Posts tonen met het label Beitar Illit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Beitar Illit. Alle posts tonen

Bouwactiviteit (3)

Je vindt ze her en der over de wereld, maar nu is er ook één in aanbouw in mijn eigen woonplaats, Beitar Illit: een replica van het pand huisnummer 770 aan de Eastern Parkway te Brooklyn, New York. Dat is niet zomaar een adres, maar het gebouw, voorheen een medische kliniek en aangekocht door Chabad in 1940, waar de laatste Rebbe, R. Menachem Mendel Schneersohn (1902-1994), kantoor hield.

Viznitzer sjoel, Beitar Illit

Het nabouwen van belangrijke panden, althans het zich laten inspireren door de kenmerkende architectuur daarvan, komt vaker voor. In Beitar Illit alleen al hebben twee groeperingen, de Bojaner en de Viznitzer chassidim, sjoels laten neerzetten naar model van hun gebouw, thans verwoest, in hun plaats van herkomst in Oost-Europa. De hoofdsynagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (2000) is afgekeken van de sjoel in Belz in de Oekraïne (1843), maar dan opgeblazen tot mastodontische afmetingen. Als je komt aanrijden op Jeruzalem over autoweg no. 1 zie je hem al van verre – nu ik daaraan denk, schiet me de titel van een Nederlandse carnavalskraker in gedachten, een lied van wijlen Herman Brood: Maak van je scheet geen donderslag. Het is niet louter iets chassidisch, als je tenminste de Londense Bevis Marks synagoge (1701) beschouwt als een jonger broertje van de Amsterdamse Esnoga (1675). Buiten het Jodendom komt het verschijnsel ook voor: de dorpskerk van het Brabantse Oudenbosch is een samengestelde kopie van de St. Pieter en de St. Jan-in-Lateranen in Rome, op kleinere schaal, terwijl er ergens in Afrika een replica of afgeleide van de St. Pieter staat die groter is – nog groter – dan de echte in Rome. En ook de heidenen, om ze zo maar even te noemen, kunnen er wat van: in de Volksrepubliek China, waar ze weten wat namaak is, zijn de laatste jaren hele stadswijken verrezen in de trant van o.a. Amsterdam, Venetië en Parijs – de laatste inclusief een kopie van de Eiffeltoren.

Aan de foto’s te oordelen die ik heb gezien van Eastern Parkway 770 en van een aantal replica’s daarvan, zijn die laatste niet allemaal even nauwkeurig. Ze zijn wel allemaal uitgevoerd in de roodbruine baksteen die kenmerkend is voor het oorspronkelijke gebouw en ze vertonen ook allemaal de puntgevels die de drie traveeën bekronen waarin dat is verdeeld. De middelste travee van Eastern Parkway 770 is smaller dan de twee aan weerszijden en springt iets terug, een detail dat niet tot alle replica’s is doorgedrongen. De driezijdige erker boven de voordeur is een opvallend detail dat je in op één na alle replica’s terugvindt, maar dat geldt weer niet voor de oorspronkelijke raamindeling.

Het pand in Beitar Illit is nog lang niet klaar, maar je kunt nu al zien dat alleen de voorgevel iets krijgt van Eastern Parkway 770. De zijgevels zijn gewoon, conform de plaatselijke bouwverordening, bekleed met Jeruzalemsteen, hetgeen zich uitstrekt tot het onderstuk van de voorgevel. Daarboven moet die roodbruine baksteen komen. De drie puntgevels zitten al op hun plaats, evenals de erker, zij het niet in een terugspringende travee; de voorgevel is volkomen vlak. Het gebouw krijgt zo te zien twee verdiepingen (in Brooklyn drie) en ook andere ramen.


'770', Beitar Illit 

Zo hebben de meeste replica’s wel iets te weinig (een verdieping, de juiste ramen – of de voordeur, zoals de ‘770’ van Gayley Ave., Los Angeles) of te veel (de andere replica in Los Angeles, aan Pico Blvd., heeft negen puntgevels). Soms zijn de juiste proporties zoek: de nummers 770 van Buenos Aires, Sao Paulo en Milaan zijn buitengewoon smal, alsof ze zijn samengeperst als de balg van een accordeon. Aan het ene eind van de schaal van nauwkeurigheid staat het gebouw in Kirjat Ata, bij Haifa, een vage herinnering aan roodbruine baksteen en puntgevels, waarbij de erker kennelijk in een gat in het geheugen verdwenen is; aan het andere eind de replica in Kfar Chabad, eveneens in Israël, die 1:1 is, het resultaat van nauwkeurige metingen in Brooklyn, en waar niet alleen de buitenkant maar ook het interieur van Eastern Parkway 770 gereproduceerd is.

