Posts tonen met het label voetbal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label voetbal. Alle posts tonen

Mijn ontmoeting met Johan Cruyff

Wij waren na schooltijd aan het voetballen in de speeltuin op Kattenburg, twee klasgenoten en ik, en nog een paar jongetjes. Geen van allen hebben wij later furore gemaakt in de voetbalsport, en dat moet toen al in ons spel te zien zijn geweest. Niettemin trokken wij de belangstelling van een jongeman die wij verder niet kenden. Na een tijdje vroeg hij of hij mee mocht doen. Dat mocht. Het bleek meteen dat hij heel goed kon voetballen. Hij stelde voor om het in zijn eentje tegen de rest van ons op te nemen. Wij waren geen partij voor hem, wat we niet gedacht hadden, want als je een jaar of negen, tien bent, heb je er geen benul van hoe klein je nog bent. Zodra hij balbezit had, pingelde hij om ons heen en schoot de bal tussen de op de grond gelegde jassen door. Hij koos daarbij niet de kortste weg, maar slalomde telkens voor de lol een paar keer extra om ons heen.

Nadat hij zo een poosje zijn kunsten had laten zien, vertelde hij dat hij moest gaan. Wij liepen met hem mee om zijn auto te bekijken. Het was een uitermate blitse, lage sportwagen, die aan de andere kant van de muur van de speeltuin langs de stoeprand stond geparkeerd. De jongeman nam afscheid met de mededeling gauw nog eens terug te komen, gaf gas en verdween links af de hoek om en uit zicht.

Hij had ons niet verteld hoe hij heette. Zou het soms die nieuwe speler van Ajax geweest zijn, opperde één van ons. Dat moest eigenlijk wel. Als je er even over nadacht, klopte het precies. Iemand die zo goed kon voetballen, moest wel prof zijn. Beroepsvoetballers, zeker full profs, verdienden ontzettend veel geld, en daarvan kochten ze dan sportwagens. De naam die viel had ik wel eens gehoord. Kruiver. Piet Kruiver, zo heette hij, nu wist ik het weer.

Niet lang daarna zag ik op de televisie dat het niet Johan Cruyff geweest was (en ook niet Piet Kruiver). Trouwens, het kon ook niet, want Cruyff was toen pas zeventien jaar en mocht nog niet eens in een sportwagen rijden.

Maar wie was het wel en (al stond ik toen niet bij die vraag stil) wat wilde hij van ons?

(2005)

 


Aan de oevers van de Kattenburgervaart

Mijn jeugd speelde zich voor een belangrijk deel af aan de oevers van de Kattenburgervaart. Aan de ene kant daarvan, op Kattenburg, had je de speeltuin, kleuterschool De Geranium, en daarachter het pleintje met de basketbalpalen. Basketbal heb ik er nooit zien spelen, maar het asfalt ervan leende zich goed voor tollen en rolschaatsen, zij het veel minder als ondergrond voor het stoken van vuur. Om die plekken moest je daarna ook heen schaatsen.

Het houten bruggetje over bevond zich het Wittenburgerhoofd met het gemeentelijk badhuis, een eigenaardig rond gebouw met een achtkantige bovenverdieping met ramen en een torentje voor de schoorstenen op het eveneens achtkantige dak. Naast het badhuis, op de hoek van de Ravenstraat, was de Parelschool, die toen gevestigd was in een solide, eind 19e-eeuws schoolgebouw, waarvan de hoge, ruime lokalen nog berekend waren op klassen van minstens 48 leerlingen.

Ik was een leerling van de Parelschool en ook een regelmatig bezoeker van het badhuis, samen met de rest van mijn klas. De schoolleiding vond het dienstig als de kinderen van de Eilanden, waar haast geen enkel huis een badkamer bezat, in ieder geval eens per week met een waterstraal in aanraking kwamen. Voor ons was het telkens weer een uitje, met attracties als het gooien met natte washandjes en het slaan met handdoeken op elkaars blote rug. Er was ook een badmeester die ons probeerde te koeioneren en die af en toe een bedenkelijke mop had.

