelikaan in het Portugese wapen onjuist zijn en berusten op een, overigens reeds lang geleden gemaakte, vergissing, een abusievelijk verruilen van de feniks voor de pelikaan.


(Wordt vervolgd)

Pelikanen overal (deel 1)

 

Wat is nu geen vak voor een joodse jongen? Agent van politie, uiteraard. Balletdanser. Ook beeldhouwer hoort naar mijn smaak op het lijstje van onjoodse beroepen. Niet dat er geen joodse beeldhouwers zijn. Je had ze al meer dan honderd jaar geleden, bijvoorbeeld Mark Antokolski (1843-1902) in Rusland en Jacob Epstein (1880-1959) in Engeland. Tot de belangrijkste werken van de laatste behoren Christ in Majesty (1957) in Llandaff Cathedral, Cardiff, St. Michael’s Victory over the Devil (1958) aan de gevel van de kathedraal van Coventry, alsmede een Madonna and Child (1927), thans in de Riverside Church, New York, een thema waarnaar Epstein terugkeerde ten gerieve van het Convent of the Holy Child in London (1953) – en dat allemaal zonder daadwerkelijk te sjmadden! Een verzachtende omstandigheid is dat afgodendienaren nu eenmaal grotere afnemers van beeldhouwwerken zijn dan, zeg, de filialen van de Britse United Synagogue of die van het Nederlands-Israëlitisch Kerkgenootschap. Het is een simpel marktmechanisme; je kunt ook weinig tuinkabouters kwijt aan de bewoners van een torenflat. Maar je hebt hier wel de reden, waarom beeldhouwer geen joods beroep is.

De Amsterdammer Joseph Mendes da Costa (1863-1939) was een iets oudere tijdgenoot van Epstein en eveneens beeldhouwer. In Amsterdam kun je tal van zijn werken langs de openbare weg aantreffen, en het Joods Historisch Museum bezit zijn bekende beeldje Geschiewes (1902), één van een serie kleine terracottabeeldjes die Mendes da Costa rond 1900 maakte van ‘Joodse volkstypes’ – een onderwerpskeuze waarop niets valt aan te merken. Maar daar staat tegenover dat Mendes da Costa ook beeldjes gemaakt heeft – letterlijk heiligenbeelden – van St. Anna en St. Franciscus van Assisi. Tevens is hij de maker van een rond reliëf in zandsteen in de gevel van de R.K. Hofkerk in de Amsterdamse Watergraafsmeer, voorstellende een pelikaan die haar jongen, drie in getal, voedt met haar eigen bloed, een zinspeling op het bekende lijden en de zelfopoffering van Jezus.

Via de pastoor van deze Hofkerk kwam ik erachter dat Mendes da Costa eveneens een rond reliëf van een pelikaan – in feite precies dezelfde voorstelling – had gemaakt voor het kantoorgebouw van de Alkmaarse verzekeringsmaatschappij Hooge Huys. De suggestie is niet dat verzekeraars, net als die kleine pelikaantjes, bloedzuigers zijn; integendeel, de verzekeraar in kwestie vergelijkt zich met de moederpelikaan, het symbool van zich opofferende naastenliefde. Als zodanig is het Alkmaarse reliëf een mooi voorbeeld van in steen gehouwen gotspe.

Zowel de Hofkerk als het kantoor van Hooge Huys zijn ontworpen door A.J. Kropholler (1881-1973), de architect die zoveel baksteen in zijn ontwerpen deed. Na enig heen- en weergeklik op het Internet vond ik nog twee Roomse kerken, ook al ontworpen door Kropholler, die worden gesierd door een pelikaanreliëf van Mendes da Costa. Dankzij Google Streetview kon ik vaststellen dat het reliëf aan de gevel van de O.L. Vrouwe van Lourdeskerk in Scheveningen niet verschilt van Mendes da Costas pelikanen in Amsterdam en Alkmaar. De H. Antonius Abtkerk in Rotterdam is in 1973 afgebroken, maar een foto in het Rotterdamse Gemeentearchief toont aan dat hier eveneens sprake was van precies dezelfde pelikaan – met als enige variatie dat het reliëf hier aan een binnenmuur was bevestigd.


Amsterdam

Alkmaar

Rotterdam

Kropholler, katholiek uit overtuiging, heeft nog diverse andere kerken gebouwd. Ik weet niet of Mendes da Costa daarvoor nog een paar pelikaanreliëfs op voorraad had. Iemand die wil promoveren in de kunstgeschiedenis zou dat eens uit kunnen zoeken en daarbij tevens een antwoord geven op de vraag, welk reliëf nu het eerste en originele was. Om het geheel een beschouwend tintje te geven, zou de promovendus ook iets kunnen zeggen over het gewicht van originaliteit in i.c. de beeldhouwkunst. De volgende pastoor die bij Kropholler kwam om een nieuw gebouw voor zijn O.L. Heer Gespijkerd aan het Houtkerk of O.L.V. van het H. Kruis wilde misschien helemaal geen origineel reliëf, maar net zo’n pelikaan als hij had gezien in Amsterdam, Rotterdam of Scheveningen. (Waarop Kropholler dan kon zeggen: nou dat treft, eerwaarde, ik ken toevallig een jodenman die ze kan leveren.)


