Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen
Posts tonen met het label boeken. Alle posts tonen

Ausgerechnet

 Ik onthoud niet veel van wat ik lees. Soms kan ik me zelfs niet herinneren of ik een boek gelezen heb en al helemaal niet waar dat dan wel over ging. Niettemin schoot me laatst iets te binnen dat ik zeker vijftig jaar geleden gelezen heb.

Het is een tafereel in een roman van Andreas Burnier. Bohemiens (Hollandse weliswaar, maar toch) nemen in nachtelijk Amsterdam een Duitse matroos mee op sleeptouw naar een zuipfestijn. Waarom ze dat doen, zo kort na de oorlog (we zijn hier begin jaren vijftig), blijft onduidelijk, maar waar je op kan wachten, gebeurt. Die mof (kwade dronk, remmen los, ware aard boven) begint op joden te schelden. Een van de bohemiens confronteert hem, zeggende dat hij zelf joods is (wat niet zo is) en of hij soms wat had. Nou nee, althans, niet meer.

Die flinke bohemien wordt met name genoemd, dat kan ik me ook nog herinneren. Het is Lucebert.

Ausgerechnet.

Nu komt dit tafereel voor in een roman. Ik heb het boekje, Een tevreden lach, inmiddels herlezen. Dat zou weliswaar een autobiografische roman zijn, maar waar gebeurd doet daarbij net zoveel ter zake als in Ik Jan Cremer. Maar stel, het gebeuren heeft zich in werkelijkheid voltrokken zoals beschreven, wat was dan de motivatie van Lucebert? Probeerde hij iets goed te maken, al was dat na de oorlog? Eén detail was ik vergeten: de Duitser trok een mes, om daar joden aan te rijgen. Lucebert liep wel degelijk gevaar.

Als Andreas Burnier het echter allemaal verzonnen heeft, waarom dichtte zij dit flinke gedrag dan toe aan Lucebert, die verder in het verhaal niet voorkomt, maar wel de enige persoon in de roman is die bij zijn echte naam, bij wijze van spreken dan, wordt genoemd?

Ik zou dat wel eens willen weten. Neerlandici, aan het werk.


Telefoonboeken

 

De tak van het veilingbedrijf waar ik gewerkt heb – de boeken- en prentenveiling – moest het voor een belangrijk deel hebben van verzamelaars van die boeken en prenten, als kopers en, aan het andere eind, als inbrengers (dood of levend). Zo’n verzamelaar heeft mij tijdens een kijkdag wel eens gevraagd of ikzelf, naast mijn beroepsmatige betrokkenheid bij onze koopwaar, ook verzamelde. Nou nee.

In mijn jeugd heb ik wel speldjes en sleutelhangers gespaard. Die kreeg men (ouders, verzorgers, familie, wie dan ook de boodschappen deed) cadeau bij afname van bepaalde producten. Nu had je zulke speldjes als sieraad aan je kleding kunnen bevestigen – maar wie liep er nu rond met een speldje van OMO of Persil? Je moest ze dan ook in een speldjesalbum steken (scharnierende, rechthoekige vellen schuimrubber, een centimeter dik, overtrokken met plastic). Wat je met die sleutelhangers deed moest je zelf uitzoeken, daar was geen album voor. Praktisch nut hadden ze niet, want hoeveel deuren heeft iemand, en zeker een kind, nu helemaal te ontsluiten om zo’n veelvoud te wettigen? Mijn broer was meer leergierig ingesteld en spaarde Rizla-plaatjes met afbeeldingen van vogels in bos en veld (die zaten bijgestoken in pakjes sigarettenvloeitjes van het merk La Croix – riz (rijstpapier) la +).

In het geval van speldjes en sleutelhangers is sparen een betere uitdrukking dan verzamelen. Je bespaart ze, althans voorlopig, hun uiteindelijke gang naar de vuilnisbak. Ze zijn te rangschikken onder de categorie efemeer. De Rizla-plaatjes van mijn broer vallen ook onder de efemera, al plakte hij ze in een album met verhelderende tekst (Zo leer je vogels kennen). Ik geloof niet dat hij dat album ooit compleet heeft gekregen, zoveel shag rookte onze grootvader nu ook weer niet.

Nu zijn efemera na verloop van tijd weer verzamelobject van een enkeling, juist omdat bijna iedereen zulke troep op een zeker moment weggooit. Zo’n enkeling is, stel ik me zo voor, nu al jaren op zoek naar dat ene speldje dat nog ontbreekt, een speldje dat ik ooit bezat, maar bij het bereiken van zekere volwassenheid heb weggegooid (of in ieder geval uit het oog verloren). Wie weet? Hier is niet langer sprake van sparen, maar van verzamelen, zoals iemand die de zoveelste installatie met huisvuil afneemt van een beeldend kunstenaar, ik noem maar iets, verzamelt en niet spaart.

Op de wijsgerige vraag: als ik iets verzameld zou hebben, wat zou dat dan geweest zijn, had ik overigens wel een antwoord. Telefoonboeken. Misschien zou sparen meer op zijn plaats geweest zijn, want ook telefoonboeken vallen onder efemeer drukwerk. De definitie daarvan luidt: “everything which would ordinarily go into the waste paper basket after use”, aldus John Johnson, die van de John Johnson Collection of Printed Ephemera, thans deel van de Bodleian Libraries in Oxford. Een beetje normaal mens gooit het oude telefoonboek na een jaar weg. Je hebt er die het bewaren om bij gelegenheid, om te laten zien dat zij hun eigen kracht niet kennen, dat telefoonboek in tweeën te scheuren. Zelf heb ik er wel eens eentje die ik nog had proberen te verbranden in de open haard. Rob Kok, een van mijn bazen bij Boekentoko Kok, had namelijk beweerd dat boeken niet vanzelf branden. Dat wilde ik wel eens zien. Hij had gelijk.

In deze beide gevallen, bewaren om te verscheuren of te verbranden, betekent dit slechts uitstel van vernietiging. Dat is eigenlijk jammer, want er is op het gebied van telefoonboeken veel te verzamelen. Sinds de ingebruikname van de telefonie (Bell vond de werkende telefoon uit in 1876, maar het tijdperk begon pas te lopen toen hij iemand kon bellen die ook in het bezit van zo’n toestel was) zijn er heel veel telefoonboeken gedrukt, steeds opnieuw, en dat nog eens over de hele wereld. Om het voor de verzamelaar nog een beetje overzichtelijk te houden is het tijdperk van het gedrukte telefoonboek intussen afgelopen: ze worden sinds kort (met ingang van 2018 in Nederland) niet meer uitgebracht.