 

Volgelingen van Chabad hebben één of meerdere portretten van R. Menachem Mendel Schneersohn aan de wand hangen. Zo kun je je voorstellen dat sommigen ook gaarne een aandenken aan Eastern Parkway 770 willen hebben. Als je in Londen woont kun je daartoe koek en gebak van Parkway Pattiserie eten, een koosjere banketbakker die niet toevallig zo heet. Je kunt thuis een foto van het gebouw ophangen. Ik zie in sjoel ook wel eens lieden met een afbeelding van ‘770’ geborduurd op de zak van hun tallith of van hun tefillin. Speciaalzaken voor synagogaal meubilair en stoffering kunnen dergelijk borduursel ook leveren voor een Torahmantel of een parochet. Een stap verder is een aron hakodesj, een ‘arke der wet’, in de vorm van ‘770’. Maar een heel gebouw is toch iets anders, zou je zeggen, alleen al omdat het zo’n dure grap is. Toch schijnt het ook hierbij wel degelijk om een tastbare herinnering aan de Rebbe te gaan. Dat was althans wat een kennis, een aanhanger van Chabad, erover zei. Of er een diepere, esoterische betekenis aan die replica’s zat, was hem niet bekend. Kijk, zei hij zo ongeveer, je kunt (vanwege het tweede gebod) geen standbeelden oprichten van de Rebbe, maar je kunt wel her en der een ‘770’ neerzetten.

Mijn kennis vertelde me tevens dat de allereerste replica, die in Kfar Chabad, voltooid in 1986, bedoeld was voor de Rebbe om in te wonen, als met het aanbreken van de ge’oela, de verlossing, ook hij eindelijk naar Israël zou komen. Vandaar al die nauwkeurige maten die de bouwer van het pand in Kfar Chabad, M.M. Gorelick, heeft genomen in Brooklyn, behalve, naar ik heb gelezen, nu juist die van de vertrekken van de Rebbe. Ik vermoed dat Eastern Parkway 770 meer was – en is – dan voor de Rebbe zijn vertrouwde omgeving en voor zijn chassidim het vertrouwde decor van zijn optreden. Diegenen van zijn aanhangers die menen dat de Rebbe de messias had kunnen zijn, had moeten zijn en misschien ook wel is, laten niet na erop te wijzen dat de gematria (getalswaarde) van de woorden beit masjiach (het huis van de messias) uitgerekend 770 is. Het gebouw met dat huisnummer is als het ware het wijdere stoffelijk omhulsel van de Rebbe – een stoffelijk omhulsel dat bovendien nog bestaat en, zoals kunsthistorici dat vroeger noemden, ‘technisch reproduceerbaar’ is. De vraag naar een eventuele esoterische betekenis van replica’s van ‘770’ staat wat mij betreft nog open.

Intussen worden het er steeds meer. Toen in 2005 de kunstenaars Andrea Robbins en Max Becher voor hun project 770 de toen bestaande replica’s fotografeerden, waren dat er elf. Nu zijn het er zeker 21, inclusief die in Beitar Illit die, zoals gezegd, nog niet af is, en misschien wel meer. Het verzadigingspunt is nog niet bereikt, lijkt me; de aanhangers van Chabad schijnen niet genoeg van ‘770’ te kunnen krijgen.


interessante link:
(prachtfoto's van alle anno 2005 bestaande exemplaren van '770')

1:1 replica van '770' in Kfar Chabad


Bouwactiviteit (2)

Hoewel in Israël verordeningen er zijn om te ontduiken, omzeilen en negeren, pralen verreweg de meeste gevels, zijmuren en achtergevels in Beitar Illit met natuursteen. Dat geldt niet voor de uit lichte materialen geprefabriceerde, tijdelijke, verplaatsbare behuizingen (al zitten er doorgaans geen wielen onder, tot onderscheid van echte stacaravans) van wat meestal sjoels zijn (elke club mannen, op welke grondslag dan ook, heeft hier zijn eigen bedoeninkje). Maar ook daarvan zijn er weer een aantal die voorzien zijn van een natuurstenen exterieur, omdat de eigenaren kennelijk het idee van welstand waarop de oorspronkelijke verordening is gebaseerd onderschrijven. Tijdelijk en verplaatsbaar moet je in deze gevallen niet letterlijk nemen.

Er is echter een gebouw in Beitar Illit dat in het oog springt, om niet te zeggen, zich opdringt, met zijn kale, grijze betonnen muren waarop de naden van de bekisting duidelijk zichtbaar zijn, en waar de geroeste uiteinden van de bewapening uitsteken. Kun je het, als je die esthetische voorkeur bent toegedaan, nog meer brutalistisch wensen? Het gaat hier om de synagoge van de Zviller chassidim (oorspronkelijk afkomstig uit de Oekraïense plaats Novohrad-Volynskyi, die om een of andere in het Jiddisch Zvil heet). Is deze synagoge een architectonisch statement, een bewuste keuze voor een andere, contrasterende esthetiek, een poging om Ronald Storrs 95 jaar oude bouwverordening ter discussie te stellen, zoals dat heet? Neen, niets van dit alles – nadat het exoskelet was gestort, was het geld om het gebouw verder af te werken gewoon op.

