Posts tonen met het label foto's met bijschrift. Alle posts tonen
Posts tonen met het label foto's met bijschrift. Alle posts tonen

Foto's met bijschrift (9)


Er is in de loop der tijden van alles vertaald: heilige boeken, schotschriften, romantrilogieën, gedichten, noem maar op. Er is zelfs een enkel geval van een vertaald werk van beeldhouwkunst, zoals het op bovenstaande foto afgebeelde. Ahavah staat er. In transliteratie zijn dat zes letters in plaats van de vier die je ziet, maar dat komt omdat het Hebreeuws klinkers meestal niet schrijft. Het werk staat in de Billy Rose beeldentuin, behorend tot het Israël Museum te Jeruzalem. Het is de vertaling (mogelijkerwijs van de maker ervan, Robert Indiana, zelf; het is tenslotte maar één woord) van een andere sculptuur, Love, die staat in de tuin van het Indianapolis Museum of Art – althans dat neem ik aan, omdat beide beeldhouwwerken ongeveer even groot zijn (resp. 350 x 344 x 183 cm en 365,8 x 365,8 x 182,9 cm), allebei zijn uitgevoerd in cortenstaal en elkaar nabij zijn in tijd (Love is uit 1970, Ahavah uit 1977).

De compositie als zodanig, een blok van vier letters verdeeld over twee verdiepingen, dateert zeker al uit 1964, in de vorm van twee met potlood gemaakte wrijfprenten genomen van 19e-eeuwse koperen sjabloonletters. Daarna volgden talloze andere uitvoeringen van hetzelfde thema. Hetzelfde Indianapolis Museum of Art bezit er ook een groot schilderij (182,5 x 182,5 cm) van uit 1966, in de kleuren rood, groen en blauw; uit 1967 dateert een ongeveer even groot schilderij in rood en blauw, alsmede een kleinere zeefdruk (86,3 x 86,3 cm), maar dan wel weer in de kleuren rood, groen en blauw (maar niet op dezelfde plaats als in het schilderij uit 1966). Kennelijk geïnspireerd door de chocoladeletter nam Indiana de stap om zijn ontwerp ook in drie dimensies uit te voeren, en dat dan ook weer in verschillende formaten en in verschillende materialen.

Het kost nog steeds een paar centen, maar de gemiddelde particulier zal zich eerder een werk van Indiana kunnen veroorloven dan, zeg maar, een ets van Rembrandt in een eerste of tweede staat. Dat werk is dan waarschijnlijk wel een versie van Love, simpel omdat er daarvan zoveel zijn. Indiana heeft sinds de jaren zestig het thema in vele variaties herhaald en dan ook nog eens dikwijls in de vorm van zeefdrukken, met oplagen tot 250 stuks. Ook van versies in drie dimensies bestaan er vaak meerdere exemplaren. Hebt u geen plaats voor zo’n driedimensionale uitvoering en hangen uw muren al vol kunst, dan is er ook het Love-tapijt in verschillende uitvoeringen.

Indiana heeft ook aan de niet-Engelstalige kunstliefhebber gedacht. Behalve de Hebreeuwse versie (die ook leverbaar is als zeefdruk, een grote en een kleine, gedrukt in resp. 25 en 150 exemplaren, alsmede als sculptuur in gereduceerd formaat, in zes exemplaren), is er een Spaanse (Amor; tegelijk als Catalaanse en Portugese versie te beschouwen) en een in Sanskriet, in een Indisch lettertype, maar ook in een Engelse transcriptie (Prem). Dat het zo weinig vertalingen zijn, komt door het feit dat het woord liefde slechts in een gering aantal talen uitgerekend vier letters heeft, althans in weinig van de ruim honderd talen waarin je het kunt opzoeken in Google Translate, te weten het Maleis (suka), het Wels (caru), de Zuid-Afrikaanse talen Zuid-Sotho (rata) en Shona (rudo), het Noord-Koerdisch (evîn) en het Hmong (hlub). Deze talen worden heden ten dage alle met Latijnse letters geschreven. Daarnaast is er liebe in het Jiddisch, dat met vier Hebreeuwse letters wordt gespeld. Ten slotte is er het Griekse eros, maar dat betekent ‘zinnelijke liefde’ of ‘lust’, volgens mijn oude schoolwoordenboek klassiek-Grieks, en dat is misschien niet helemaal wat Indiana bedoelt. Google Translate geeft trouwens een ander woord voor het moderne Grieks, van vijf letters. Niettemin stonden er zo nog zeker zeven kunstwerken voor Indiana (overleden in 2018) op het programma, als hij het thema na vijftig jaar intussen niet zat was. Ik zou me dat kunnen voorstellen, zeker als je iedere nieuwe versie opnieuw zou moeten boetseren, smeden en lassen, uithakken in steen of schilderen met een fijn penseeltje. Gelukkig leent het werk van Indiana zich voor industriële vervaardiging. De ene Love is daardoor niet minder mooi dan de andere. De enige uitzondering zijn alleen die eerste twee, min of meer handkundig gemaakte versies: een beetje knoeiwerk, vergeleken met de rest.