Omdat er zoveel van zijn, moet ik hier meteen op een ernstig nadeel van het verzamelen van telefoonboeken wijzen. Ze nemen nogal veel ruimte in. Als je er werkelijk in zou slagen om telefoonboeken van over de hele wereld te vergaren, en ook nog uit verschillende jaren, dan komt je woning daar wel erg vol mee te staan. Beperking is een eerste vereiste, bijvoorbeeld tot de telefoonboeken van grote steden, hoofdsteden, wereldsteden; die van één land; die van landen die in één deel passen (Malta, San Marino); of die van zeer afgelegen gebieden (daar moeten dan wel mensen wonen, mét een telefoonaansluiting; het eiland St. Helena lijkt hieraan te voldoen). Je zou je ook kunnen beperken tot steden die door een wending van gebeurtenissen een andere naam hebben gekregen (Batavia, Salisbury, Stalinabad, Leningrad e.d.). Hier maakt geografische breedte plaats voor historische diepte. Een voor de verzamelaar in die zin begeerlijk object is het telefoonboek van Moskou van 1973, compleet in vier delen. Daarvan zijn toen maar vijftigduizend exemplaren ter beschikking van de abonnees gesteld (die dan ook nog in de rij moesten staan om het kopen), ontleen ik aan Hedrick Smith (The Russians, 1974, p. 353), hoewel de stad toen acht miljoen inwoners telde. Dit telefoonboek ging het jaar daarop vast niet mee het oud papier. De vorige editie was uit het eind van de jaren vijftig; wie weet hoelang men weer op een volgende editie zou moeten wachten? (Ik vraag me af hoe de KGB, die altijd zo’n warme belangstelling koesterde voor andermans telefoongesprekken, in de tussenliggende jaren up to date bleef. Zou de dienst over een eigen, geheim telefoonboek hebben beschikt? Dat zou een nog begerenswaardiger artikel zijn.)

Zelf ben ik in het bezit geweest van twee telefoonboeken van enige historische betekenis. Ze waren misschien ook zeldzaam, maar toen ik ze in 1989 verwierf, wekten ze niet die indruk. Ze waren afkomstig uit een overvloed in de vorm van tientallen jaren van het telefoonboek van Amsterdam, deel van de inboedel van iemand die geleden had aan een verzamelstoornis en zich nooit ontdaan had van efemeer drukwerk. Uit die overvloed nam ik twee telefoonboeken mee naar huis, die van de jaren 1939 en 1944. Dat van 1944 bevatte veel instellingen die bij de volgende editie verdwenen zouden zijn: de Ortskommandatur, de Grüne Polizei, de Sicherheitsdienst, de hoofdstedelijke afdeling van de NSB, enz. Toch was het telefoonboek van 1944 een stuk dunner dan dat van 1939. Toen had het telefoondistrict Amsterdam heel wat Joodse abonnees. 

Als je dan, langs de lijnen van je geografische of historische belangstelling, je kasten of je hele huis hebt vol gezet met oude telefoonboeken, dan dringt de vraag zich op die wel meer verzamelaars zich stellen, als de eerste aardigheid er af is: wat moet je verder met die rommel? Praktisch nut hebben die telefoonboeken niet, tenzij je er schik in hebt om interlokaal of internationaal met wildvreemden te telefoneren, als de nummers tenminste nog bestaan. Je zou, al is het alleen voor jezelf, willen kunnen zeggen dat het niet alleen om de heb gaat, maar dat er ergens een hoger doel wordt gediend. Hier vind je steun in het volgende citaat uit de roman Rue des Boutiques obscures (1978) van Patrick Modiano (Hutte is de baas van een detectivebureau):

 

Derrière Hutte, des rayonnages de bois sombre couvraient la moitié du mur: y étaient rangés des Bottins et des annuaires de toutes espèces et de ces cinquante dernières années. Hutte m’avait souvent dit qu’ils étaient des outils de travail irremplaçables dont il ne se séparerait jamais. Et que ces Bottins et ces annuaires constituaient la plus précieuse et la plus émouvante bibliothèque qu’on pût avoir, car sur leurs pages étaient répertoriés bien des êtres, des choses, des mondes disparus, et dont eux seuls portaient témoignage.

 

Volgens mij staat er in de vertaling van Edu Borger van deze passage ergens “telefoonboeken”. Ik heb die vertaling, die ik dertig jaar geleden gelezen heb, nu niet bij de hand. Het maakt voor de strekking niet zoveel uit. Het Amsterdamse telefoonboek van 1939 is inderdaad een getuigenis van een verdwenen wereld. 

Je kunt natuurlijk ook beweren dat telefoonboeken leuk zijn om van tijd tot tijd in te lezen. Je kunt er familie, vrienden en kennis in opzoeken. Je kent die namen natuurlijk wel (anders kun je ze niet opzoeken), maar het is wel aardig om ze tussen zoveel andere te zien staan, bij voorkeur in uitheemse telefoonboeken, net zoals het leuk is, kan ik me voorstellen, om een bekende tegen te komen in een verder anonieme menigte in een tropische havenstad. Ook interessant is het vinden van curieuze namen die zo in Bordewijks Bint zouden hebben gepast. Bordewijk schijnt beweerd te hebben dat de figuren in Bint bestaande namen hadden gekregen; hij had ze gevonden in het telefoonboek. Je zou dat kunnen controleren met behulp van oude telefoonboeken van Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen, hoewel ik eraan twijfel of je werkelijk namen als Van der Karbargenbok, Schattenkeinder en Bolmikolke zou terugvinden. Je kunt je zoektocht ook uitbreiden naar romanfiguren van andere schrijvers: Micòl Finzi-Contini, Hans Castorp, Klavdia Chauchat, Barney Panofsky, ik noem maar wat namen uit boeken die ik recentelijk nog gelezen heb, of die C.M. Hutte uit Rue des Boutiques obscures. Patrick Modiano doet overigens niet onder voor Bordewijk, met namen als Stioppa de Djagoriew, Freddie Howard de Luz, Oleg de Wrédé en Gonzalo Zaldumbide. 

Eigenlijk is voor dit laatste soort vermaak het bezit van één, hooguit een paar, zij het bij voorkeur dikke of meerdelige, telefoonboeken al genoeg. Daarmee kom je al een heel eind, hetgeen het verzamelen van een veelvoud van telefoonboeken iets maakt om nog eens over na te denken.