Nu behoren onvoltooide bouwwerken tot het normale straatbeeld, niet alleen in Beitar Illit, maar ook elders in Israël. Het zijn projecten die men alsnog slechts ten dele heeft kunnen financieren, maar waarvan de bouwheren in de optimistische verwachting leven een deel van de rest, en dan nog eens een deel van de rest, bij elkaar te kunnen sjnorren. “G’d heeft een hoop geld,” placht de voorzitter van Ohel Torah, de “Amerikaanse” sjoel in Beitar Illit, te zeggen. En hij had gelijk, want na zo’n tien, twaalf jaar is Ohel Torah tot in vele details voltooid. De bouw van de sjoel van de Zviller chassidim echter is begonnen in 1999, in hetzelfde jaar nog gestaakt, en daarna niet meer hervat. Toch hebben de Zviller chassidim de hoop niet opgegeven, althans, het bouwwerk niet achtergelaten. Binnen in de holle, tochtige, lekkende ruimte hebben ze van lichte materialen een tijdelijk, verplaatsbaar onderkomen laten neerzetten. 





Bouwactiviteit

Als ik vanachter mijn schrijftafel naar buiten kijk op de heuvels van Judea, dan wordt mijn blikveld beperkt door de dikke muur waarin het raamkozijn is gevat. Ik kijk schuin aan tegen 40 cm natuursteen, minus kozijn (ik ben net opgestaan om dat te meten). In Jeruzalem, hier niet ver vandaan, is in de bouw het gebruik van deze, hier in de omgeving gewonnen kalksteen (even jeroesjalmit in het Hebreeuws, Jeruzalemsteen) al sinds 1918 verplicht, sinds Ronald Storrs, de Britse gouverneur van Jeruzalem e.o. zulks verordende. Ook in mijn woonplaats Beitar Illit is deze verordening van kracht. Je vraagt je af hoe het komt dat er nog heuvels in Judea over zijn, met de verwoede bouwactiviteit in dit land, en met zulke dikke muren. Het antwoord is gelegen in het gehalte aan nep in de plaatselijke architectuur.

In mijn huis, opgeleverd in 2000, is het gehalte aan nep, wat betreft de buitenmuur, ongeveer 80%. De muren van mijn huis zijn opgetrokken, deels uit beton, deels uit blokkim, grote, holle betonnen bouwelementen. Het aanzien van natuursteen is het resultaat van de tegen deze muren aangeplakte, rechthoekige stukken kalksteen van slechts 5 cm dik – dikker dan fineer op goedkope meubelen, maar niet dik genoeg om zelfstandig omhoog te blijven staan. (Overigens heb ik bij verbouwingen hier in Beitar Illit wel gezien dat de bouwvakkers eerst een paar rijen van deze natuurstenen platen op elkaar zetten, om daar vervolgens, van binnenuit, de betonblokken tegen aan te metselen).

Het was Ronald Storrs om de welstand begonnen. De plaatselijke kalksteen kleurt immers zo mooi bij zonsop- en zonsondergang – Jeroesjalajim sjel zahav, Jeruzalem van goud, zoals Naomi Shemer het bezong. Het gebruik van deze steen sluit ook aan bij de oude, nog bestaande architectuur, wat niet het geval zou zijn met grijs beton waarin je de sporen van de bekisting nog ziet, of constructies van zwart staal en blauw glas. 

Bovendien geeft de combinatie van beton en aangeplakte natuursteen een creatieve vrijheid die een architect bij werkelijk traditionele bouw niet zou hebben. Een interessant voorbeeld daarvan staat hier bij mij in de straat, de synagoge die behoort tot de jesjieva van rabbijn Chaim Ackerman (officieel Beit Hamidrash Yona Menachem z.l. Rennert, overeenkomstig de wens van de grootste geldgever). De architect heeft voor de ingang van deze synagoge van een traditionele boogvorm – inclusief sluitsteen – gebruik willen maken, maar tegelijkertijd een brede glazen pui in de gevel willen zetten, die binnen en buiten op uitnodigende wijze verbindt. Het resultaat is een monumentale omega op twee poten. Ik heb een aantal mensen op deze ingangspartij gewezen – en ze allemaal uit moeten leggen, waarom de zaak in elkaar zou lazeren als het een echte boog zou zijn geweest, en niet één van beton met ertegen aangeplakte natuursteen. Dat was natuurlijk geen representatieve steekproef onder de bevolking van Beitar Illit, die eenduidig iets zegt over de receptie, zoals het heet, van deze kunstgreep. Nochtans heb ik de indruk dat de architect ermee wegkomt. 


 

Uitspraak (Hebreeuws leren 7)


Omdat mijn vrouw ze indertijd zelf op Rosj Pina, de Joodse lagere school, had geleerd, kon zij me de grondbeginselen van het modern Hebreeuws bijbrengen. Als geheugensteun had ze een poster boven de haard gehangen met daarop de letters van het Hebreeuwse alfabet, verwerkt in leuke tekeningetjes(1). Verder gaf ze mij het leerboekje voor volwassen beginners Chamesj-meot milim (Vijfhonderd woorden, een uitgave uit 1963), dat nog van haar vader was geweest. Dat was allemaal in de jaren tachtig. We zijn in die tijd twee keer naar Israël geweest, maar ik kan me niet herinneren of die vijfhonderd woorden, of wat ik daarvan onthouden had, me toen van pas zijn gekomen.