Screenshot van Google Images

Foto's met bijschrift (8)



Van de beeldende kunsten is de architectuur die welke het meest praktisch nut heeft. Je zou beschutting tegen de regen kunnen zoeken onder een schilderij, maar zoiets gaat beter tussen muren en onder een dak. Zelfs een dictatoriaal paleis, gebouwd om louter te imponeren, te overweldigen en af te schrikken, kan in andere tijden, in afgetuigde vorm, normale mensen nog van pas komen. Een randgebied van de architectuur vormen in dit opzicht follies, nutteloze bouwsels die wel leuk om te zien zijn, althans in het oog springen. Follies vind je overal, maar vooral daar waar sommigen heel veel geld hebben, maar daarmee geen raad weten: het Verenigd Koninkrijk. Maar je hebt ze ook in Israël, getuige het hierboven afgebeelde bouwsel in Jaffa. Het dateert van 2004 en is een replica van de façade van het in 1947 door de LECHI (de Stern Groep) opgeblazen, oorspronkelijk Ottomaanse en op dat moment Britse overheidsgebouw, de Saraja. Het is overigens een gedeeltelijke reconstructie, want slechts de helft van wat tussen de zuilen hoort te zitten is ingevuld. De achterkant van de huidige façade is nagenoeg plat, alsof er nog iets tegenaan moet komen. Het doet als zodanig denken aan hoe hier te lande oude, onder architectuur gebouwde panden rigoureus worden gerenoveerd: het hele gebouw gaat tegen de vlakte, behalve de gevel, waarachter en waartegen dan een nieuw gebouw verrijst, in de regel een hotel of luxeappartementen. Het is een omkering van de 19e-eeuwse praktijk om een gevel, in de gewenste neo-stijl, tegen een gebouw aan te plakken. In Jaffa lijkt het echter om alleen de gevel te doen te zijn, alsof men het werk van de LECHI niet ongedaan wil maken, maar het ook wel jammer vindt van het gebouw, dat er van de straatkant toch zo aardig uitzag.



Foto's met bijschrift (7)



Vermoedelijk heeft elke van oorsprong Nederlandse familie hier in Israël wel een stukje Holland als versiering aan de wand. De familie D. is misschien een uitzondering, maar daar staat weer een sjoelbak rechtop in een hoek van de kamer. Die wandversiering kan een Delfts-blauw tegeltje zijn of een prent van Picart, al dan niet in reproductie. Bij de psychiater D. (een andere D.) te Jeruzalem zag ik indertijd twee etsen van Willem Witsen hangen, van die donkere, stemmige Amsterdamse stadsgezichten. Zelf heb ik ook zoiets in mijn werkkamer, maar dan van klein formaat (8 x 13 cm), en geen ets, maar een foto van eigen fabricaat; het is niettemin ook een stemmig Amsterdams stadsgezicht. Je ziet er een gedeelte van de Wittenburgergracht op, alsmede een stukje Oostenburgergracht, met daartussen het waaigat. Dat is voor mij zeer bekend terrein, want ik woonde tussen 1955 en 1971 op dat deel van de Wittenburgergracht. Toch is die foto geen herinnering aan mijn jeugd, want voordat ik begin 1985 ’m maakte, vanaf de voormalige scheepswerf Het Kromhout over de Nieuwe Vaart heen, had ik de Wittenburgergracht nooit van die kant gezien.

Water


De stad Amsterdam ramt zich op de borst om haar vele grachten en meer dan duizend bruggen, maar naar schatting de meeste Amsterdammers wonen in straten en op pleinen (al is er meestal wel water in de buurt). Zelf heb ik gedurende een gedeelte van mijn jeugd, tussen 1955 en 1971, het voorrecht genoten om aan het water te wonen, op de Wittenburgergracht aan de Nieuwe Vaart. Daarna heb ik nog een tijdje ik in het suburbane Amsterdam-Nieuwendam aan een siersloot gewoond, waarvan ik nooit de naam geweten heb. Mogelijkerwijs had deze watermassa een functie in de afwatering van het gebied, maar het was geen waterweg. Er voer nooit een boot. 's Winters werd er wel geschaatst, maar in kleine rondjes – je kon nergens heen schaatsen. Op de Nieuwe Vaart werd nooit geschaatst, zelfs niet in de legendarisch strenge winter van 1963. Waarschijnlijk was het water hoe dan ook te diep om goed te bevriezen (er werd regelmatig gebaggerd), maar de vaart werd ook bevaarbaar gehouden. Toen halverwege de 19e eeuw het Oosterdok werd ingericht als haven, maakte de Nieuwe Vaart daar ook deel van uit. Maar toen ik heel klein was – of misschien nog vóór mijn geboorte – werd de kade langs de vaart vervangen door een schuine wallekant en werden de rails voor de goederentreinen opgebroken om plaats te maken voor een brede asfaltweg. Echte havenactiviteit was er niet meer, maar tijdens mijn jeugd was er niettemin regelmatig waterverkeer: sleepbootjes trokken dekschuiten, er voer een vuilnisschuit, er werd geroeid – niet in slanke wedstrijdboten, maar in sloepen (de roeiers waren leerlingen van de Zeevaartschool op de Prins Hendrikkade). Op de werf van Kromhout werd nog gewerkt, en aan de andere kant van de sluis lag een zeeschip afgemeerd, als het niet buitengaats was om kabels te leggen (het had daarvoor een speciale constructie op de boeg). Dát is water voor de deur! De Nieuwe Vaart bood een schouwspel waarvan ook geur (een zilte zweem) en klank (bijvoorbeeld het gepruttel van motorbootjes met de uitlaat net onder de waterlijn) deel uitmaakten. Al was het niets sensationeels, er gebeurde tenminste iets, zulks in tegenstelling tot het stilstaande water in Amsterdam-Nieuwendam. Niettemin is er daar in de jaren zeventig één keer iets gebeurd, een ernstig incident: een jongeman uit het flatgebouw tegenover ons, aan de andere kant van de siersloot, probeerde zichzelf, ten einde raad, op een avond erin te verdrinken. Het werd hem tijdig verhinderd – waarbij het waarschijnlijk hielp dat die rotsloot voor het beoogde doel gewoon te ondiep was.