Nu ging het hier om het idee, om een hypothetische kast of woning vol telefoonboeken. Ik verzamel ze zelf niet en ik heb nooit iemand gekend die ze verzamelt, al is er uiteraard wel zo’n persoon op het internet te vinden. Het is een zekere Gwillim Law en zijn website heet Old Telephone Books, Possibly the world’s largest online collection of phone books (www.oldtelephonebooks.com). Het ging (ik schrijf in de verleden tijd, want de website is al enige jaren niet bijgehouden) deze verzamelaar er voornamelijk om, maak ik op uit een beschouwing op deze website, hoe hij aan telefoonboeken kwam, en, als hij ze eenmaal had, om ze te ordenen en te catalogiseren. De vraag wat je verder moet met die in zijn geval duizenden telefoonboeken, stelt hij zich niet. Dat is hem niet kwalijk te nemen. Ik heb hierboven die vraag wel gesteld en geprobeerd die te beantwoorden – niet erg overtuigend, vind ik zelf. En als je dat antwoord dan zou delen door een in ieder geval viercijferig getal (Law noemt niet het precieze aantal telefoonboeken in zijn bezit), dan blijft daarvan niet veel over.

 

 

In de bak

 

Een synagoge moet in het bezit zijn van boeken. Er dienen uiteraard de voor de dienst noodzakelijke siddoerim (gebedenboeken) en choemasjim (Pentateuch-uitgaven) aanwezig te zijn. Maar er moeten ook boeken zijn om uit te leren, voor, na, tussen en ook gedurende de sjoeldiensten: delen van de Misjnah en de Talmoed, codificaties van de Joodse wet, commentaren op alles, commentaren op die commentaren, enz. In Amsterdamse sjoels, zover ik me kan herinneren, is dat niet zo het geval (ik kan me met zekerheid herinneren dat ik een rabbijn, een geleerde, hierover heb horen klagen), maar in het Israëlische stadje waar ik woon wel. Nu zijn er hier meer sjoels dan er Roomse kerken zijn in Rome (zeker per vierkante kilometer) en de meeste daarvan zijn tevens een beit medrasj, een leerhuis. In één daarvan, die van de chassidim van Karlin-Stolin, loopt de gezamenlijke lengte van de uitpuilende boekenplanken op tot meer dan honderd meter. De sjoel van Karlin-Stolin heeft overigens ook een mastodontisch gebeeldhouwd aron kodesj; deze chassidim pakken de zaken groot aan. Alles bij elkaar zijn er in mijn woonplaats heel veel Joodse boeken te vinden, niet alleen in al die sjoels, maar ook nog eens bij de mensen thuis.

Ten eerste, ten tweede, om mijn echtgenote te citeren. De huishoudelijke scheiding van afval is in mijn woonplaats nog steeds een relatief onbekend begrip. Alles gaat, inclusief tuin- en klein chemisch afval, in dezelfde vuilnisbak, behalve plastic flessen en sjeimes. De verzamelnaam sjeimes duidt op geschriften die de Heilige Naam bevatten, meestal in de vorm van de letters joed-joed of joed-hee-wav-hee, die wel als zodanig geschreven of gedrukt mag worden, maar niet uitgesproken en al helemaal niet, als het betreffende geschrift om wat voor reden dan ook afgedankt wordt, tussen het andere huisvuil (lekkende batterijen, volgepoepte luiers, rottende koolbladeren, enz.) weggeworpen. In mijn woonplaats staan er daarom hier en daar langs de openbare weg sjeimesbakken opgesteld, menshoge metalen kasten met bovenin openingen om de sjeimes naar binnen te schuiven. Als zo’n bak vol is, wordt deze geledigd; de inhoud wordt begraven, misschien wel ter aarde besteld.



Wat je in de sjeimesbak deponeert is daarna hefker, d.w.z. zonder eigenaar, en iemand die nog iets in de afgedankte boeken ziet (die zijn dikwijls nog in redelijke staat) mag ze mee naar huis nemen. “Wacht even,” zei een toevallige passant toen ik laatst op het punt stond zelf een paar afdankertjes in de dichtstbijzijnde sjeimesbak te laten zakken. We raakten in gesprek over wat hij nog kon gebruiken. Dat bleek één boek te zijn, de rest mocht door naar de diepte. De sjeimesbak biedt niet alleen een nette, rabbinaal goedgekeurde mogelijkheid om van sjeimes af te komen. Een oplettend en geduldig persoon is dankzij de bak ook in staat een kleine Joodse privébibliotheek op te bouwen, vooral in de weken vóór Pesach, als de zucht tot schoonmaken en opruimen het grootst is. Nu kan het zijn dat het niveau in zo’n sjeimesbak net laag is, en je arm te kort. Het komt dan dikwijls voor dat men je tegemoetkomt en de boeken die men kwijt wil in een doos naast de bak zet.

Deze twee punten, de overvloed aan Joodse boeken en de sjeimesbak komen samen in het kleine sjoeltje waar ik lid van ben en waar de gang van zaken plaatsvindt volgens de Hoogduitse ritus. We hebben ternauwernood tien man en daarom niet veel geld. Onze bibliotheek is dan ook maar klein, al wordt deze met zekere regelmaat aangevuld met vondsten in en rond deze of gene sjeimesbak. Op deze wijze verwierven we niet zo lang geleden een uitgave getiteld The Holy Scriptures, Hebrew and English, gepubliceerd door een Brits instituut, The Society for Distributing Hebrew Scriptures.

Er was iets met dat boek, iets vaag christelijks, hoewel de Hebreeuwse tekst, aldus de Hebreeuwse titelpagina, was geredigeerd door een David Ginzburg, iemand met een Joodse naam. Mijn argwaan werd echter versterkt door een boodschap van de Society op de binnenkant van de kaft: “Out of gratitude to the Jewish people for their gift of the Bible to us […], we desire to make the Holy Scriptures available to every Jewish home.” Dat is een gul gebaar, maar een beetje onlogisch. Het Joodse volk heeft toch waarachtig niet alle beschikbare exemplaren van Tanach weggegeven; waarom moet dan elk Joods gezin voorzien worden van een tekst die het naar alle waarschijnlijkheid reeds bezit? Als de Society zo nodig Joodse boeken wil schenken aan de Joden, waarom distribueert ze dan niet gratis exemplaren van de Schottenstein Edition van de Babylonische Talmoed (bevattende de oorspronkelijke tekst en een verklarende Engelse vertaling)? Niet elk Joods gezin heeft de volledige serie (88 delen).

Maar, zo blijkt verder uit de boodschap van de Society, ze is gaarne bereid nog een ander boek te schenken: “Should you be interested in receiving a Hebrew-English New Testament we will gladly send a copy on request.”

Aha.