In het begin van de jaren negentig begon ik mij opnieuw in het Hebreeuws te verdiepen, maar nu het Bijbels Hebreeuws van – uiteraard – de Bijbel en van de siddoer, het gebedenboek. De taalstudie stond nu niet voorop, maar het leren. Ik cursiveer het woord hier, vanwege de specifieke Joodse connotatie. Leren staat in Hartog Beems Resten van een taal (2e druk, 1975) in een lijstje “Nederlandse woorden in Joodse omgeving”, met de betekenis “Bijbel en commentaren bestuderen” (p. 150). Leren doe je uit een boek – daar is het tenslotte om begonnen –, maar dat toch bij voorkeur samen met een ander. Ik had het geluk dat ik gedurende een aantal jaren leerde met – hoewel ik hier beter kan zeggen dat ik leerde van – iemand met een grote kennis van het Jodendom en bedreven in het Hebreeuws. Mijn chawroese (degene met wie je leert, een betekenis die Beem vreemd genoeg niet vermeldt) sprak mij er dikwijls op aan dat ik de uitspraak van het moderne Hebreeuws hanteerde. Ik meende dat daar niets mis mee was, zo had ik het tenslotte van mijn vrouw geleerd en geoefend met Chamesj-meot milim. Hij maakte zich echter sterk voor het handhaven van de traditionele Amsterdamse gebruiken, de zogenaamde minhag ha-makom, waaronder de traditionele uitspraak van het Hebreeuws valt, zoals in Nederland gebezigd. Daarin is makóm trouwens mókem.




Ik liet mij tenslotte overtuigen en begon mij te bekwamen in de Nederlandse uitspraak van het Hebreeuws, volgens de regels zoals weergegeven in Aresjes sefosajim, Gebeden der Israëlieten voor het geheele jaar met Nederlandsche gebruiksaanwijzing(2). Tegen de tijd dat wij op alijah gingen, zat deze uitspraak er bij mij beter in dan ooit de modern-Hebreeuwse. Dat deze vaardigheid mij niet van dienst zou zijn bij een vlotte conversatie in Israël, daarvoor was ik al gewaarschuwd. Ik zat een keer naast een Israëli tijdens een gezamenlijke derde sjabbos-maaltijd in het Amsterdamse Cheider. Zoals te doen gebruikelijk bij de derde maaltijd, hief één van de heren aan tafel, een uit Antwerpen afkomstige, maar nu Amstelveense chassid, een godsdienstig lied aan. Toen hij enkele coupletten gevorderd was, vroeg de Israëli mij: “Is dat nou Jiddisch?” Wat de zanger ten gehore bracht, was niet volgens de Nederlandse, maar volgens de van oorsprong traditionele, Oekraïense uitspraak – het was niettemin Hebreeuws.

Modern Hebreeuws heeft het voordeel dat het niemands traditionele uitspraak is. Het bevat geen reeksen klinkers (waaronder ou of oi, ei en ai) waarmee Sefardim moeite mee zouden kunnen hebben (de meest voorkomende klinker is a, soms een heel stel achter elkaar) en geen medeklinkers die Asjkenazim niet uit kunnen spreken (zoals een diep in de keel tot klinken gebrachte ajin en chet). Omdat ze zo’n hekel hadden aan de Jiddisch sprekende diaspora die zij achter zich gelaten hadden, kozen de seculiere pioniers van de modern-Hebreeuwse spreektaal in het toenmalige Palestina indertijd, nog vóór de Eerste Wereldoorlog, voor de Sefardische uitspraak, althans dat dachten ze. Toegegeven, de Syrische variant van de Sefardische uitspraak leek er nog het meest op – maar het was in feite de voor iedereen toegankelijke, openbare lagere uitspraak(3).

Niettemin heb ik er moeite mee. Ik leg de klemtoon vaak verkeerd en laat ook al eens een sav vallen als het een tav moet zijn. Misschien moet ik de Amsterdamse uitspraak weer afleren, die tenslotte in de plaats waar ik nu woon niet de minhag hamokem is. Waarom heb ik dat trouwens niet al lang gedaan? Welnu, dat heeft te maken met het karakter van mijn woonplaats, Beitar Illit.

Beitar Illit is een gemeente ter grootte van Bussum, maar wat meteen opvalt is het grote aantal kinderen en het feit dat iedereen Joods is. Iedereen is ook orthodox, op zijn minst in theorie. Je zou verwachten dat er, met zoveel gelovigen, een paar hele grote synagogen staan, misschien niet van het formaat van de Grote Synagoge van de Belzer chassidim in Jeruzalem (6000 plaatsen, een wereldrecord; je zal er maar opgeroepen worden, terwijl je net helemaal achterin gezellig zit te smoezen), maar toch niet onderdoend voor bijvoorbeeld de Synagogue de la Paix in Straatsburg (1600 plaatsen). In werkelijkheid zijn er meer dan 120 sjoels, variërend van tamelijk ruim (zo’n 300 plaatsen) tot zeer klein (hooguit 15), sommige gebouwd in steen en beton, maar de meeste uit lichte materialen opgetrokken noodgebouwtjes. Dat komt omdat men hier graag zijn eigen bedoeninkje heeft, niet alleen de Rachmastrivker, Sadigorer, Asjlager, Lelover, Erlauer en nog een stel andere soorten chassidim, maar ook Sefardim, Litvaks en Jemenieten van diverse schakering. Zelf ben ik één van de oprichters van een Jekkische sjoel, want die bestond nog niet. Ik verwacht nog verdere groei: er zijn vele tientallen andere chassidische stromingen die nog niet zijn vertegenwoordigd. Onder deze omstandigheden kun je één minhag hamokem wel vergeten.