Het in 1963 afgebrande pand van C&A aan het Damrak, voorheen
de huisvesting van een levensverzekeraar

Het feit dat Mendes da Costa hetzelfde pelikaanreliëf gemaakt heeft voor zowel een paar Roomse kerken als een levensverzekeraar, wijst op de rek die in de betekenis van het symbool zit. De vroegste geschreven bron waarin de pelikaan verschijnt, althans één die nog bestaat, is de Physiologus, een vroegchristelijke, in Alexandrië in het Grieks opgeschreven tekst (2e eeuw), die een moraliserende zin verleent aan de echte en vermeende eigenschappen van werkelijk bestaande en fabeldieren – het maakt de anonieme auteur allemaal niet uit. De moederpelikaan, aldus de Physiologus, zou de onhebbelijkheid hebben om haar jonkies dood maken als die te druk worden in het nest (in andere, latere versies staat de vaderpelikaan aansprakelijk; deze zou uit jaloezie handelen). Na drie dagen krijgt ze echter medelijden en wekt ze de lijkjes tot leven door haar eigen bloed over ze uit te storten, waarmee ze het voortbestaan van de familie waarborgt. Het is mogelijkerwijs dit aspect dat levensverzekeraars aanspreekt; zij doen als het ware hetzelfde, door uit te keren bij overlijden. M. Boas wijst in een artikel in het maandblad Amstelodamum, juni 1936, op drie Amsterdamse gebouwen, alle van oorsprong levensverzekeringskantoren, die een pelikaan (“blijkbaar als symbool van ouderzorg”) aan hun gevel hebben. Eén daarvan is een in 1963 afgebrand pand aan het Damrak (op dat moment van het kledingbedrijf C&A), een ontwerp van Berlage.

Ook het Nederlandse Rode Kruis heeft het pelikaansymbool gebruikt. Het medelijden en de barmhartigheid die de moederpelikaan kenschetsen zijn uiteraard eigenschappen die de organisatie ook zichzelf graag toeschrijft, maar het gaat hier vooral om het bloed dat zij laat vloeien. Zo komt de pelikaan, met nadrukkelijk bebloede borst, voor op een postzegel van 4 cent ter ere van het Rode Kruis uit 1957, alsmede op een vooroorlogs aanplakbiljet van de Bloedtransfusiedienst. Wie in jaren dertig vijfmaal bloed afstond, ontving van het Rode Kruis een penning ten geschenke, met daarop eveneens onze pelikaan. Het Joods Historisch Museum heeft een exemplaar van deze penning in de collectie; op de andere kant staat de beeltenis van prof. dr. Karl Landsteiner, een om zijn onderzoek van het bloed bekende Oostenrijkse medicus, en een gesjmadde jood – vandaar zeker.

Voorts staat de pelikaan voor medelijden, barmhartigheid, zorgzaamheid en naastenliefde in het algemeen. In die betekenis maakt de vogel deel uit van het Wertheimmonument in het Amsterdamse Wertheimpark (het kapiteel van de zuil op de fontein, waar de pelikaan de plaats inneemt van acanthusbladeren). A.C. Wertheim (1832-1897) was geen levensverzekeraar, maar bankier en politicus – alsmede “der armen hulp, der zwakken staf, der menschheid vriend”, zoals op zijn eigen monument staat te lezen.

Niettemin is de pelikaan toch vooral een Christelijk symbool. De Physiologus laat daar geen twijfel over bestaan, als de tekst erop wijst, dat de mensheid door de zondeval ten dode zou zijn opgeschreven, ware het niet dat Jezus “ons door zijn dood aan het kruis met zijn bloed tot het eeuwige leven gewekt heeft” (ik vertaal hier naar de Duitse vertaling van Friedrich Lauchert). De pelikaan is dan ook aan tal van kerken te zien is, alleen al dankzij de inspanningen van Mendes da Costa. Nu heeft Mendes da Costa, althans dat is de gangbare mening, nóg een pelikaanreliëf vervaardigd, dat boven een poortje zit in de Muiderstraat te Amsterdam. Dat is merkwaardig, want dat poortje leidt niet naar een kerk of naar een verzekeringsmaatschappij, maar naar de Portugees-Israëlitische Synagoge. Wat moeten de Portugese joden nu met zo’n Christelijk symbool?



Muiderstraat
(wordt vervolgd)