The Society for Distributing Hebrew Scriptures is in een wip gevonden op het internet, precies zoals ze het hebben wil. Daar herhaalt de Society haar aanbod van gratis tweetalige “Tanakhims”, zoals ze dat stelt, niet alleen met Engelse, maar ook met Duitse, Hongaarse, Franse, Russische, Spaanse en Portugese vertaling, naar keuze. Al die vertalingen hebben gemeen dat ze het werk zijn van Protestantse dominees van diverse kerkgenootschappen. De enige uitzondering is de vertaling in het Jiddisch, van niemand minder dan Yehoash, die zich daar in vreemd gezelschap bevindt. De andere Jiddische tekst in de aanbieding, die van het Nieuwe Testament, is het werk van de apostaat Henry Einspruch. (Diens Jiddisch zou volgens de kenners levendiger, ja authentieker zijn dan dat van Yehoash’ Tanach-vertaling. Maar als je iets in levendig, authentiek Jiddisch wilt lezen, ben je toch waarachtig niet aangewezen op dat Testament in die Einspruch zijn vertaling.) Overigens is de eerdergenoemde David Ginzburg eveneens een apostaat, zich noemende (behalve dan op die Hebreeuwse titelpagina) Christian David Ginzburg.

Eenieder kan gratis boeken aanvragen bij de Society, maar wel met een beperking: alleen “[i]f you are Jewish”. Ik zou de Society willen aanraden haar aandacht op andere heidenen en ongelovigen te richten (daarvan zijn er genoeg, en men bespaart zich de kosten van het Hebreeuwse zet- en drukwerk), want juist met Joden is er een probleem. Nadat ik die The Holy Scriptures, Hebrew and English had ontdekt in ons sjoeltje, vroeg ik de rabbijn wat ermee te doen, waarbij ik hem de missionaire doelstellingen van de Society uiteenzette. “Doe het in genizah,” zei hij, met andere woorden, stop het in de sjeimesbak, want op grond van de Joodse wet mag men zo’n uitgave niet in bezit hebben. Op weg naar huis kwam ik langs een sjeimesbak. Die was kennelijk kortgeleden geleegd, want het boek viel erg diep, nu buiten bereik van ieder ander.

Boekentroep


De wanden van ons huis in Beitar Illit zijn voor een aanzienlijk deel aan het oog onttrokken door kasten met boeken. De bevrijders van Palestina houden daar te zijner tijd nog flink wat brandstof aan over. En als de bevrijding toch nog mocht uitblijven, zitten onze nazaten en erfgenamen opgezadeld met een volumineuze, zware en vooral weinig waardevolle nalatenschap. De toekomst is immers aan het e-boek? Het voordeel van e-boeken is niet moeilijk te bedenken. Een duidelijk voorbeeld stond laatst nog in de krant: een barmhartige Samaritaan had een dakloze in zijn Amerikaanse woonplaats een e-boeklezer ten geschenke gegeven met daarop, of daarin, wel driehonderd boeken. Op de plank – en tegen de wand – is dat al gauw acht meter, als het tenminste om echte boeken gaat, geen dunnetjes. Wie geen dak heeft, beschikt ook niet over de hier benodigde wand, vandaar dat die e-boeklezer de begunstigde zo goed van pas kwam.
Behalve een hoop boeken, bezit ik ook zo’n e-boeklezer, een (inmiddels technisch achterhaalde) Kindle 4.0, met nog eens zo’n tweehonderdvijftig boeken. Dat zijn de boeken die ik, praktisch gesproken, en als de overige omstandigheden zich ook daarvoor zouden lenen, wel zou kunnen meenemen bij de bevrijding van Palestina. Ik zou me in dat geval ook neerleggen bij het kleine, grauwe schermpje van de Kindle 4.0, de zeer geringe variatie in het voor al die boeken beschikbare lettertype, en de onmogelijkheid om plaatjes te bekijken. Dit zijn trouwens geen fundamentele bezwaren tegen het elektronische boek. Het gaat hier om onvolkomenheden die om technologische oplossingen vragen – en die zijn, bij de nieuwere en duurdere modellen e-boeklezers, deels al getroffen. Ik zou die tweehonderdvijftig boeken – opnieuw, indien de omstandigheden dit zouden toelaten – kunnen overzetten op een meer geavanceerd apparaat. Kortom, mij hoef je niet verder te overtuigen van het nut en de pracht van e-boeklezers, en dat terwijl ik voor andere gadgets niet of nauwelijks warmloop. Niettemin missen e-boeklezers, ondanks alle technisch vernuft, een aantal mogelijkheden die gedrukte boeken wel hebben.


2

Zo bestaat er de mogelijkheid om in al je boeken een ex libris te plakken. Hoewel het een goed idee is om je e-boeklezer van een eigendomsmerk te voorzien, is het, laten we zeggen, incongruent om daar nu een ex libris voor te gebruiken. Ex libris, gevolgd door je naam (als je erg sjiek bent, zet je die dan in de genitivus), betekent (bijna) letterlijk: uit de boekerij van. Het boek met ex libris is er één van vele; een e-boeklezer bevat, zoals in het geval van de zojuist genoemde dakloze, iemands hele bibliotheek.

De Van Dale definieert een ex libris als een “eigendomsmerk voor boeken met inschrift (…) gewoonlijk verwerkt in een al of niet zinnebeeldige voorstelling” (10e druk, 1976, p. 654). Aan het maken die voorstelling komt een grafisch kunstenaar te pas, geschoold of ongeschoold, beroeps of amateur. Nu zou je kunnen denken dat met het oprukken van het e-boek een hele kunsttak te gronde dreigt te gaan. Gelukkig zijn er verzamelaars van het ex libris; net zomin als postzegelverzamelaars ervan gediend zijn dat een zegel zijn weg vindt naar een envelop en daarop afgestempeld wordt, wensen zij dat er een boek aan een ex libris vastzit. Eén van mijn vroegere bazen in de tweedehandsboekenbranche was een verzamelaar. Ik was er getuige van dat hij, in een boek in net binnengekomen partij, een hem onbekend ex libris aantrof. “Hé, die heb ik nog niet,” mompelde hij, scheurde het schutblad met het ex libris eruit en wierp het boek in het vuilnisvat. Postzegels worden allang ook gemaakt om te verzamelen, tenzij die paar inwoners van San Marino werkelijk heel veel brieven te frankeren hebben. Hetzelfde geldt, is mijn stellige indruk, voor het ex libris.