Ook niet vertegenwoordigd in Beitar Illit zijn Asjkenazim van nationaal-religieuze overtuiging, anders bekend als religieuze zionisten (of als kipot s’roegot, “gehaakte keppels”), althans niet met een substantieel aantal en al helemaal niet met een eigen sjoel. Ik ben buiten mijn woonplaats her en der bij nationaal-religieuze sjoeldiensten geweest, waarbij ik kon constateren dat de uitspraak van de gebeden en van het laajenen (het voorlezen uit de Torah) die van het modern Hebreeuws was. Ik weet niet waar deze inlichting vandaan komt, maar ik heb op een webpagina van Wikipedia gelezen dat in de tijd dat deze stroming vorm kreeg, onder het Brits Mandaat en in de eerste jaren van de Staat, Asjkenazische religieuze zionisten van mening waren dat dát de minhag hamakom voor het hele land was, d.w.z. minhag Erets Jisraëel. Om dezelfde reden zouden zij zich houden aan de noesach Sefarad, de ook bij de meeste chassidim in zwang zijnde ritus in het gebed, die veel van de bewoordingen van het, laten we zeggen, échte Sefardische gebedenboek bevat. Ik vermoed dat er ook nog iets anders in het spel was. Religieuze zionisten waren niet op alijah gekomen om hier het religieuze leven van de Diaspora te reproduceren, zoals in feite in de vrome buurten van Jeruzalem, in Beitar Illit en elders wel het geval is, maar om voorwaarts te gaan met nieuw elan(4). Dat plaatst ze wereldbeschouwelijk dichter bij de seculiere zionisten, ook al waren en zijn ze wel degelijk orthodox, dan bij de inwoners van Beitar Illit en al die anderen die doorgaans worden aangemerkt als “ultraorthodox”. De ultraorthodoxen vinden trouwens religieus zionisme als zodanig kroemme dajes (kromme denkbeelden).

Zo komt het dat in de sjoels van Beitar Illit, behalve bij de Sefardim, niet de modern-Hebreeuwse, maar de in de betreffende sjoel van toepassing zijnde, traditionele uitspraak wordt gebezigd. Nu ben ik chossid noch litvak, pojlnisjer noch galitsjaner – maar in mijn Jekkische sjoel komt de traditionele Nederlandse uitspraak goed tot haar recht.

Bovendien is het leuk om te doen. Toen mijn dochter Shulamith nog op de middelbare school zat, bracht zij eens een stuk of vijf, zes klasgenoten mee voor sjabbos, allemaal Sefardische tienermeisjes. Toen ik op vrijdagavond kiddoesj maakte, leidde dat tot de ongegeneerde hilariteit waar ik al op gerekend had. Zoiets hadden ze nog niet eerder gehoord. Ik had dan ook de klinkers ou en ei, de sav en, niet te vergeten, de ngajin met nadruk gearticuleerd.

 

 

1 Aan die poster hadden wij het te danken dat we kennis maakten met de enige Joodse schoorsteenveger van Amsterdam, die dat waarschijnlijk voor zich had gehouden en gewoon zijn werk had gedaan, als hij die letters niet had gezien.

2 22e druk, Amsterdam, 1937. De 23e druk, 1960, is een ongewijzigde fotomechanische herdruk, met een nieuw voorwoord.

3 Zie over de keuze van de Sefardische uitspraak het hoofdstuk “Ashkenazi or Sephardi Dialect” in Benjamin Harshav, Language in Time of Revolution, Berkeley, 1993, pp. 153-166.

4 Deze trend zette zich ook buiten Israël voort, waar bijvoorbeeld het N.I.K. de modern-Hebreeuwse uitspraak adopteerde, getuige de 24e druk (Amsterdam, 1972) van inmiddels Aresjet sefatajim, waarin de Nederlandse gebruiksaanwijzing “thans naar de ‘Iwriet uitspraak getranscribeerd” is. Uitgerekend deze transcriptie is gebruikt in de Nederlandse vertaling van Jehoeda Brilleman’s Minhagee Amsterdam (Amsterdam, 2007), hoewel één van de minhagim luidt: “1.4.2 De letter ajin wordt uitgesproken als een ng, zoals in ons woordje tong” (p. 79). 