Grot


Of het nu de catacomben van Rome zijn, de metrobuizen van Parijs of de spelonken van Guadalajara, het onderaardse oefent een grote aantrekkingskracht op mij uit. Dat hebben wel meer mensen, en een enkeling kan het zelfs verklaren (Michael Chabon, Manhood for Amateurs, het hoofdstuk “Subterranean”). Zelf heb ik geen idee, ik weet alleen dat het diep zit – no pun intended! In mijn dromen zijn kelders een dikwijls terugkerend motief: keldertrappen leiden naar steeds lagergelegen verdiepingen, die soms een andere verbinding hebben met de buitenwereld, soms het terrein blijken te zijn van onvermoede beschavingen. Zoals te doen gebruikelijk, vervliegen alle details bij het ontwaken.
Nu heb ik het in mijn hoofd, dat er onder de kelder van het voormalige Kunsthistorisch Instituut, Joh. Vermeerstraat 2, Amsterdam, nog een diepere kelder zit. Ik weet niet of dit nu is blijven hangen van een droom of dat het werkelijk zo is. Tegen het laatste pleit het feit dat de grond in Amsterdam uit weke modder bestaat. Als je er een gat in graaft, loopt dat meteen vol met grondwater. Met bijzondere maatregelen zijn tunnels en kelders technisch mogelijk, getuige die ene kelder die werkelijk onder het Kunsthistorisch Instituut zit, maar Amsterdam – bovengronds niet onaardig – heeft de liefhebbers van onderaardse krochten toch maar weinig te bieden.
Beitar Illit daarentegen bezit, binnen de omheining van ons stadje, een heuse grot. Ik kwam daar pas onlangs achter, hoewel we hier al meer dan twaalf jaar wonen. Een eigen grot, als het ware – die moest ik van binnen inspecteren. Het viel tegen. De grot is nogal ondiep, zodat je een zaklantaarn niet eens nodig hebt. Opmerkelijk is wel dat de grot eenvoudig gemeubileerd is met tapijten, een tafel, een paar stoelen en een boekenkastje met enkele boeken. Inmiddels heb ik geleerd dat er geen holbewoner huist, maar dat de grot af en toe gebruikt wordt door mannen die hitbodadoet verlangen, letterlijk afzondering, maar in dit geval alleen zijn met G’d, die ze dan luider stemme aanroepen, bij voorkeur rond het middernachtelijk uur.

Werk in de bouw

Aan dit appartementengebouw in Beitar Illit worden momenteel aan alle kanten extra kamers, balkons en zelfs een bovenverdieping toegevoegd. Dit is geen verbouwing meer – dit is her-dubbel-re-bouw!

Reclame

Sommigen hoeven niet langer te wachten. Mosjiach is niet alleen gekomen – hij is alweer gegaan. Nu ja, dat de Lubavitcher rebbe in 1994 doodging en begraven werd, was natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Dit reclamebiljet (“Leve koning de mosjiach”) is davke op vrijdag opgehangen – met een beetje mazzel komt er niets overheen en blijft de boodschap de hele sjabbos zichtbaar.

Monument voor Dov Gruner

Beeldengroep ter nagedachtenis van Dov Gruner in Ramat Gan. De Engelsen hingen hem in 1947 op voor de aanval op een politiepost - het lage grijze gebouw, rechts op de achtergrond (nog steeds van de politie). Het is misschien eigenaardig dat de kunstenares, Channah Orlof, twee leeuwen heeft geboetseerd, terwijl Dov toch beer betekent. Het kunstwerk refereert echter aan iets groters, een meer omvattende strijd dan Gruners geschil met de Britse politie: de grote leeuw stelt het British Empire voor, de welp de jisjoev, de joodse gemeenschap vóór de stichting van de staat Israël. Tegenwoordig hebben we andere tzores; de Britten trouwens ook.