Zelf plak ik geen ex libris in boeken; ik zou het niet missen als het niet meer kon. Ik verzamel ze ook niet, al heb ik er wel een paar, achtergelaten in tweedehands boeken door de vorige eigenaar. Ik laat ze daar zitten, want ze storen me niet. Eentje, een houtsnede van Frans Masereel, heb ik ingelijst en opgehangen. De naam van degene voor wie Masereel dit aardige prentje gemaakt heeft (Wijnand Romijn, een provinciale intellectueel uit het midden van de vorige eeuw) maakt geen deel uit van de voorstelling en heb ik daarom achter het passe-partout laten verdwijnen.




3

Wat zou er gebeurd zijn als Pierre de Fermat de Arithmetica van Diophantus (in de uitgave van Claude Gaspar Bachet) had gelezen als pdf-bestand? Het boek zou er op het scherm hebben uitgezien als de op papier gedrukte versie; het programma om het daar te krijgen, Adobe Reader, had Fermat de mogelijkheid geboden om in extenso aantekeningen te maken. Ik heb het zojuist nog getest: de zogenoemde sticky notes kunnen wel zo’n 750 woorden bevatten, maar als dat te weinig is, kun je in de tekst van het pdf-bestand een link plaatsen naar een aangehecht bestand van willekeurige opmaak en grootte. Fermat (1601-1665) had echter een papieren exemplaar met alleen de kantlijn voor opmerkingen. In die kantlijn noteerde hij een inval die bekend zou worden als Fermats laatste stelling: de observatie dat er voor de vergelijking x3 + y3 = z3 geen enkele oplossing bestaat, als x, y en z gehele getallen zijn. Wie aanleg voor wiskunde heeft voelt dat, naar ik aanneem, aan zijn water – maar is er een bewijs voor? Fermat schreef in zijn exemplaar van de Arithmetica: “Cuius rei demonstrationem mirabilem sane detexi hanc marginis exiguitas non caperet [Voor deze stelling heb ik een waarlijk verbazingwekkend bewijs; de marge hier is echter te krap om deze te bevatten].”

Dit was de opmaat voor 358 jaar mathematisch kopzeer (en een uiteindelijke triomf), want zo lang duurde het totdat de Britse geleerde Andrew Wiles het bewijs kon leveren. Ik vraag me af wiskundigen zo naarstig gezocht zouden hebben, indien Fermat niet de indruk had gewekt dat het bewijs pal om de hoek voor het grijpen lag. Ik vraag me ook af, of Fermat, als hij meer ruimte om te schrijven had gehad, niet spoedig ontdekt zou hebben dat er iets haperde aan het bewijs dat hem voor ogen stond. Wellicht heeft hij inderdaad een leeg vel papier volgeschreven, geconcludeerd dat hij er niet uitkwam, en het vel vervolgens gebruikt om een tochtige kier te dichten. Met de oorspronkelijke inval was dat niet mogelijk, want daar zat de Arithmetica aan vast. Met Adobe Reader daarentegen wis je eenvoudigweg elke aantekening die je niet langer bevalt. Het zijn in dit geval de beperkingen van het gedrukte boek die de geschiedenis van de wiskunde beïnvloed hebben.(
i)

4

Een tijdje geleden zijn een paar lui (online, dat spreekt) een handel in tweedehands e-boeken begonnen, hetgeen de rechter ze vervolgens verbood. Ik laat de juridische aspecten hiervan aan wie daar belang in stelt. Wat mij verwondert is hoe een e-boek tweedehands zou kunnen zijn, in stoffelijke zin. Het echte tweedehandsboek vertoont in het algemeen sporen van gebruik (een geknakte rug, omgevouwen hoeken, gescheurde bladzijden e.d.), zo niet sporen van ouderdom (vergeeld papier, roestvlekken, schimmel, door hongerige boekenwurmen achtergelaten gaatjes).(ii) Niets van dit alles bij het e-boek. De enige sporen van gebruik die ik mij kan bedenken zijn markeringen in de tekst en aan het e-boekbestand toegevoegde aantekeningen – en die kun je eenvoudig ongedaan maken. Kortom, een tweedehands e-boek is niet van een nieuw te onderscheiden. Wil je dat onderscheid toch maken, dan zal dat in abstracte juridische termen moeten geschieden.

Sporen van gebruik vormen de reden waarom tweedehands aanschaf van een boek voordeliger is. Ik kocht zeer onlangs een interessant boek, nieuw te koop voor pakweg € 25, voor slechts 5 Israëlische sjekel (iets meer dan € 1), een prijs gerechtvaardigd door het uitbundig gebruik door de vorige eigenaar van een gele markeerstift. Het feit doet zich ook voor dat aantekeningen – en zelfs markeringen – in boeken de waarde daarvan juist verhogen. In december 1995 kwam bij mijn werkgever Van Gendt Book Auctions in Amsterdam de bibliotheek, althans een grote partij boeken uit het voormalig bezit van W.F. Hermans ter veiling, toen nog niet zolang dood. De boeken op zich waren niets bijzonders en vormden, naar mijn smaak, tamelijke waardeloze handel. Hermans, zo bleek, had tijdens zijn lectuur niet zo fanatiek kanttekeningen gemaakt, zodat het als collectie autografen ook niet zoveel voorstelde. Met moeite kon ik een paar notities(iii) ter lengte van een zin vinden, die vervolgens, via een persbericht van Van Gendt, hun weg naar enkele kranten vonden, waarvan er één kopte: “Veiling boeken met kregelige notities van W.F. Hermans”. Deze zette echter voornamelijk een streepje hier en een uitroepteken daar en voorzag zijn boeken van zijn naam (met de hand of met een stempel). Tot mijn verbazing bleek dat genoeg voor een enthousiast veilingpubliek om grif te bieden. Een Leidse antiquaar bood zelfs enkele honderden guldens voor een verouderde Van Dale met wat streepjes en Hermans’ naam. Na de veiling gaf hij toe dat hij zich misschien te veel had laten gaan. Maar laat iemand zich nog zo gaan, zou hij (verreweg de meeste antiquaren – en boekenliefhebbers in het algemeen – zijn mannen) hebben geboden op een e-boek met elektronische notities van deze of gene, of een andere, beroemde schrijver?


5

Niet dat het per se moet, maar krantenknipsels bewaar je in boeken die over hetzelfde gaan als of althans ergens iets te maken hebben met het onderwerp van het krantenartikel. Daarna vergeet je ze. Als je dan weer eens een van die boeken ter hand neemt en zo’n knipsel valt eruit, dan is het leuk om het weer eens te lezen, want oud nieuws heeft ook zijn charme.