Voorbeeld van de Nederlandse gebruiksaanwijzing in de uitgaven van Aresjes sefosajim van 1937 en 1960

Dezelfde gebruiksaanwijzing in de uitgave van 1972

Hebreeuwse laarzen (Hebreeuws leren 4)


De Chofetz Chaim, Jisroëil Meïr Kagan (1838-1935), publiceerde het eerste deel van zijn commentaar op het gedeelte Orach Chaim van Josef Caro’s halachische codex, de Sjoelchan ‘Oroech, in 1884, ongeveer in hetzelfde tijdvak als waarin Mendele Mocher Sefarim en Eliëzer Ben Jehoeda het Hebreeuws een nieuwe impuls gaven. Dit uiteindelijk zes delen beslaande commentaar, de Misjna Beroerah, wordt nog steeds veel geleerd. Na talloze fotomechanische herdrukken (die steeds onduidelijker werden) zijn er vrij recentelijk edities met een nieuw zetsel verschenen. Ik heb zelf een uitgave uit 1992 waarin, ten gerieve van de minder bedrevenen in de rabbijnse taal, nekoedot (puntjes, klinkertekens) zijn toegevoegd en waarin de meeste van talloze afkortingen voluit zijn gespeld. Deze nieuwe edities, wel of niet gepuncteerd, delen een ander extraatje, een notenapparaatje dat de modern Hebreeuwse vertaling geeft waar de Chofetz Chaim in zijn commentaar Jiddische woorden gebruikte. Kennelijk stonden hem de Hebreeuwse woorden voor bijvoorbeeld bril, koffie, thee, tabakspijp en posterijen (nog) niet ter beschikking.
Interessant is een zinnetje dat voorkomt in een paragraaf (Orach Chaim 91:5) over hoe men ordentelijk gekleed moet zijn als men de gebeden zegt (niet met ontbloot hoofd, of blootsvoets, of met alleen sandalen aan, e.d.). De Chofetz Chaim merkt hier op: “[R. Mosje Mintz*] stelde in dat men de synagoge niet betrad in hoge schoenen, d.w.z. stiefl.” De voetnoot vertaalt dit laatste met magafajim, laarzen. Nu kende de Chofetz Chaim naar alle waarschijnlijkheid wel degelijk het woord magafajim, want dat komt voor in de Misjna, zij het maar twee of drie keer. Eén keer is in Sjabbos, hoofdstuk VI, misjna 2: “De man gaat niet naar buiten... in magafajim.” De Talmoed achtte het al nodig om dit woord te vertalen: “Magafajim, Rav zegt [dat zijn] pazmekej” (B.T. Sjabbos 62a). Rasji, op zijn beurt, verduidelijkt: “Infilijot van ijzer in de oorlog” (62a, D.H. pazmekej). Gelukkig hebben we het woordenboek van Jastrow**, dat zowel het oorspronkelijke woord als Ravs vertaling duidt als metalen scheenplaten.
Nu was het voor Eliëzer Ben Jehoeda of wie dan ook het woord van een modern-Hebreeuwse betekenis voorzag niet zo’n grote stap van scheenplaten naar laarzen - maar hij moffelde wel een halachisch onderscheid weg. Volgens de hier geciteerde misjna mag je met scheenplaten aan niet naar buiten, d.w.z. op sjabbos. Ze zijn deel van een wapenrusting (de misjna noemt ze in één adem met een pantser en een helm) en geen normale kledingstukken. Je zou ze daarom niet aanhebben maar dragen, in de zin van optillen en vervoeren, in het publieke domein, hetgeen op sjabbos verboden is. Dat is natuurlijk met laarzen niet het geval. Ik zie hier in mijn woonplaats Beitar Illit geregeld een chossid die op sjabbos niet alleen een sjtreimel op zijn hoofd heeft maar ook hoge laarzen draagt, waardoor hij iets weg heeft van Iwan Rebroff, de bekende Duitse nep-Rus***. Ik ken die man verder niet en weet daarom niet of hij redenen van persoonlijke aard heeft om laarzen te dragen, of misschien een in Beitar Illit verdwaalde Skverer chossid is (Skver is een rustiek, gelaarsd dorpschassidisme, heden ten dage voornamelijk in het plaatsje New Square, NY). Wat betreft het door de Chofetz Chaim geciteerde regeltje om geen laarzen in sjoel te dragen - die Mosje Mintz was natuurlijk wel een jekke!
Sommige andere chassidim hebben op de plaats waar Skverer laarzen dragen kniekousen. Die zou je poezmakot kunnen noemen, een variant van pazmakej die eveneens in het modern Hebreeuws is opgenomen en ook niet langer scheenplaten betekent.

* 15e eeuw
** Marcus Jastrow, A Dictionary of the Targumim, the Talmud Babli and Yerushalmi, and the Midrashic Literature. Dit woordenboek, oorspronkelijk gepubliceerd in 1903, is ook vele malen fotomechanisch herdrukt.
*** Rebroff stond ook als Tevje op de planken; hij had ook een nep-Jood op zijn repertoire.