De meeste schooljaren bracht ik door in een lokaal dat uitzicht bood over de vaart heen op Kattenburg. De sloop daarvan heb ik stap voor stap kunnen volgen. De Parelschool zelf, die in 1962 nog ingrijpend verbouwd en toen weer als nieuw was, ging eind jaren zeventig tegen de vlakte, net als het badhuis.

Tijdens voornoemde verbouwing zat ik in de eerste klas, die zo lang onderdak had gekregen in De Geranium. Aan de straatkant was dit een nogal somber gebouw, maar van binnen was het mooi en licht. Het trappenhuis bevatte een grote wandschildering, die ik als zesjarige nogal raar vond en daarom wel tot de moderne kunst behoord zal hebben. De Geranium was rond 1920 onder architectuur gebouwd, maar eind jaren zestig was de drang bij het gemeentebestuur om op Kattenburg met een schone lei te beginnen zo groot, dat ook dit schoolgebouw, met inbegrip van de wandschildering, verdween.

Daarmee verdween ook het aan de kant van de aangrenzende speeltuin, met witte verf op de zijmuur van De Geranium geschilderde doel. Er stond met grote letters de clubnaam F.I.T. in, maar het hoorde als het ware van de Parelschool, omdat wij de speelkwartieren meestal voetballend in de speeltuin op Kattenburg doorbrachten.

Voetbal speelde een grote rol op de Parelschool. In 1964 werden de zesdeklassers kampioen schoolvoetbal van Amsterdam. Het jaar daarop werd de Parelschool in de finale nipt met 1-0 verslagen. De leraar gymnastiek was in die tijd niemand minder dan Peet Petersen, semiprof bij Ajax en viermaal uitgekomen voor het Nederlands Elftal. Formeel had Petersen niets met de schoolvoetbalelftallen te maken, maar hij moet van invloed geweest zijn op onze ontwikkeling. Ik kan mij namelijk niet herinneren dat wij tijdens zijn gymlessen ooit iets anders deden dan paaltjesvoetbal, waaraan hij zelf dikwijls naar hartelust meedeed.

In een vriendschappelijke interland tegen wereldkampioen Brazilië in het voorjaar van 1963 scoorde Petersen, vlak voor tijd, het enige en winnende doelpunt. Daags daarna werd Petersen bij zijn komst naar school buiten in de Ravenstraat opgewacht door alle leerlingen en leerkrachten, alsmede de voltallige oudercommissie. Het hoofd der school, meester de Groot, overhandigde hem een grote vaas van wit aardewerk, gevuld met bloemen. Petersen, die wist hoe je zulke dingen deed, droeg vervolgens de aardewerkvaas in triomf door de juichende menigte kinderen, alsof het de Gouden Wereldbeker was.

Zelf maakte ik in 1967 deel uit van het schoolelftal dat het op sportpark Drieburg tot de kwartfinale bracht. Wij speelden toen sinds kort in nieuwe, droge shirts. Tijdens eerdere oefenwedstrijden was het de gewoonte geweest om de met zweet doordrenkte shirts van de vijfdeklassers, die de wedstrijd voor ons speelden, aan te trekken. Mijn moeder vond dit haaks staan op het beleid om ons eens per week naar het badhuis te sturen, en zorgde ervoor dat ik een eigen, telkens opnieuw schoon en gestreken shirt had, als enige van het elftal. Zelf trok ik veel liever een nat shirt aan dan dat ik voor kapsoneslijer werd aangezien, maar ze hield me in de gaten. De nieuwe shirts brachten uitkomst.

We verloren de kwartfinale (0-0) na loting. De Parelschool had gedurende de hele wedstrijd een duidelijk overwicht gehad, maar wat we ook probeerden, we konden de bal er niet in krijgen. Ik weet dat Peet Petersen hier niets te verwijten valt. Hij was toen al lang naar NAC vertrokken en we had al geruime tijd een gymleraar die nooit van paaltjesvoetbal had gehoord. Toch was het eigenaardig, hoe vaak we tijdens deze wedstrijd tegen de paal schoten. (2005)