Het nadeel van het in boeken bewaren van krantenknipsels is dat ze een schaduw achterlaten. Ik ben een onbenul in scheikunde, maar het zou erom gaan dat het zuur dat het krantenpapier doet vergelen, ook dat effect heeft op de betere kwaliteit papier van het boek waartegen het aandrukt. Bij Van Gendt Book Auctions was het usance om vóór de veiling alle knipsels uit de boeken te verwijderen. Dat was min of meer een ritueel, want het kwaad was feitelijk al geschied. Soms kwam je dan iets interessants tegen, zoals het hier afgebeelde knipsel uit een Amerikaanse krant, een ingezonden brief die de krantenlezer attent maakt op de persoon van Naphtali Levy, die reeds in 1876 in een pamflet argumenteerde dat de evolutietheorie met het Bijbelse scheppingsverhaal te rijmen was en daarover contact had gezocht met Charles Darwin in eigen persoon.

“I do not doubt,” aldus Stephen Jay Gould, schrijvend over de acceptatie van de evolutietheorie onder confessionelen, “that one could find an occasional nun who would prefer to teach creationism in her parochial school biology class, or an occasional rabbi who does the same in his yeshiva (...).”(iv) Over nonnen kan ik niet oordelen, maar zover ik weet wordt in de jesjievawereld en in (ultra)orthodox-joodse kring in het algemeen evolutie meestal volstrekt van de hand gewezen. Een Engelse rabbijn, sprekend in Amsterdam, kwam ooit met de woordspeling “evil looshon”, waarvan het tweede lid het Hebreeuwse woord lasjon (taal, spraak; hoc loco praatjes) is, op zijn chassidisch uitgesproken. Helemaal niet leuk bedoeld was de ban, daterend 20 september 2004 en ondertekend door de meest vooraanstaande rabbijnen van Jeruzalem en Bnei Barak, op de boeken van Nosson Slifkin, waarin deze probeerde het fenomeen van evolutie – niet de theorie dat deze, gedreven door spontane genetische mutaties en natuurlijke selectie, als vanzelf in zijn werk gaat – acceptabel te maken voor het (ultra)orthodoxe publiek, zulks op gezag van sommige grote rabbijnen uit het verleden. In tegenstelling tot wat Gould beweert, is er onder vrome joden slechts af en toe iemand die met zoveel woorden evolutie onderschrijft, zoals Slifkin en zoals deze Naphtali Levy, immers ook een “rabbi”, aldus het krantenknipsel.(v) Om die reden wekte het mijn belangstelling en heb ik het bewaard.



Misschien kan het handiger, maar er is een manier om een virtueel knipsel uit de digitale edities van kranten en tijdschriften te bewaren, door het af te drukken – niet op papier, maar ‘naar een bestand’, d.w.z. een pdf-bestand. Sommige webpagina’s met nieuwsartikelen bieden zelfs een ‘printervriendelijke’ versie daarvan aan, zonder allerlei rotzooi aan de zijkant. Staat zo’n bestand op je computer, dan kun je, als je een e-boek over een verwant onderwerp hebt, daarin een link zetten naar dat opgeslagen bestand, althans als dat e-boek eveneens in pdf-formaat is en je gebruikt een actuele versie van Adobe Acrobat Reader. Toch is dat niet hetzelfde, om de volgende reden. Als krantenknipsels, uit een echte krant, geen bruine schaduw achterlieten in boeken, en we bij het veilingbedrijf de boeken niet hadden uitgeschud om knipsels te verwijderen, dan was ik nooit op de naam Naphtali Levy gestuit. Nu kun je op het internet heel veel vinden, maar je moet wel over een zoekterm beschikken. Omdat ik die nu had, vond ik in een oogwenk o.a. een Engelse vertaling van Toledoth Adam en een geleerde beschouwing erover, beide gratis te raadplegen, alsmede (als je daar maar liefst $ 40 voor over hebt om het van een wetenschappelijke uitgeverij te downloaden) een artikel over Levy met als coauteur dezelfde Ralph Colp, Jr., de ingezondenbrievenschrijver.


6

Begrijp me goed, ik wil u niet, uit misplaatst conservatisme, de mogelijkheid om een ex libris in boeken te plakken, in de kantlijn daarvan te krassen en tussen de bladzijden krantenknipsels te leggen (of bloemen en boombladeren, voor wie zin heeft voor botanie) aansmoezen als voordeel van het traditionele, fysieke boek boven het e-boek. De hier beschreven dingen liggen meer in de categorie van eigenaardige bijkomstigheden. Ik heb ook al gezegd dat ik juist overtuigd ben door de voordelen van het e-boek, al lees ik persoonlijk liever van papier. Eén groot voordeel wil ik nog noemen: je kunt zonder schroom e-boeken ter leen vragen en geven. Niemand hoeft er meer aan te denken om een geleend boek toch nog eens een keer terug te bezorgen. Wat je ter leen hebt gekregen is een gekopieerd bestand; de eigenaar heeft zijn exemplaar gewoon behouden. Amazon zal het niet zo waarderen, maar van die pakweg tweehonderdvijftig boeken op mijn Kindle 4.0 zijn er flink wat geleend.



Noten

i Zie Simon Singh, Fermat’s Last Theorem, London: Fourth Estate 2002. Fermat is nooit teruggekomen op deze stelling. De oorspronkelijke aantekening bleef bewaard en werd, na zijn dood, door zijn zoon gepubliceerd, met zijn vaders overige kanttekeningen, in een nieuwe editie van Diophantus’ Arithmetica (Toulouse, 1670).

ii Dit sluit niet uit dat een tweedehands gekocht boek gloednieuw kan zijn en nieuw boek oud. Ik hoorde ooit vertellen dat de firma E.J. Brill in Leiden het door haar in 1883 uitgegeven werk Keur van grafsteenen op de Nederl.-Portug.-Israëlitische begraafplaats van D. Henriques de Castro bijna honderd jaar later nog op voorraad had. Volgens de website van Brill is het nu niet meer leverbaar, maar wie weet als een magazijnbediende van de firma eens goed voor je kijkt.

iii Eén daarvan luidde, in een boek dat Hermans kennelijk niet beviel: “Deze slappe Du Perron-imitatie smaakt zoals kauwgom waar een ander al uren op gesabbeld heeft, waarschijnlijk smaakt.” Je moet wel een groot vriend van de Nederlandse letteren zijn om aan een dergelijke autograaf je geld uit te geven.

iv S.J. Gould, Leonardo’s Mountain of Clams and the Diet of Worms, London: Vintage 1999, p. 271. In mijn exemplaar van dit boek bleek ik het knipsel over Naphtali Levy gestopt te hebben.

v Niet alleen een “rabbi”, maar ook een “humanistic writer”. Volgens Slifkin was Levy “on the border between Orthodoxy and the haskalah movement”, erop wijzend dat hij Toledoth Adam niet alleen als pamflet maar ook als artikel in Ha-Shachar, een tijdschrift van deze beweging, had gepubliceerd. N. Slifkin, The Challenge of Creation, n.p. 2006, p. 242. Dat maakt Levy voor Slifkin minder bruikbaar en hij besteedt verder geen aandacht aan Toledoth Adam.