Ivan Rebroff

Hebreeuws leren


Nu ik al veertien jaar in Israël woon, moet ik eindelijk eens meer modern Hebreeuws leren en de taal beter leren gebruiken. Veertien is in zoverre een belangrijk getal, dat er een tijdje geleden in de Nederlandse kranten stond (ik raadpleeg deze op het Internet), dat de ouders van één of ander Marokkaantje dat onder het gebruik van “onnodig geweld” een voorbijganger had doodgeschopt, al veertien jaar in Nederland woonden, maar nog steeds geen of geen behoorlijk Nederlands spraken. Schande! Wat dat nu met het crimineel gedrag van hun nakomelingschap te maken had, weet ik niet, maar ze zouden voor hun inburgeringsexamen gezakt zijn, ware het niet dat ze al in Nederland woonden. Ik moet helaas vaststellen dat ik het zelf niet veel beter doe (ik bedoel mijn prestaties in de nieuwe landstaal, niet die in de opvoedkunde). Dat Hebreeuws wel een erg vreemde taal is, is geen argument; dat is Nederlands voor Berbers sprekenden ook. Ik wil ook niet de schuld afschuiven. Mijn eigen gebrek aan motivatie speelt hier de hoofdrol, ondersteund door het principe, ontleend aan de Israëlische schrijver Ephraim Kishon (die ik uiteraard in vertaling heb gelezen), dat je in een conversatie over taalgrenzen, als het maar even kan, de ander moet laten hakkelen. Als die anderen geen Engels (daar komt het in de praktijk meestal op neer) kunnen spreken, laat ik de te voeren conversatie aan mijn vrouw over, die wel goed Hebreeuws spreekt maar die daar niet altijd van gediend is.

Er is natuurlijk wel een voedingsbodem waarop mijn gebrek aan motivatie gedijt. Wie op alijah gaat krijgt niet te maken met inburgeringsplicht of met een inburgeringsexamen. Er is hier wel een Ministerie van Immigrantenabsorptie, maar dat komt je niet achterna tot in je huis om te beoordelen of je wel snel genoeg Hebreeuws leert. Israël is een immigratieland, met als gevolg dat er, naast native speakers, grote groepen eerste generatie immigranten zijn die zich met meer of minder, en soms helemaal geen succes, Hebreeuws hebben eigen gemaakt, en die daarnaast, of vrijwel uitsluitend, Amhaars, Frans, Russisch en Engels zijn blijven spreken - of, zoals in voorgaande generaties, Duits. Je gaat immers onder landsleit (zoals dat in het Jiddisch heet) niet tegen elkaar staan hakkelen, tenzij je werkelijk een idealist bent.

Wij maakten na onze alijah een zachte landing in de vrij grote Engelssprekende gemeenschap van Beitar Illit. Door schoolgang hebben onze kinderen (resp. 13, 10, 8 en 6 op het moment dat we kwamen) vrij snel goed Hebreeuws geleerd, maar ze zijn ook vloeiend Engels gaan spreken. Mijn oudste dochter spreekt Engels met man en kinderen (haar tweede zoontje, nu bijna een jaar, zegt nog niet veel terug), met de expliciete bedoeling dat ze tweetalig opgroeien. Dochter nummer twee daarentegen, getrouwd met een Fransman die hier is opgegroeid, spreekt thuis alleen Hebreeuws.

Twee van mijn vier kleinkinderen spreken derhalve alleen Hebreeuws, uitgerekend de twee die ik het meest dikwijls zie. B’ngezras Hasjeim, of in de modern-Hebreeuwse uitspraak b’ezrat Hasjeem, geeft dit me de motivatie die me tot nu toe ontbrak!

 

De volgende anekdote kan dienen als voetnoot bij bovenstaande. In 1984 logeerden wij, toen als toerist in Israël, bij Lilly en Zwi Benger. Zwi was een oom van mijn vrouw - om precies te zijn: een volle neef van haar oma. Lilly en Zwi woonden in Kfar Sirkin, een dorp bij Petach Tiqva, opgericht op grond die het Joods Nationaal Fonds omstreeks 1935 had gekocht en verdeeld onder nieuwe oliem, met name uit Duitsland. Op een ochtend kwam er een buurvrouw langs, naar schatting ook al sinds eind jaren dertig in Kfar Sirkin woonachtig, net als Zwi en Lily, met in haar hand een schrijven dat zij had ontvangen. Ze zei: “Kannst du das lesen, Zwi? Das ist zuviel Hebräisch!”

Ik kan het mij niet herinneren, maar ik neem aan dat Zwi de buurvrouw naar beste kunnen hielp, al vraag ik me nu na zoveel jaren af, hoe groot zijn taalvaardigheid precies was. Ik herinner me wel dat Zwi een keer (ook in 1984 of anders in 1987, toen we elders in Kfar Sirkin logeerden en vaak op bezoek kwamen) met de krant binnenkwam, met zijn hand op een kop op de voorpagina sloeg en zei: “Diese verdammte Rechtsregierung...!” Wat de toenmalige regering precies verkeerd deed is nu niet ter zake. Ik zag hem de krant echter niet lezen. Eigenlijk kan ik me niet herinneren dat ik hem ooit de krant heb zien lezen. Hij had echter wel degelijk een abonnement. Tevens bewaarde hij alle oude kranten in een schuur op zijn erf. Desgevraagd vertelde Zwi dat hij deed om, als iemand zich ooit wilde verdiepen in de geschiedenis, deze dan van dienst te kunnen zijn. Ik heb echter het vermoeden dat dit niet het echte of enige uitgangspunt van de verzameling was. Misschien bewaarde Zwi de oude kranten omdat ze, in eerste instantie, voor hem ook te veel Hebreeuws waren. Weggooien kon altijd nog, maar mogelijk had hij nog eens gelegenheid om ze te lezen.