Een eigen boek

Op mijn Facebook-profiel stond: “writing a book, of course, like everybody else”. Nu is dit niet helemaal waar, er nog van afgezien dat weliswaar menigeen, maar lang niet iedereen boeken schrijft. Als ik ergens een beroep moet opgeven, is dat doorgaans freelance writer, hetgeen betekent dat ik in het verleden artikelen voor weekbladen heb geschreven, bereid ben dat opnieuw te doen, en intussen, als ik daar zin in heb, met een potlood in een bloknootje zit te krassen. Ik denk ook wel eens aan een boek, maar dat ik momenteel daadwerkelijk bezig ben er eentje te schrijven – nou nee.
Toegegeven, dat is een kwestie van luiheid. Maar ik heb ook een rationalisatie. Ik vraag me af of ik wel een goede reden heb om een boek te schrijven.
Nu zijn er, voor zover ik dat kan bedenken, de volgende goede redenen. Je kunt met het schrijven van boeken een hoop geld verdienen. Zelfs als je één honderdste van de omzet van J.K. Rowling, Dan Brown of John Grisham zou bereiken, is dat al de moeite waard. Ook als je je aan geld niets gelegen laat liggen en slechts gedreven wordt door de wens – of de zucht – iets mede te delen waarvan je vindt dat anderen dat moeten lezen – als nu maar genoeg mensen dat ook inderdaad doen, dan heb je evengoed een bestseller. Maar ook als dat niet het geval is: krijg je bijval van geschoolde critici, dan is een zekere literaire roem je deel. Je uitgever zal het niet zo waarderen, maar je volgende boek zou zelfs een Geheimtipp für Kenner kunnen zijn.
Geld, een aandachtig publiek, literaire roem, het zijn alle drie goede redenen om aan je schrijftafel plaats te nemen; helaas ligt teleurstelling al in ze besloten. De kritiek negeert je; je boek wordt geen bestseller; in feite stellen maar heel weinig mensen belang in wat je te zeggen hebt. Hier spreekt natuurlijk, behalve luiheid, mijn eigen faalangst. Een ander hoeft van geen van beide last te hebben en kan zich voorts sterken met de gedachte dat er waarachtig wel grotere rotzooi is geschreven, gedrukt én verkocht. En naar alle waarschijnlijkheid is dat ook zo. Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst heeft menige boerenlul zich geroepen gevoeld het zijne toe te voegen aan een steeds hogere en wijdere, maar meest ongelezen boekenberg. Misschien maakt dit alles je niet uit, zelfs niet als de eerste en enige oplage van je boek al na korte tijd wordt verramsjt of benut als grondstof voor nieuw papier waarop vervolgens iets anders gedrukt kan worden. Immers, je kunt jezelf nu met recht en reden schrijver noemen, of auteur, of zelfs letterkundige. Dat zoiets belangrijk is, leid ik af uit het visitekaartje van een kennis hier in Israël, waarop deze zichzelf als “author” betitelde, omdat hij met zekere regelmaat ingezonden brieven naar de Jerusalem Post schreef. (Nu heeft hij een weblog, waarop hij, naast andere zaken, meedeelt dat hij bezig is een boek te schrijven).
Schrijver genoemd te kunnen worden is voor mij echter geen motivatie – om een technische reden. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde heeft een website onder de titel Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren. Eén onderdeel daarvan is een lange lijst van Nederlandse auteurs – waar ik, tot mijn eigen verbazing, in sta, niet ver onder Reve, Gerard en Reve, Karel van het (puur alfabetisch, dat spreekt). Als je op mijn naam klikt, krijg je een pagina met opnieuw mijn naam en de mededeling: “geen titels beschikbaar”. Dat klopt, maar ik sta toch maar mooi in die lijst, zonder dat ik daar iets voor heb hoeven doen. Ik bén al schrijver, wat de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde betreft!




Naschrift

Het raadsel is opgelost. De Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren is bezig de inhoud van De Gids te digitaliseren. Daar heb ik ooit een stukje voor geschreven, dat nu ook bij de DBNL te vinden is.

Boeken met plaatjes

Omdat ik heb mogen doorleren, laat ik me niet zo gauw afschrikken door klein gedrukte, dikke boeken. Niettemin gaat mijn voorkeur uit naar boeken met plaatjes. Helaas zijn die er haast niet in de traditionele joodse literatuur. De enige uitzondering is de haggadah.

Van de haggadah verschijnen, vooral hier in Israël, maar ook in de Verenigde Staten, jaarlijks nieuwe uitgaven, die na Poerim net zo attractief liggen uitgestald bij de orthodoxe boekhandel (maar ook bij de filialen van de wereldse ketens Steimatzky en Tsomet Sefarim) als de actuele bestsellers bij een AKO-vestiging. Nu is de tekst van de haggadah al sinds eeuwen gestandaardiseerd (enkele pogingen tot uitgaven met een “geactualiseerde” tekst of een “hedendaagse boodschap” daargelaten), dus de nieuwigheid zit in iets anders, bijvoorbeeld een nieuw commentaar, of juist een heel oud commentaar, maar dan in een nieuw jasje. Zulke haggadot zijn vaak nogal lijvig, en het commentaar omvangrijk en klein gedrukt, en er staan meestal ook geen plaatjes in. Interessant om uit te leren, maar het is me niet helemaal duidelijk wat je op de seideravond met al die tekst moet. Het is immer a priori vereist om de seider te beëindigen vóór chatzot, halachisch middernacht, bij ons dit jaar om ongeveer kwart voor één, met het eten van het afikoman. Een andere mogelijkheid om met een nieuwe haggadah te komen zijn nieuwe illustraties. Zo zijn in de loop der jaren talloze geïllustreerde haggadot verschenen, van de hand van allerlei bekende kunstenaars (Ben Shahn, Menashe Kadishman, Yaakov Agam, Raphael Abecassis, Jossi Stern, David Moss, noem maar op), maar ook van de hand van deze, gene en nog een andere professionele of niet zo professionele illustrator. 

Al deze geïllustreerde haggadot staan in een lange traditie die teruggaat tot ver vóór de uitvinding van de boekdrukkunst. Alleen worden de met de hand gemaakte haggadot uit de Middeleeuwen geen boeken met plaatjes genoemd, maar verluchte codices, en de plaatjes zelf illuminaties of miniaturen, want het zijn letterlijk kleine tekeningen en schilderijtjes – dat is nu net het verschil.

Deze verluchte haggadot uit de 13e tot en met de 15e eeuw (met een merkwaardige nabloei in de 18e eeuw) werden uiteraard niet massaal vervaardigd, en door de tand des tijds vermenigvuldigd met de wisselvalligheid van de geschiedenis is er waarschijnlijk veel verloren gegaan. De weinige handschriften die over zijn staan nu bekend onder bijnamen ontleend aan de plaats waar ze zich nu bevinden (of vroeger bevonden), zoals de Darmstadt, de Sarajevo en Neurenberg haggadot, of aan de naam van de huidige of voormalige eigenaar (de Kaufmann, de Yahuda, de Rothschildt haggadot, enz.). Eén is genoemd naar de kunstenaar, in dit uitzonderlijke geval bij name bekend (de Joël ben Sjimon Haggadah), weer andere naar de karakteristieke wijze van illustratie (de Drakenhaggadah en de Vogelkophaggadah, bijvoorbeeld). Kenners weten zonder twijfel het verschil tussen de Eerste Cincinnati Haggadah en de andere drie, en tussen het Broertje van de Rylands Spaanse Haggadah en en het Zusje van de Gouden Haggadah.

Aan het eind van de 19e eeuw moest een geleerde en verzamelaar als David Kaufmann nog op reis om een studie te kunnen schrijven over Hebreeuwse verluchte handschriften. Die studie verscheen vervolgens in 1898 als inleiding op een fotomechanische facsimile-uitgave van de Sarajevo Haggadah, de eerste in zijn soort. Sindsdien zijn van zo’n beetje alle verluchte haggadot facsimile’s gepubliceerd. Ook zijn op tal van plaatsen afbeeldingen te vinden, zowel in geleerde werken als op kunstkalenders, en tegenwoordig kun je scans van dikwijls het hele werk online vinden. Toch blijft dit behelpen: je krijgt een goede indruk, maar van kunstgenot, om het zo maar te noemen, is geen sprake, net zomin als bij een afbeelding van de Nachtwacht op een koektrommel, hoe aardig dat verder ook is gedaan.

Maar als je het treft, kun je hier en daar en van tijd tot tijd zo’n verluchte haggadah in het echt zien. De Vogelkophaggadah, zo genoemd naar de Willy Wortel-achtige figuren die erin staan afgebeeld, was tot voor kort zelfs elke dag in het Israel Museum te zien (en hopelijk opnieuw na de heropening in juli van dit jaar). Alleen lag het boek in zijn glazen kastje elke dag opengeslagen op dezelfde plaats – museum-technisch noodgedwongen, maar frustrerend voor wie eens zelf zou willen bladeren.

Dit dilemma bracht de Britse firma Facsimile Editions, gedreven door een chic echtpaar, Michael en Linda Falter, ertoe om te pogen niet alleen het uiterlijk aanzien, maar ook de aura, zoals ze het noemen, van een origineel handschrift te herscheppen. Zo is het aura van de door de firma uitgegeven facsimile van de 14e-eeuwse Barcelona Haggadah het resultaat van de beste fotografie, de beste druktechnieken (twaalfkleurendruk), het gebruik van speciaal ontwikkeld papier, dat net zo doorschijnend is, net zo aanvoelt, en net zo zwaar is als het originele perkament (niet dat we het daarmee proefondervindelijk kunnen vergelijken, maar u begrijpt dat het geen krantenpapier is), alsmede imitatie van minutieuze details als gaatjes in het origineel. Prijs: $ 4810.

Bovenstaande, door Facsimile Editions verstrekte informatie tot mij nemend, moest ik denken aan een tentoonstelling van driedimensionale reproducties van schilderijen die ik ooit zag. De penseelstreek en, als het zo uitkwam, dikke verfklodders van elk origineel schilderij waren in reliëf gereproduceerd, teneinde de “Echtheitserlebnis” (de tentoonstelling was ergens in Duitsland) te verhogen. Het resultaat, kan ik mij herinneren, was verbluffend. Maar toch was het nep. En de wetenschap dat het nep was stond mijn persoonlijke Echtheitserlebnis in de weg.

Bij alle respect voor de door Facsimile Editions aan de dag gelegde zorg en nauwkeurigheid en de daaruit resulterende fenomenale kwaliteit van het drukwerk, lijkt mij het uiteindelijke resultaat ook hier nep – nogal dure nep. Wat eigenlijk voor alle facsimile’s geldt, geldt ook voor deze haggadah: het is niet zozeer een boek met plaatjes als wel een driedimensionaal plaatje van een boek.

Overigens is de Barcelona Haggadah (nog op voorraad) niet de duurste haggadah in facsimile. Een Spaanse uitgever, Patrimonio Ediciones, heeft in 2006 een (intussen uitverkochte) facsimile van de Prato Haggadah (genoemd naar de laatste particuliere eigenaar, voormalig opperrabbijn van Rome David Prato) uitgebracht, voor de prijs van € 6000. De firma Patrimonio Ediciones geeft geen nadere uitleg van de gebruikte werkwijze, maar verzekert dat haar facsimile’s “moeilijk te onderscheiden zijn van het origineel”. Niettemin zal de bibliothecaris van het Jewish Theological Seminary in New York bezwaar aantekenen, als je het door Patrimonio Ediciones vervaardigde boek zou willen verruilen voor de echte Prato Haggadah, die zich daar bevindt. 

Wat betreft de vraag wat nu het praktische nut is van de facsimile-uitgave van de Barcelona Haggadah, afgezien de al dan niet ervaren echtheidsbeleving: je haalt hem tevoorschijn voor de seideravond, natuurlijk! De hele seider draait om het vertellen over de uittocht uit Egypte aan de kinderen, en ervaring van eeuwen leert dat dat nog het beste gaat met behulp van afbeeldingen.

Nu gaat bij ons thuis van de vier bekers er geheid altijd ééntje om en bestaat het risico dat een nog natte matsebal belandt tussen de bladzijden van een haggadah. En je zal zien dat het papier waarop de Barcelona Haggadah gedrukt is in alle opzichten op perkament lijkt, behalve één: het absorptievermogen van aanhangende kippensoep. Maar misschien eten de gelukkige eigenaars van een facsimile Barcelona Haggadah geen gebrokst.

(2010; een ingekorte versie heeft intussen in het NIW gestaan)