 

Spraakverwarring

Wij zijn thuis Nederlands blijven spreken, deels uit gemakzucht, deels uit noodzaak. De kinderen pikten Hebreeuws snel op; op school hadden ze geen andere keus. Omdat we aansluiting vonden bij de Engelssprekende gemeenschap in Beitar Illit (er wonen hier veel Amerikanen, Britten en Canadezen, benevens enkele Australiërs en Zuidafrikanen), spreken ze ook allemaal goed Engels. Dat heeft gevolgen gehad voor de conversatie thuis: deze geschiedt thans half (en soms helemaal) in het Engels, dikwijls met een scheut Hebreeuwse woorden en begrippen, die zelfs ik begrijp, ook al spreek ik na twaalf jaar nog steeds gebrekkig Hebreeuws. Omgekeerd zit er ook nogal wat Engels (maar vrijwel geen Nederlands) in de kinderen hun Hebreeuws. De echtgenoot van mijn dochter Miriam, Azriël, is geboren in Parijs, maar vanaf zijn zesde hier opgegroeid. Bij zijn moeder thuis in Jeruzalem is de voertaal een combinatie van Hebreeuws en Frans. Ziehier de achtergrond voor de volgende sketch, die plaats vond bij Azriëls moeder (oorspronkelijk in het Hebreeuws). De moeder van Azriël is aan het pannekoeken bakken en vraagt: Miriam, wil crêpes eten? Miriam, een beetje verontwaardigd over zo’n voorstel: Nee, ik wil geen crap!

Grot


Of het nu de catacomben van Rome zijn, de metrobuizen van Parijs of de spelonken van Guadalajara, het onderaardse oefent een grote aantrekkingskracht op mij uit. Dat hebben wel meer mensen, en een enkeling kan het zelfs verklaren (Michael Chabon, Manhood for Amateurs, het hoofdstuk “Subterranean”). Zelf heb ik geen idee, ik weet alleen dat het diep zit – no pun intended! In mijn dromen zijn kelders een dikwijls terugkerend motief: keldertrappen leiden naar steeds lagergelegen verdiepingen, die soms een andere verbinding hebben met de buitenwereld, soms het terrein blijken te zijn van onvermoede beschavingen. Zoals te doen gebruikelijk, vervliegen alle details bij het ontwaken.
Nu heb ik het in mijn hoofd, dat er onder de kelder van het voormalige Kunsthistorisch Instituut, Joh. Vermeerstraat 2, Amsterdam, nog een diepere kelder zit. Ik weet niet of dit nu is blijven hangen van een droom of dat het werkelijk zo is. Tegen het laatste pleit het feit dat de grond in Amsterdam uit weke modder bestaat. Als je er een gat in graaft, loopt dat meteen vol met grondwater. Met bijzondere maatregelen zijn tunnels en kelders technisch mogelijk, getuige die ene kelder die werkelijk onder het Kunsthistorisch Instituut zit, maar Amsterdam – bovengronds niet onaardig – heeft de liefhebbers van onderaardse krochten toch maar weinig te bieden.
Beitar Illit daarentegen bezit, binnen de omheining van ons stadje, een heuse grot. Ik kwam daar pas onlangs achter, hoewel we hier al meer dan twaalf jaar wonen. Een eigen grot, als het ware – die moest ik van binnen inspecteren. Het viel tegen. De grot is nogal ondiep, zodat je een zaklantaarn niet eens nodig hebt. Opmerkelijk is wel dat de grot eenvoudig gemeubileerd is met tapijten, een tafel, een paar stoelen en een boekenkastje met enkele boeken. Inmiddels heb ik geleerd dat er geen holbewoner huist, maar dat de grot af en toe gebruikt wordt door mannen die hitbodadoet verlangen, letterlijk afzondering, maar in dit geval alleen zijn met G’d, die ze dan luider stemme aanroepen, bij voorkeur rond het middernachtelijk uur.

Werk in de bouw

Aan dit appartementengebouw in Beitar Illit worden momenteel aan alle kanten extra kamers, balkons en zelfs een bovenverdieping toegevoegd. Dit is geen verbouwing meer – dit is her-dubbel-re-bouw!

Reclame

Sommigen hoeven niet langer te wachten. Mosjiach is niet alleen gekomen – hij is alweer gegaan. Nu ja, dat de Lubavitcher rebbe in 1994 doodging en begraven werd, was natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Dit reclamebiljet (“Leve koning de mosjiach”) is davke op vrijdag opgehangen – met een beetje mazzel komt er niets overheen en blijft de boodschap de hele sjabbos zichtbaar.